Zondagsafdeeling VII.

Vraag 20. Worden dan alle menschen wederom door Christus zalig, alzoo zij door Adam zijn verdoemd geworden?

Antwoord. Neen zij, maar alleen degenen die Hem door een oprecht geloof worden ingelijfd en al zijne weldaden aannemen.

Vraag 21. Wat is een oprecht geloove?

Antwoord. Een oprecht geloove is niet alleen een zeker weten of kennisse, waardoor ik ’t al voor waarachtig houde, wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een zeker vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn harte 1) werkt dat, niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij uit loutere genade, alleen om der verdiensten Christi wille.

Vraag 22. Wat is dan eenen Christen noodig te gelooven?

Antwoord. Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen onzes algemeenen en ongetwijfelden Christelijken geloofs in ééne hoofdsom leeren.

Vraag 23. Hoe luiden die Artikelen?

Antwoord. Ik geloof in God den Vader den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

En in Jezus Christus, zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere; die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage wederom opgestaan van de dooden, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders; van waar hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.

Ik geloove in den Heiligen Geest. Ik geloove een heilige, algemeene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen; vergevinge der zonden; wederopstandinge des vleesches; en een eeuwig leven.


*

Eerste hoofdstuk.

Zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof.

Rom. 11 : 20.


De zevende Zondagsafdeeling zullen we om haar hoog gewicht, niet in |119| drie, maar in vier stukken behandelen, en in dit eerste stuk spreken van wat we liefst betitelen als de goddelijke schifting.

Immers tot op Vraag 19 gaan alle Arminianen met ons mede, maar aan Vraag 20 toegekomen, nemen ze afscheid van ons, om af te dolen op hun eigen paden; en wij op onze beurt moeten hen bij deze Vraag wel den scheidsbrief uitreiken, want door bij dit kruispunt van den weg ook maar tien voetstappen op hun doolpad mee te gaan, raakten we zelven van den weg der waarheid af.

Tot dusverre was beleden en geleerd, dat God de Heere het menschdom schiep als één geslacht; dat door den stamvader van dit geslacht in heel dit menschdom zonde en verderf was gevaren; dat dit onder doem gezonken geslacht onredbaar was, tenzij er een mensch als Middelaar verscheen die zelf God kon zijn; en dat nu werkelijk zulk een wondere Middelaar in Jezus Christus was verschenen.

Hierop nu heeft de Arminiaan op zichzelf niet tegen. Hij moge over den samenhang van onze schuld met de schuld van Adam anders denken dan wij; en ook het wezen van het bederf der zonde anders opvatten; maar in meer oppervlakkigen zin erkent ook hij toch, dat we een Middelaar van noode hebben, geeft hij ook toe, dat deze Middelaar goddelijke majesteit in zich moet dragen, om het werk der verlossing tot stand te kunnen brengen; en belijdt ook hij met ons, dat in onzen Heere Jezus Christus metterdaad zulk een genoegzaam Middelaar verscheen.

Doch, en ziehier nu zijn fout, dan, zoo roept hij ons toe, moet die Jezus ook een Middelaar voor alle menschen willen wezen.

„Gij leert zelf”, zoo voert hij ons dan tegen, „dat Adam de wrange vrucht zijner zonde geteeld heeft voor allen, die tot zijn geslacht behoorden, zoo moet ge dan ook toestemmen, dat evenzoo de tweede Adam de gave, rijpe, geurige vrucht van zijn verzoeningswerk evenzoo voor alle menschen droeg.”

„Is het een zaak van heel ons geslacht bij het inkomen der zonde, dan”, zoo beweert de Arminiaan, „moet het ook een zaak van heel ons geslacht zijn bij het uitsnijden van de zonde”.

„Zooals het met de zonde staat, zóó ook moet het met de verlossing der zonde toegaan!”

„Getuigt”, zoo besluit men dan gewoonlijk, „getuigt niet de Apostel zelf met zoovele woorden, dat, indien door de misdaad van éénen velen gestorven zijn, de gave der genade, die daar is van éénen mensch Jezus Christus, veel meer overvloedig is geweest over velen?”

En ja, dat is ook zoo; dt zegt Paulus in Rom. V : 15. Maar als ge dit zeggen van Paulus even indenkt, zult ge aanstonds gevoelen, dat de |120| Arminiaan hier niet me uitkomt. Hij toch beweert: De zonde ging door tot alle menschen, dus moet ook de genade tot alle menschen zijn doorgegaan. Beide strekken even ver, en bij beide is de werking evenveel. Maar dit stemt Paulus volstrekt niet toe. Neen, hij zegt omgekeerd en integendeel, dat ze volstrekt niet even ver strekken en niet evenveel werking hebben, maar dat de genade veel verder strekt, en veel overvloediger is. Dit nu ziet ieder toch dat niet kan bedoeld zijn van het cijfer; want zoo de zonde haar uitwerking reeds op alle menschen had, wat, bidden we, zou er dan voor de genade overblijven om nog overvloediger te werken? Verder dan tot allen gaan kan de genade toch niet. Zoo ziet ge dus wel, dat deze overvloediger werking van de genade op heel iets anders moet slaan dan op het aantal van de personen, en dat de Arminiaan zich juist met dat beroep op Rom. V : 15 vastpraat.


