Tweede hoofdstuk.

Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u; het is Gods gave.

Eph. 2 : 8.


Vooral op de vraag, waarin het ware, zaligmakende geloof bestaat, behoort een Christenmensch een duidelijk en zuiver antwoord te kunnen geven. Het geloof is nu eenmaal de geestelijke schalm die de ziel der uitverkorenen aan de zaligheid verbindt; rechtvaardiging door het geloof is het één en al onzer belijdenis; al wie het ware geloof heeft, is er; die het mist, staat nog buiten de zaak; en zoo kan het niet anders, of aan een gezonde verklaring van wat het geloof is, hangt alle gezondheid der predicatie, terwijl omgekeerd een dusgenaamde „Evangelieverkondiging” die op het stuk van het geloof feil gaat, op den duur niet anders kan dan de zielen verleiden.

Onze Catechismus wijdt aan deze zaak dan ook een afzonderlijk onderzoek en geeft op de vraag: „Wat is een oprecht (d.i. echt of waar) geloof?” dit wel ineengeschikte en breedvoerige antwoord:

„Een oprecht geloof is niet alleen een zeker weten of kennis, waardoor ik het al voor waarachtig houd, wat ons God in zijn Woord geopenbaard heeft; maar ook een zeker vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij, vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit loutere genade, alleen om den verdienste Christi wille.”

Om nu dit antwoord wel te doorgronden, behoort de lezer op te merken, dat men van geloof in tweeërlei zin kan spreken. Ik heb een oog. In dat oog heb ik het vermogen om te kunnen zien. Maar terwijl ik dat vermogen ook blijf bezitten terwijl ik neerlig en slaap, kan ik van mijn uren slaaps toch niet zeggen, dat ik toen ziende was. Ik behield wel het gezichtsvermogen, maar doordien de oogschellen toevielen, werkte dat vermogen niet. Evenzoo is het bij een pasgeboren kind. In dat kind komt niet later pas het oog in. Het oog is er van meet af, en dus is zulk een wicht met het bezit van het gezichtsvermogen geboren. En toch, ook al heeft het een oog, en al bezit het dat gezichtsvermogen, toch werkt het de eerste uren van zijn leven niet. Het wicht ziet niets.

Wel terdege moet men dus onderscheid maken tusschen de vraag, of ik het vermogen heb, om te hooren, te zien, te proeven, te spreken, enz., |126| en die geheel andere vraag, of ik op dit oogenblik dit vermogen gebruik, het werken laat en doe uitkomen.

En dit nu moet ge ook alzoo toepassen op het geloof.

In verreweg de meeste oogenblikken van uw leven gelooft ge niet, ook na uw bekeering. Ge gelooft niet als ge slaapt, ge gelooft niet als ge gedachteloos neerzit, ge gelooft niet als ge verstrooid zijt, ge gelooft niet als ge zondigt. Maar terwijl ge op die manier nu uren lang soms uw geloof niet werken laat, en het was alsof ge geen geloof bezat, bezit een kind van God dit onderwijl toch wel terdege.

Ge krijgt geen oog als ge uw blik opslaat, maar uw oog is er en in dat oog het gezicht, ook dan als de oogleden u zijn toegevallen. En zoo nu ook krijgt ge niet telkens een geloofsoog, als ge uw geloofsblik werken laat, maar uw geloofsoog zit in uw ziel in, en in dat geloofsoog het vermogen om te kunnen gelooven, ook dan, wanneer ge geheel doodsch ineenzonkt, of zonder van uzelven af te weten wegzonkt in den slaap.

Onderscheid dus die beide zoo scherp mogelijk. Iets heel anders is het geloofsvermogen dat verborgen in uw ziel huist, en iets anders de daad van gelooven, zoo ge uw geloof gebruikt, en het geloofsvermogen in u werkt.

Waar nu onze Catechismus in Vraag 21 van handelt, is niet en kan niet zijn: de werking van het geloof in zijn volkomenheid, maar moet zijn: de natuur van het geloof als ingeprent, ingewrocht en ingeplant vermogen.

