Derde hoofdstuk.

De tijd is vervuld. Bekeert u en gelooft het Evangelie.

Marc. 1 : 15.


Op het punt van het geloof zijn onze vaderen ongemerkt in onderlinge tegenspraak vervallen; eene tegenspraak die voor den lezer van Brakels en Comrie’s geschriften geen geheim is, en die niet mag blijven liggen, of ze gaat kankeren in den wortel onzer belijdenis.

Lichte daarom ons derde artikel over deze Zondagsafdeeling het ontstaan van deze tegenspraak eenigszins toe.

In de Roomsche kerk vonden onze vaderen de bedenkelijke leer van de dusgenaarnde fides implicita, wat beduidt: van een ingewikkeld geloof. Van Roomsche zij bedoelde men hiermee, dat een gewoon leek volstrekt niet in de noodzakelijkheid verkeerde, om de onderscheidene stukken des geloofs in zijn bewustzijn op te nemen, en na kennisneming, als waar te belijden, maar dat hij volstaan kon met een algemeene geneigdheid tot gelooven, zoodat hij, ongezien en ongekend, op de autoriteit der kerk afgaande, den inhoud des geloofs aannam.

Hiertegen kwamen de Gereformeerden met kracht op, en hielden staande, dat tot een zaligmakend geloof wel terdege kennisse van de zaak die men gelooven zal onmisbaar is, en dat uit dien hoofde zulk een onbewust geloof wel superstitieus, maar nooit zalig kan maken.

En in zooverre hadden onze godgeleerden hierin ongetwijfeld gelijk. Immers geeft men eenmaal toe dat de dispositie des gemoeds volstaat, om ongezien te teekenen wat de kerk staande houdt, dan heeft dit onvermijdelijk ten gevolge, dat de kennisse der waarheid bijzaak en overtolligheid wordt, en het geloof in stede van op Christus zelven zich op de kerk en de geestelijkheid richt. Het wordt dan een mystiek, onhelder en duister geloof, waar allerlei in woelen kan, dat onzuiver voor Gods oog wordt bevonden, en alle belijdenis van beginselen lijdt schâ. Er is dan geen eigen aandrift tot onderzoek. Er is geen zelfstandige openbaring der geesten in de vrijheid Christi. En in steê van voorbereiding voor de vrijheid van Gods kinderen is het nogmaals „de geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze”, waaronder ge zucht. |133|

En toch, hoe volmondig we dit ook toestemmen, toch zijn, in de controvers tegen Rome, twee punten bij onze vaderen onopgelost gebleven; we bedoelen de zaligheid der kleinen, en de zaligheid der minbedeelden van begrip.

Bezien we beide iets van naderbij.


Had onze kerk den kinderdoop verworpen en de harde gedachte uitgesproken, dat wie onbekeerd en ongedoopt sterft, verloren is, dan, natuurlijk, had men ongestoord op de lijn der kennisse kunnen voortgaan. Immers men had dan gesteld, dat een kind te zijner tijd met de waarheid wordt bekend gemaakt; dat, na deze bekendmaking, het ingewrochte geloof zich op deze waarheid richten kan; en dat alleen zij gezegd kunnen worden daadwerkelijk te gelooven, die alsnu deze gekende waarheid omhelzen.

Alle meer intellectueele richting onder de Gereformeerden (denk aan Prof. Doedes) is dan ook geëindigd met den kinderdoop te verwerpen. Men sluit dan eenvoudig het oog voor de schakeeringen des levens, en alle moeilijkheid vervalt.

Wie echter dieper nadenkt, en met de Dordtsche vaderen belijdt, dat godvruchtige ouders ook van de zaligheid hunner vroeg gestorven lievelingen het beste verhopen mogen, die stuit hier op een zeer ernstig bezwaar.

Zegt hij toch: „deze kinderen zijn buiten geloof gezaligd”, waar blijft dan de waarheid, dat „wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden”; of ook zegt men: „neen, ook deze kinderen gelooven!” waar blijft men dan tegenover Rome met de onmisbare „kennisse?”

Gemeenlijk nu maakten onze godgeleerden zich hiervan af met de opmerking, dat zij uitsluitend van de volwassenen spraken, en dat voorts de Heere in zijn almachtige genade zijn eigen wegen voor de kleinen had.