Wel de zonde, maar niet de genade erft over. Genade is geen erfstuk. Wel zijn er geslachten, die in onafgebroken reeks verkoren kinderen Gods van overgrootvader tot op achterkleinzoon hebben aan te wijzen. Maar toch, ook al waren tweemaal twaalf geslachten uit eenzelfde familie begenadigd, dan nog is bij niet één van deze tweemaal twaalf de genade een overgeërfde zaak geweest; maar elk van deze vier en twintig personen, hoofd voor hoofd, persoonlijk door goddelijke inwerking ten leven verwekt.

Op dit punt weerstaan we dan ook de Ethischen, die in hun predicatiën en gesprekken zoo gedurig van een erfzegen bazelen, en in zeer ongezonden zin de Verbondsleer en de leer der Doopers misbruiken, om hun onwaarachtig gevoelen ten deze staande te houden.

Hun voorgeven te dezen opzichte is zelfs een uiterst bedenkelijk woordenspel, dat we kortelijk toelichten.

Ze gaan uit van de ook door ons beleden waarheid, dat de werking der genade niet van den hak op den tak springt. De Heere roept niet vandaag een Chinees en morgen een Mongool, om zonder eenigen saamhang of verband zijn kerk nu eens hier, dan weer daar, te openbaren; neen, er is verband, er is heilige regelmaat, er is goddelijke orde. Heeft de Heere eenmaal zijn kerk hier of ginds geplant, dan gaat de zaak der zaliging meest zoo toe, 1º. dat de meeste uitverkorenen in dat land in dien kerkkring blijken geboren te worden; en 2º. dat slechts enkele malen iemand van buiten dien kring bekeerd wordt. Vandaar dat Israëls volksverbond afbeelding is en blijft van wat ook bij het volk des Nieuwen Verbonds wordt gezien; dat het ook nu evenals oudtijds, niet naar spel en gril, maar verbondsgewijs toegaat; dat het zaad der kerke Gods |121| schier altoos in het zaad der geloovigen in is; en dat alzoo de voortzetting van de lijn der verkiezing gemeenlijk in dezelfde richting voortgaat als de lijn der geslachten.

Dit is er in hun zeggen waar; en het heeft zijn goede zijde dat de Ethischen aan deze vrijmachtige wilsbepaling des Heeren herinnerd hebben.

Maar, en dit nu is het bedenkelijke, de waarheid die in het boven gezegde ligt, verduisteren en vervalschen zij nu geheel, door uit dat gemeenlijk inzijn van het zaad der kerk in het zaad der geloovigen te besluiten dat dan de genade ook een erfzegen is.

Nemen we toch de woorden in hun echten zin. Als ik van erfenis, erfstuk, erfgoed, of wat ook spreek, bedoel ik tweeërlei: 1º. dat dit stuk, dit goed, deze zaak altoos van vader op zoon overgaat, en 2º. van vader op zoon overgaat vanzelf en zonder nieuwe beschikking. Wat uit beschikking mij toekomt is geen erfenis, maar een legaat.

Staat nu vast: 1º. dat volstrekt niet elke zoon van een kind Gods zelf ook geroepen is en ten leven komt; en 2º. dat elke zoon, die, uit een kind Gods geboren, ten leven komt, hiertoe alleen geraakt door een rechtstreeksche en opzettelijke beschikking van Gods verkiezende genade te zijnen opzichte dan volgt hier alzoo uit, dat hier noch erfenis noch overerving bestaat, en dat wie, desniettemin in deze zaak zich van dit woord bedient, speelt met termen die hij ombuigt, en alzoo de helderheid van het bewustzijn der gemeente benevelt.