Dat dit niet anders kan, volgt uit het verband met de voorafgaande vraag. Daar toch leest ge, dat aan een iegelijk die het oprecht geloof niet bezit, de zaligheid rechtstreeks ontzegd wordt. En daar er nu, ten eerste tal van jonge kinderen sterven, die tot geen geloofswerking gekomen zijn, en ten andere vele volwassen kinderen Gods sterven, zonder dat de erking van het geloof zich bij hen tot zulk een volkomenheid ontplooide, zoo volgt hieruit, dat de vraag: Wat is een oprecht geloof? bedoeld moet zijn van zulk een „echt en waar geloof” dat in elk wedergeboren persoon, hij zij kind of volwassene, gevonden wordt.

„Uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave!”

Er is alzoo sprake niet van onze geloofswerkzaamheid, maar van een gave die een goddelooze van zijn God ontvangt; ontvangt in het oogenblik der wedergeboorte; en wel op zulk een wijs ontvangt, dat ze hem met de zaligheid onverwijld in gemeenschap zet.

„Geloof” beduidt hier dus de hebbelijkheid of het vermogen om te |127| gelooven, hetwelk de Heilige Geest aan ons inplant in de ure des welbehagens. De wijze hoe dit geloof onderscheidenlijk bij volwassenen en bij kleinen wordt ingeplant, komt ter sprake bij Vraag 65, waaruit we nu slechts zooveel opnemen, dat volgens het daar beledene, het de Heilige Geest is, die het geloof in onze harten werkt door het Woord.

Onder geen voorwendsel mag het dus voorgesteld, alsof wij het eigenlijk waren, die aan onszelven het geloofsvermogen schonken, want ongetwijfeld, als het op de daad van gelooven aankomt, zijn wij het die gelooven moeten, maar de macht er toe, het vermogen, de hebbelijkheid, het orgaan of zintuig, om te kunnen gelooven, is niet ons maaksel maar het maaksel Gods. ja zelfs niet een maaksel Gods, dat wij opnemen en in ons hart inbrengen, maar zulk een dat, in weerwil van ons verzet, in ons wordt ingezet, ingewrocht en ingehecht door een daad van almachtige genade. Niet half, maar geheel lijdelijk. Zonder dat gij als creatuur of als verlorene, ook maar een vingertop verroeren kunt, om het in u te brengen. Alle leer van zekere voorbereidende middelen, om uzelven het geloof deelachtig te maken, is dan ook uit den Booze. Wie het geloofsvermogen nog niet bezit, kan wel allerlei doen, om het buiten zijn hart te houden, maar geen veer opblazen, om het in zijn geloofloos hart in te brengen.


Doch hoe is dit vermogen nu te verstaan? Een kind heeft het spraakvermogen, maar toch zonder vasten vorm. Want als ik een pasgeboren kind, dat hier te Amsterdam het levenslicht zag, naar Parijs breng en daar opvoed, dan zal dat kind met zijn spraakvermogen steeds Fransch spreken, terwijl het, ware het hier gebleven, Hollandsch zou hebben gepraat. Zoo ziet men dus klaarlijk, dat bij het spraakvermogen, de vorm niet afgewerkt in het vermogen inligt, maar wisselt naar gelang van opvoeding en oefening. Heel anders daarentegen is het met het gehoor- en gezichtsvermogen; want waar ook een kind opgroeit, zijn zien is en blijft zijn zien, zijn hooren zijn hooren. En al kan er verschil bestaan in graad, dat het in de eene omgeving zuiverder en nauwkeuriger leert zien en hooren dan in de andere, in het zien en hooren zelf maakt dit geen verschil.

Zien en hooren zijn dus vermogens, die hun vorm met zich brengen, waar niets bijkomt, waar alles inzit. En dit laatste geldt nu ook van het geloof.