Intusschen voelden ze zelven wel, dat dit geen hout sneed. Wierden toch de kleinen buiten geloof zalig, dan wierd op zeer ongelegene wijze de vastheid der waarheid losgewrikt. Want immers, zoo een klein kind er buiten geloof kon komen, waarom dan een groot mensch ook niet? En dat eenmaal toegegeven, waar bleef dan de klem van heel de Heilige Schriftuur?


Onze uitnemendste godgeleerden, gelijk Voetius en Rutherford, hebben daarom terstond dit kwaad zoeken te stuiten door de belijdenis, dat de Heere het werk der wedergeboorte meestal reeds voor den Heiligen Doop in de kleinen werkt, die verkoren zijn, en dat de Doop aan hen, als reeds wedergeboren, wordt toebediend; dat voorts het tweede leven, dat ook de |134| kleinen door deze tweede geboorte ontvangen, uit zijn aard de neiging tot gelooven in zich draagt; en dat God de Heere, die in den zaadkorrel reeds den halm en de volle aar ziet, ook de kleinen niet buiten geloof zaligt.

Toch is men na Voetius van deze goede lijn weer afgegaan, en heeft, om de kennisse toch vooral hoog te houden, de „kleine kinderkens” weer geheel uit het oog verloren, tot eindelijk à Marck in zijn Merch der godgeleerdheid, geheel op intellectualistisch standpunt aanlandde en nauwlijks met de „kinderkens” rekende. Dit voedde in ongemeene mate de „onderwerpelijke richting”, en het is de uitnemende verdienste van Comrie en Holtius, dat ze, het gevaar van deze zwenking inziende, toen op het voetspoor van vele Engelsche godgeleerden de voorwerpelijke daad Gods weer op den voorgrond trokken door hun prediking van het ingeplant geloofsvermogen.

Dit was feitelijk een terugkeeren tot de prediking van Voetius; alleen op het stuk van het geloof iets meer ontwikkeld.


Ook de tweede bedenking, waarop we boven wezen, maande hiertoe. Het is toch volstrekt niet waar, dat de moeilijkheid uitsluitend in de „kleine kinderkens” zit, die vroeg sterven. Wie zoo oordeeIen, zijn mannen van de theorie, die buiten het leven staan. Wie toch meêleeft met de schare, die weet, dat van de honderd volwassenen, die vreugdevol in hun Heere afsterven, hoogstens een tiende gedeelte zoover in de kennisse der waarheid is doorgedrongen, dat ze den samenhang van dit schoon gebouw doorzien. De meesten daarentegen weten er, o, zoo weinig van. En komt ge onder een klasse van menschen, bij wie zekere verstandelijke botheid verre van uitzondering is, dan bespeurt de kenner al ras, dat de meest gewone begrippen zelfs ontbreken. Leerde nu Jezus, dat „de wijzen en verstandigen” de gelukzaligsten zijn, overmits zij het gansch bestel zoo vaardig kunnen uitleggen, dan ware het iets anders. Maar nu de Heere leert, dat juist de „kinderkens in verstand” de zaligen zijn, nu tast men, hoe ook deze conclusie ons lijnrecht met de Heilige Schrift in strijd brengt. Neem b.v. het stuk onzer rechtvaardigmaking, en ontleed dit in zijn bestanddeelen, om elk Arminianisme uit te bannen, en vraag eens hoevele broeders en zusters in de groote stad van Amsterdam, u deze Rechterlijke daad Gods in zijn Besluit, in zijn Vierschaar, in de Opstanding Christi, in het forum der conscientie, en in haar toenemende klaarheid voor het bewustzijn van den geloovige behoorlijk kunnen uitleggen. Schoeit ge dus op die leest uw kerk, dan geeft ge aan de spitsvondigen een ongerechtvaardigde voorkeur; de sterkere denkers worden |135| dan de vroomsten geacht; een ongemeen geheugen brengt in roep van heiligheid; en de hersenen krijgen in uw Christelijke schatting een veel te sterk overwicht op het innerlijk leven der ziel.

Ook dit kwaad nu bezwoeren Maccovius en Voetius en na hen Comrie en Holtius, door van deze onderwerpelijke geloofswerking de zielen terug te roepen naar de schepping des nieuwen levens en het inplanten van het geloofsvermogen door den Heere. En als men hun dan tegenwierp, dat ze op die wijs naar Rome terugzwenkten en weer ongemerkt tot de leer van een „ingewikkeld geloof” kwamen, dan wisten ze wel beter, en hebben ze meer dan eens getoond, dat zij juist nog beter, dan de „onderwerpelijke” lieden Rome staan konden.