Tweeërlei worde daarom vastgehouden. Ten eerste dat ’s Heeren werking niet te hooi en te gras gaat, maar in den regel in eenzelfden akker blijft zaaien en van eenzelfde veld blijft maaien. Alzoo dat het verbondsgewijs ook in de genade toegaat. Dat tot de kerk gezegd wordt: Want u komt de belofte toe en uwen kinderen. En zelfs, dat,dit verband, in ’s Heeren hand, middel en instrument is, om door het Woord te roepen en te bezegelen door den Doop. Maar ook ten andere dat ’s Heeren werking in het rijk der genade niet gaat naar den regel des natuurlijken levens of der natuurlijke voortplanting. Dat Hij, hoe men ook ploegde op eenzelfden akker, toch niets laat opschieten of het moet opzettelijk en afzonderlijk door Hem gezaaid zijn. Dat de belofte wel aan u en uwe kinderen toekomt, mits er niet bij worde weggelaten: voor zooverre de Heere uw God er u toe roepen zal. En dat derhalve alle denkbeeld van het erfelijke zich hier bepaalt tot bijkomstigheden, die straks de ontwikkeling van het ingeplante leven bevorderen, maar nooit op het ontstaan van het eeuwige leven zelf zien.

De Ethischen moesten dus aflaten van dit hun woordenspel, en de Gereformeerde predikers zullen wél doen, door én op den kansel én in de |122| leering de gemeente op het gevaar van zulk onwaarachtig voorgeven te wijzen.


Op de vraag: „Worden dan alle menschen wederom door Christus zalig, alzoo zij door Adam zijn verdoemd geworden?” moet dus niet geantwoord: Ja, maar moet door Gods kind beleden: Neen zij.

Als de zonde woelt en gist, gist haar gif vanzelf; maar als de genade uitgaat en werkt en zegenen zal, gaat het naar goddelijke keur en schifting.

Maar zelfs zóó ontgaan we alle verleiding niet. Want hoor, dan roept men ons toe: „Uitnemend, zoo bedoelen wij het ook. Alleen, we houden staande, dat allen door Christus kunnen zalig worden, en dat de vraag, of ze dit worden of niet worden niet aan God, maar aan hen zelven hangt. Want dat er zeer zeker keur en schifting is, alleen maar dat die keur en schifting komt door het geloof. En overmits nu geloof een daad des menschen is zoo staat het hiermee immers vast, zegt men, dat alleen de mensch als mensch hier de keur uitmaakt en de schifting tot stand brengt!”

Men maakt er dan van, dat onder de bedeeling van het genadeverbond door een algemeene genade de verhindering in ieders ziel wordt weggenomen die hem zou beletten te gelooven. Aan allen die gedoopt zijn, zoo leert men dan, is een soort genade ingestort, waardoor de doodelijke nawerking van de zonde in hen gestuit is. Vrucht dier genade is dan, dat ze nu kunnen gelooven, maar ook zoo blijft het toch van hen afhangen, of ze gelooven zullen en willen.

En wat erger nog is, niet enkel dat ze dit zeggen, maar voor dat zeggen beroepen ze zich dan zelfs op den Heidelberger en roepen u zegevierend toe: Lees maar, het staat er zoo duidelijk: „Niet allen worden in Christus wederom zalig, maar dan toch al diegenen die Christus door een oprecht geloof worden ingelijfd, en alle zijne weldaden aannemen.” Het staat er dus duidelijk, zoo besluit men dan: of ge zalig wordt, hangt er maar aan of ge verkiest in Jezus te gelooven.

Dat beroep op den Catechismus moet hun echter uit de hand geslagen; want wat ze voorgeven dat in den Catechismus zou staan, staat er niet.

De Catechismus spreekt van een „ingelijfd worden” en wat zij beweren zou alleen doorgaan als er stond: „die door een oprecht geloof zich zelven inlijven”. Dan toch zou het een zaak geweest zijn, die zij zelven deden; nu daarentegen is het een zaak waarbij zij lijdelijk zijn; want er staat: „ingelijfd worden”.

De oorzaak van hun vergissing en dwaling ten deze ligt in het woordeke „oprecht”, dat voor geloof staat, en waardoor reeds zoo menig |123| prediker zich in de war heeft laten brengen. Men lette er namelijk op, dat dit woordeke oudtijds en in de dagen toen Datheen den Catechismus uit het Duitsch vertaalde, iets anders beteekende dan tegenwoordig. Nu beduidt „oprecht”, dat ik meen wat ik zeg, dat het meenens bij mij is, en niet slechts in woorden zoo gezegd wordt, maar ook waarlijk in mijn binnenste alzoo bedoeld is. Destijds daarentegen beteekende „oprecht” in de eerste plaats: echt, waarachtig. Oprecht goud was echt goud. Oprechte wijn echte wijn. Oprechte Haarlemmer olie noemt men zelfs nu nog echte olie van dien naam. En de titel van „Oprechte Haarlemsche Courant” heeft nooit bedoeld, dat deze courant meende wat ze zeide, maar alleen dat het niet de nagedrukte, maar de echte en oorspronkelijke was.