Als God de Heere aan een goddelooze, bij wedergeboorte, het geloofsvermogen inplant, dan geeft God hem niet ruwe vormlooze kracht, waar |128| hij nu maar van maken moet wat hem goed dunkt; neen, maar dan heeft dat geloof terstond zijn vasten vorm, zoodat het, straks uitkomende, uit moet komen naar zijn aard.

Ent op een wilden wingerdstam een stek van een edelen wijnstok, dan is er nog geen rank, en nog geen uitbotting en nog geen blad en nog geen tros, en toch dat alles is wel terdege in de schijnbaar vormlooze stek reeds in en zal er, zoo ge slechts geduld hebt, in vasten vorm, naar zijn aard uit voortkomen. En zoo nu is ook in het geloofsvermogen, dat God de Heere bij de inlijving in Christus inplant, alles besloten en begrepen en in kiem aanwezig. Er komt niets meer bij door ’s menschen daad. God doet alles gelijk Hij alles schonk.

Hoe diep dit geloofsvermogen dus ook nog in de ziel schuile en hoe dicht de schellen nog op het geloofsoog neerhangen, toch is ook zulk een geloof in Gods kind reeds al datgene wat de Catechismus er in roemt en uitjubelt, zoowel een zekere kennisse als een zeker vertrouwen. Dat wordt het niet pas later, maar dat is het reeds van meet af, evengoed als ook onder uw slaap uw gehoor het vermogen is, om de geluiden zoo en niet anders te hooren.


Vraagt ge nu of dit geloof dan nu een nieuw soort orgaan is naast de vermogens die uw persoon in de schepping ontving, zoo moet dit worden ontkend. Neen, het is niet zoo dat een ongeloovige heeft twee vermogens: verstand en wil, en dat nu een geloovige zou beschikken over drie vermogens: verstand, wil en geloof; maar heel anders, dat de Heilige Geest bij de inplanting van het geloof, een nieuwe hebbelijkheid én in het verstand én in den wil inbrengt.

Om deze reden oordeelden dan ook sommigen, dat het juister en beter was, niet te zeggen dat het geloof een vermogen, maar dat het een inklevende hebbelijkheid is. Slechts houde men hierbij in het oog, dat het niet twee afzonderlijke hebbelijkheden zijn, de ééne van ons bewustzijn en de andere van onzen wil, maar dat het geloof één eenige hebbelijkheid is, die onze ziel wordt ingewrocht, en die alsnu uit de ziel gelijkelijk werkt én op ons kennen én op ons willen.

Dienovereenkomstig beschrijft de Catechismus het geloof dan nu ook onder dat dubbele opzicht, en zegt dat het, wat ons bewustzijn aangaat, is, een zeker weten of zekere kennisse, en wat aangaat onzen wil, een zeker vertrouwen. Dit beduidt nu, dat zoodra het geloofsoog zien en het geloofsoor hooren gaat, er een werking inkomt, die zich openbaart én als een gewisse kennisse én als een onwankelbaar vertrouwen.

Bezien we beide afzonderlijk. |129|

Bij de uitdrukking „een zeker weten of kennisse” moet de klemtoon op „zeker” vallen. Er is niet bedoeld „een onbestemd weten”, zooals we wel zeggen: „op een zekeren dag”, als we dien dag juist niet zeker weten. Neen maar: zulk een wetenschap en zulk een kennisse, die geen zweern van twijfel of onzekerheid toelaat. Alzoo eene kennisse die vast is als een rots, die onverwrikbaar vaststaat als een berg van graniet, en die van geen wankelen of verwikken weet.