Tweeërlei strekke er toe, om dezen draad verder voort te spinnen.

Voor wat de „kleine kinderkens” aangaat de opmerking, dat het geloof, gelijk Rome dit opvat, een gemoedsneiging is, die niet noodzakelijk met het bewustzijn in verband staat. Ge onderteekent het stuk ongezien en ongelezen, en toont juist door dat teekenen van wat ge niet laast, „uw blind vertrouwen”. Tegen deze caeca fides, dit „blind geloof”, stellen wij nu daarentegen de organische opvatting van het geloof, en wel in tweeërlei opzicht. Organisch voor wat onze personen aangaat, in zoover wij belijden, dat het geloof eene hebbelijkheid is die heel ons wezen, en dus ook ons bewustzijn eigen wordt door de wedergeboorte. En ten tweede organisch in zich zelf, in zooverre, in de kiem, ook, al ontbreekt de werking nog, toch geheel dezelfde aard in zit, die straks uit zal komen, en deze aard, zoo er slechts tijd van leven is, met noodzakelijkheid uitkomen moet.

En voor wat de eenvoudigen of onnoozelen aangaat, zoo moet steunpunt en verweer tegen het onzalig intellectualisme en de kanker van het dorre begripsgeloof gezocht in een leggen van allen nadruk op het bovennatuurlijk karakter van de kennisse die uit het geloof komt. Deze kennisse mag niet opgevat als geheugenwerk, als begripsgave, als macht en talent om het weer te geven en in woorden uit te spreken. Neen deze kennisse van de verlichte oogen des verstands is een geestelijke clairvoyance of helderziendheid, gelijk Adam die in het Paradijs vóór den val bezat, en gelijk de zaligen daarboven die genieten, om te zien met ongedekten aangezichte.

En op die wijs vervalt metterdaad elk bezwaar. Het blijft dan één eisch des geloofs voor een ieder die zalig wordt. Dit geloof is één in zijn kiem en in zijn volle opbloeien. De zaligheid der kleinen wordt geen oorkussen van traagheid voor wie opwiesen tot rijper leeftijd. En de man van |136| veel begripskracht en veel geheugen drukt de eenvoudigen niet neer, maar heft ze op.

En hiermeê valt dan tevens het sprookje van kinderen, die op het geloof van hun ouders gedoopt wierden; vervalt alle moeilijkheid uit het Doopsformulier; en komt er klaarheid en vastheid van gang door de eenheid die in het wezen des geloofs wordt gehandhaafd.

Altoos weer het geloof onder het beeld van de spons. Ook al ligt de spons nog dor en droog, toch is ze spons, ook nu ze nog met geen water in aanraking kwam. Maar doopt ge ze in het water, dan moet ze het vocht inzuigen. En doet ze dat niet, dan blijkt ze geen spons te zijn.


En zoo verstaan we dan nu ook de 22ste Vraag van den Catechismus, als op het onderzoek: Wat is dan een Christen noodig te gelooven? geantwoord wordt: „Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de artikelen onzes algemeenen en ongetwijfelden Christelijken geloofs in een hoofdsomme leeren.”

Terecht toch is hiermee uitgesproken, dat elk persoon, die van Godswege een ingewrochte geloofshebbelijkheid of geloofservaring ontving, zoodra hij met de belofte van het Evangelie in aanraking komt, zich daarvoor ontsluiten zal en deze belofte gretiglijk aannemen. Dat Evangelie ligt er nu eenmaal. Die beloften schitteren er in. En nu is dit Evangelie alzoo geformeerd en dat geloof alzoo ingewrocht, dat zoodra ze met elkaar in aanraking komen, het ééne in het andere inzuigt en indringt.

Toch ligt er nog meer in dit antwoord; iets wat vooral tegenover de pseudo-mystiek der Ethischen moet volgehouden. Er staat namelijk niet, dat een kind van God begint met Jezus in zijn gemoed op te nemen, of zich aan Jezus over te geven, maar dat alle geloof begint met een gelooven van het Evangelie, en wel niet van den Christus in dat Evangelie maar van de beloften die in dit Evangelie vervat zijn. Het begint dus niet van de zij van het gemoed, noch van den wil, maar van de zij van het bewustzijn.