Een „oprecht” geloof beduidde daarom ook oudtijds niet allereerst, dat mijn geloof niet voorgewend maar meenens was. Neen, maar dit heel andere, dat mijn geloof van den echten gouden, van onvervalschten oorsprong, wezenlijk door God gewrocht was 2).

Zoo komen de woorden dan ook uit. Want als er sprake is van „ingelijfd worden,” d.i. van een zaak waarbij de mensch lijdelijk is, „hoe zou het daar kunnen afhangen van wat ik al dan niet meen?” Besluit men daarentegen, dat „oprecht geloof” hier is: „geloof van echten oorsprong”, dan loopt alles gezond. Het is dan een lijdelijk iets, dat de mensch ondergaat, en de keur staat niet aan hem, maar hangt aan de zaak die in hem gewrocht wordt.

Want wel staat er bij: „en al zijne weldaden aannemen”; maar dit staat er bij niet als teeken, dat het nu toch weer wel aan den mensch hangt, maar als hulpmiddel voor ons, om te toetsen, of het geloof in ons wel het echte goud is.

Echt geloof is aannemend van aard, wil de Catechismus zeggen, en wel aannemend van aard voor alles wat uit Immanuel komt, d.i. voor alle gave Christi.

Het beduidt dus niet, dat er geen geloof zou zijn, of er moest reeds allerlei schittering zijn van heiligheid, maar alleen dit: Als er geloof is, en dit geloof wordt gedoopt in de gave Christi, dan zuigt het die in, gelijk een spons het water.

Verkoopt nu iemand mij voor een spons een vezelig voorwerp, maar dat blijkt geen water aan te nemen, dan breng ik het gekochte terug, en zeg: Dat is geen echte spons, want die zuigt geen water in.

En evenzoo nu, als iemand zegt: Daar is geloof. En wat hij geloof noemt doop ik in de gave Christi, en het neemt die niet op, maar laat ze liggen, |124| dan besluit ik: Dit is het echte (het oprechte) geloof niet, want het zuigt de gave Christi niet in.

Zoo ziet men dus, dat de Catechismus, wel verre van hier een onderwerpelijk Arminianisme te loven, integendeel zuiver de zake in de hand des Heeren legt, en keurig zich uitdrukt.


Er is dus niet alleen keur en schifting, maar die keur en schifting is van Gods vrijmachtig welbehagen.

Dat er schifting en keur is ziet men voor zijn oogen. Dat op verre na niet alle menschen zalig worden, is kennelijk voor wie niet ziende blind wil zijn. Denk maar aan de 1400 millioen die er op aarde leven, en waarvan er geen vierde deel gedoopt is. Denk aan de onafzienbare massa onder dit vierde deel, die leeft, sterft, zonder zich om de zake des Koninkrijks ook maar eenigszins te bekommeren. Zeg zelf of er iemand is, die ooit ergens in een groote stad ook maar één verloste des Heeren op de tien ontmoet heeft. En als dan het droeve cijfer de ontzettende tegenstelling geeft van stellig 1000 millioen op de 1400 millioen, die geheel buiten Christus wegsterven; hoe ter wereld wil men dan toch volhouden, dat het een Christus pro omnibus of in Christus een zaliging van alle menschen zou zijn.

Keur en schifting kan men dus niet wegcijferen; en dit doet men dan ook niet.

Allen is nu maar de vraag: Wie en wat bepaalt deze keur? En dan is slechts drieërlei denkbaar: Het toeval, de wil van den mensch of de wil van God.

Aan het toeval verblijft deze keur, als men zich voorstelt, dat dit eigenlijk door geen bepaalden wil, maar zoo zwevend weg, haast onverklaarbaar, men weet niet recht hoe, beslist wordt. Een gansch verachtelijke voorstelling, alsof ooit de eeuwige zaligheid hangen kon aan minder dan een spinrag.

Blijft dus alleen de wil Gods of de wil des menschen. Zegt men nu: aan den wil des menschen, dan onderstelt dit dus de mogelijkheid, dat alle menschen de zaligheid verworpen hadden; dat er dus geen kerk zou geweest zijn; dat er derhalve geen Godsrijk zou zijn gekomen; dat het Vaderhuis eeuwig leeg zou zijn gebleven; en dat God de Heere in het eind beschaamd zou hebben gestaan over zijn uitgebrande en mislukte schepping.

En daar dit nu niet kan, niet denkbaar is, en alle kennisse Gods weerspreekt en omverwerpt, zoo houden we het met den Catechismus, dat de keur en schifting alleen aan den wil des Heeren hangt.

Hoe, dat zien we bij Vraag 21, handelende over het geloof.




1. De oudere teksten lezen: hartelijk in plaats van zeker, en in steê van: in mijn harte lezen deze: in mij.

2. In het oorspronkelijk Duitsch staat dan ook „door een waar geloof!”




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001