Deze „zekere, secure kennisse” nu bestaat niet in een nader ontwikkelen van een kennisse die we reeds ten deele bezaten, en ook niet in een ontplooien van de kennisse die in ons school. Met alle scholen af te loopen, vordert men in deze kennisse niets hoegenaamd. Zelfs al deed men zijn leven lang niets dan den Bijbel lezen en Schrift met Schrift vergelijken, dit zou u in deze hier bedoelde kennisse nooit één enkelen stap verder brengen. Neen, hier is bedoeld een nieuwe kennisse, die ge als zondaar niet hadt, en waarvoor ge nu in de wedergeboorte het vermogen ontvingt. Een andere soort kennisse saâmhangende met de „oorspronkelijke kennisse” die Adam in het Paradijs ontving, en die in Christus als „onze wijsheid” ons in God geschonken is. Wie deze kennisse ontvangt, kent dus anders, ziet anders en tast anders. Hij ziet wat hij eerst niet zag. En wat hij eerst niet ontdekte, dat merkt hij nu op en dit gaat voor hem leven. „Verlichte oogen des verstands” noemt de apostel het daarom, en wel zulk soort oogen, die met zoo ongemeene gewisheid gluren, dat ze onmiddellijk volkomene gewisheid en zekerheid aanbrengen omtrent de dingen die ge er mee waarneemt. Zoo helder, zoo klaar, zoo scherp stelt deze kennisse de dingen voor uw bewustzijn. De natuurlijke mensch ziet daar niets van, maar „de met geloof begaafde of geestelijke mensch onderscheidt alle dingen.” Daarentegen „indien iemand niet wedergeboren is, hij kan het Koninkrijk van God zelfs niet zien.”

Zonder de inplanting van het zaligmakend geloof kan iemand dus wel den Bijbel van buiten leeren, en historisch aannemen wat daar staat, maar dat helpt hem niet. Hij kan er zich ook wel met den prikkel van het gevoel inwerken, en er een tijdlang in genieten, maar zoomin dit „tijdelijk” als dit „historisch” geloof, heeft ook maar iets met het geloof dat in Jezus inlijft te maken. Zelfs het „wondergeloof” heeft daar niets gemeen meę, want al hadt ge „een geloof om bergen te verzetten” (en dat is een wondergeloof) en ge hadt de ingestorte liefde niet, zoo waart ge nog niets.

Redetwisten helpt daarom ook niet. Er moet getuigd, het Woord moet bediend, overmits het Gode meestal belieft, zich van het Woord bij de geloofsinplanting te bedienen, maar al praat ge honderd en duizend uit, |130| zoolang het geloofsoog in iemands ziel niet is, kunt gij hem ook de heerlijkheden Gods niet toonen.

Voorwerp van deze kennisse is de Wet en het Evangelie, d.i. al wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Dus volstrekt niet enkel de blijmare des heils, maar in de eerste plaats zelfs de rechte, doorzichtige kennisse van ’s Heeren heiligheden en eigen diepe verdorvenheid, zoodat men daarin een inzicht krijgt, zoo klaar en zoo helder, als zag men zich voor zijn eigen oogen levend omkomen in den eeuwigen dood. Maar dan natuurlijk ook een kennisse van het Genadeverbond, niet als een van buiten geleerde les, maar als een inzicht hoe waarachtig het heil in Christus bloeit.

Vandaar dat men veelszins ook nog wel onderscheidt tusschen de kennisse en de toestemming van het geloof, die toch in den grond slechts één zijn. Het is toch onmogelijk dat iemand met deze ingewrochte, klare, hemelsche kennisse Wet en Evangelie doorzien zou, om dan nog te twijfelen, of ze wel waar waren. Als er geloof in de ziel is, moet de ziel er onmiddellijk bijvallen. Ge kunt het fonkelend starrenheir niet aan het firmament aanschouwen, zonder onmiddellijk toe te stemmen dat het prachtig is en schoon.


Maar hiermeę is het geloof niet voleind. Behalve dat het helder kent en ontwijfelbaar toestemt, doet het ook nog dit, dat het met wisse zekerheid toepast. M.a.w. het werkt ook door den wil, en ook aan het wils- evenals aan het kenvermogen, leent het een hemelsch vermogen van zekerheid en kracht, niet maar bestaande in een verhooging van de natuurlijke wilskracht, maar in de inwerking van een bovennatuurlijk effect. Dit nu noemt onze Catechismus: „een zeker of ontwijfelbaar vertrouwen.”