En dit natuurlijk, dit kan niet anders, — al het roepen, dat men eerst begint met Jezus aan te nemen, is ongerijmd.

Hoe toch wilt ge Jezus aannemen, zoolang hij niet meer voor u is, dan een naam zonder inhoud, een klank zonder wezen? En zegt ge: „Nu, maar zoo bedoel ik het ook niet, ik bedoel een aannemen van Jezus, als Verlosser van zondaren”, welnu, dan ligt reeds hiermeê heel de Ethische theorie onderstboven geworpen, want te weten dat Jezus een Verlosser van zondaren is, is geen zaak van het gemoed noch van den wil, maar wel terdege een zaak van ons bewustzijn. |137|

Ge kunt niets aannemen, of het moet voor u zekeren vorm of zekere gestalte of zekeren inhoud hebben, en zoodra ge aan den Christus ook maar eenigen vorm of eenige gestalte of eenigen inhoud toekent, ontstaat de vraag, of ge u in uw voorstelling ook soms vergist, of uw voorstelling wel strookt met het Evangelie, en of ge soms ook een denkbeeldigen Christus verkoost in steê van den wezenlijken die voor ons leed en stierf.

Zoo komt ge dus aanstonds op het terrein van het bewustzijn, en blijkt overtuigend, dat de kennisse wel moest voorafgaan, al geven we gaarne toe dat er duurzaam een gestadige wisselwerking ontstaat, een meerdere kennisse die tot warmer gemeenschap en een inniger gemeenschap die tot zaliger kennisse leidt. Kennisse en sympathie voeden elkaar wederkeerig.

Gelooven blijft daarom gelooven in strikten zin.

Gelooven wil zeggen: gesprokene woorden als waar aannemen, niet omdat gij er de waarheid van inziet, maar omdat uw zegsman in zijn persoon u voldoenden waarborg oplevert. Weg dus met alle nieuwe vondst, dat gelooven eigenlijk is „zich overgeven”, zich „toevertrouwen” een „omhelzen”, of wat ook; neen, laat ons nuchteren blijven. Dat alles moge er uit volgen, maar is toch het eigenlijke, oorspronkelijke gelooven niet.

Zult gij iets gelooven, dan moet er iets gezegd zijn, wat ge gelooven zult, en de waarheid en zekerheid van dit gezegde moet voor u uitsluitend gelegen zijn in den persoon die het zegt.

Weten komt daarom bij zaken te pas, maar bij alle personen geloof. Als gij iets zegt, geloof ik het, zoo ik het aanneem op grond van het vertrouwen dat uw persoon mij inboezemt. Boezemt gij mij dat vertrouwen niet in, en ga ik ander bewijs zoeken, dan geloof ik u niet.

En zoo nu ligt het ook bij God den Heere en bij het geloof dat zalig maakt.

Te gelooven onderstelt 1º. dat God sprak; 2º. dat tot u kwam wat God gesproken heeft; en 3º. dat gij dit door God gesprokene nu voor waarachtig en zeker houdt alleen en uitsluitend op dezen eenigen grond, dat Hij die het sprak niet liegen kan.

Zoo, en zoo alleen mag het in onze Christelijke kerk geleerd worden.

En daarom zegt ook de Catechismus zoo schoon en waar, dat een Christen gelooven moet al wat God in zijn Evangelie beloofd heeft. Een belofte is in woorden. Een belofte is uitgesproken. Een belofte onderstelt een belover. En nu is het noodig ter zaligheid, dat gij God den Heere op het woord zijner belofte om zijns zelfs wille gelooft. |138|

En doet ge dit nu, natuurlijk, dan wordt die belofte voor u ook wezenlijk waarheid, een waarheid, waar gij met hartelijke toestemming der ziele bijvalt. En zoo ontspruit dan vanzelf uit het geloof die inkeerende werking, die de belofte alsnu op u zelven past, en u doet zien, gelijk we ons vorig artikel besloten: „Die doemeling, waarmee ik God den Heere in de Schrift zie handelen, ben ik, en tevens zie ik in de Schrift hoe de Heere dien doemeling, die ik ben, dien goddelooze, rechtvaardigt en redt!”

En in dat geloof zijt ge dan zalig!




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001