De door den Heiligen Geest ingeplante kennisse doet u de vurige Wet zien en toont u het Lam Gods, en doet u zeggen: Daar is én in die Wet én in dat Lam innerlijke waarachtigheid. Maar nu is de vraag voor u: Gij in dat vuur van die Wet en gij in het bloed van dat Lam! Niet gissend, niet radend, niet hopend. Geloof is nooit een hopen. Gelooven is zeker van iets zijn, en daarom een personeel verzekerd zijn voor u zelven, dat gij in het bundelke der levenden besloten zijt.

Zoo toch staat er: „een zeker vertrouwen dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving der zonde, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdienste Christi wille.”

Bedoelt dit nu, een buitengewone openbaring dat gij gered zijt? In het |131| minst niet, want er staat bij: „welke de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt.” Het gaat dus middellijk toe. Bedoelt het dan een gevoelige aandoening waardoor ge, al genietend, het weet? Al evenmin, want gevoelsaandoeningen kunnen bedriegen en vele bevestigde kinderen Gods worden soms jaren lang niet door den dauw des hemels nat gemaakt. Neen, bedoeld is eenig en uitsluitend zulk een geloofszekerheid, die rust in het Woord. Het is dus in dat Woord den goddeloozen, vervloekten doemeling te zien, die wegzinkt, en dat nu de Heere u toespreekt uit dat Woord: Die goddelooze zijt gij! En wie dat gelooft, o, die hongert opeens, die dorst, dat het hem brandt. En nu, nu ziet hij wat de Heere met dien gevloekten doemeling doet. Die gevloekte wordt verzoend, wordt een kind, wordt een gekroonde. En zoo, ook al voelt hij niets en merkt hij niets, gelooft hij en ziet hij dat God Almachtig in dien gevloekte en verzoende hém redt!

Dan is het vaak dood van binnen, duisternis om hem heen, geen pad en geen weg; en toch dan juist vertrouwt hij op den Heere zijnen God, en Hij doet hem rijden op de bergen van zijn heiligheid.


Dit alles nu ligt in het geloof in. Lag er in van zijn eerste kiem. En gaat er nooit uit. Maar heel iets anders nu is het, of de persoon zelf de volle kracht hiervan in werking zet. In doodsangst geeft iemand soms een gil met een stemgeluid, dat ge zegt: Wie had ooit gedacht dat er zoo’n stem in dien persoon inzat. En zoo ook hier. Als het er op aankomt, en dat geloof toont eens zijn reuzenkracht, dan is het een leeuw die van uit uw hart brult. Maar dit neemt niet weg, dat in den gewonen gang des levens, deze werking zeer onderscheiden is en zeer bij trappen gaat, en ook weer kan verdonkeren voor een tijd.

’s Winters zit er aan heel den boom geen blad, en toch . . . het blad zit er in. Zie maar als het Mei wordt!

En zoo nu kan ook de uitwerking, de daad van het geloof, ook de inkeerende daad van het geloof, nog zeer zwak en gering zijn, en weer inbuigen, en alzoo een toestand in het leven roepen van allerlei nood en dood.

Maar dit alles doet niets af aan het geloof zelf.

Ook al slaap ik, toch heb ik het gezichtsvermogen. Ook al blinddoekt men mij, toch is het ziensvermogen in mij. Ook al is mijn oog krank, toch zal na genezing blijken, dat het gezicht er nog in is.

En zoo nu ook, al gaat in uw geestelijken slaap het geloof kwijnen, al verblindt soms de wereld u, ja, al overvalt u geestelijke krankheid, toch blijft het geloof het geloof tot in den wortel van uw wezen, en in |132| dien wortel zit altoos én de zekere kennisse én het zekere vertrouwen in.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001