Derde hoofdstuk.

En Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouwe, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad. Datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.

Gen. 3 : 15.


Wonderlijk beschamend voor elk niet-Gereformeerde is het antwoord waaraan we nu toe zijn. |111|

Er is dan een Middelaar; ge bekent dan nu den Verlosser gevonden te hebben; en ge belijdt eerbiediglijk dat deze Middelaar en Verlosser onze Heere Jezus Christus is. Het is wel. Maar zeg dan nu ook, hoe ge dit weet. Waarop deze uw kennisse rust. Van waar die zekerheid u toekomt.

Waaruit weet gij dat?” vraagt de Catechismus in Vraag 19. En op deze vraag nu antwoordt het kind Gods in dit schoone leerboek: Niet, omdat mijne ziel dit zoo ervoer; ook niet omdat de kerk het mij leerde; en veel min nog, omdat deze Middelaar juist past bij wat naar mijn uitrekening een Middelaar zijn moest; maar wel dit ťťne: „Ik weet dit uit het heilig Evangelie; en wel uit dat Evangelie, hetwelk God zelf eerstelijk in het paradijs geopenbaard heeft, en namaals door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniŽn der wet laten voorbeelden; en ten laatste door zijn eeniggeboren Zoon vervuld.”

DrieŽrlei antwoord op deze vraag wordt dus afgesneden, en het ťťne goede en richtige antwoord gesteld.

Afgewezen worden de mystieke gevoelsdrijvers, die als men hun van Jezus spreekt, eigenlijk achten dat ze heel de Schrift wel missen kunnen; die dorre in letters bevangene Schrift; en die het veel sterker bewijs achten, als ze zoo roemen durven: „o, Mijn Jezus, dien draag ik in mijn hart.”

Tegenover dezulken nu houdt Gods kind hier staande, dat het gevoel geen grond is, maar een wiegelende golf, en dat de vaste grondslag der vastigheid voor ons alleen in het Woord van God ligt. Niet, en hierin versta men ons wel, alsof geestelijke ervaring niets voor onze zekerheid bood. Integendeel, geestelijke ervaring is een der machtigste stutten, die God de Heere onder ons zielsbewustzijn zet. Maar al noemt de heilige apostel Paulus die geestelijke ervaring in Rom. V : 3 met het woord „bevinding”; daarom mag wat de gevoelswiegelaars bevinding gelieven te noemen nog volstrekt niet voor munt van gelijk merk worden uitgegeven. Geestelijke ervaring sluit ook wel „gevoelige aandoening” in zich maar slechts als een onderdeel der zaak, en volstrekt niet als het eenige, zelfs niet als de hoofdzaak. Er zijn kinderen Gods, die jaren lang zeer diepe geestelijke ervaring van het heil Christi smaakten, zonder ook maar ťťn enkel oogenblik tot het wegkwijnende in gevoelige liefde voor het eeuwige Wezen gekomen te zijn. En juist omdat men er nu zoo op uit is, om deze „gevoelige aandoening” op de spits te drijven, komt men er dan zoo licht toe, om een „gevoelige aandoening des Geestes” te gaan zien in wat niets dan een prikkeling van eigen gevoelszenuwen was, en het is ter afkeering van dit zeer |112| bedenkelijk gevaar, dat de vaders in Christus ons steeds vermaand hebben, om toch nooit in ons hulkje op die kabbelende baren van ons gevoel te dobberen, maar altoos naar het Woord te onderscheiden, of wat we meenen waar te nemen, nu waarlijk geestelijke ervaringen, dan wel niets dan gevoelswiegelingen onzer ziele zijn. „Tot het Woord en het Getuigenis!” is en blijft daarom de leus van al Gods gehoorzame kinderen. En mag er dan geestelijke ervaring volgen, dan sluiten ze daarom later de Schrift niet uit, maar blijven ook dus nog die Schrift erkennen als de bron waaruit het bewustzijn gevoerd wierd, en blijven eeniglijk aan die Schrift afmeten, of hun beweerde ervaring wel waarlijk geestelijk, en niet uit eigen verzinning was.


Ten tweede is de kerk als bron van onze geloofszekerheid hiermeÍ afgewezen. Wel leerde Rome, „dat niemand in de Schrift gelooven zou tenzij de kerk het hem geleerd had”, maar onze vaderen hielden tegenover dit clericalistisch beweren steeds staande, dat God zelf zijn kinderen onderwijst, en dat ze alzoo „van den Heere geleerd” niet meer de een tot den ander zeggen zullen: „Ken den Heere”, want „dat ze Hem kennen zullen van hun oudste tot hun jongste toe”. Dat Roomsche denkbeeld was er ten onzent dan ook geheel uitgeraakt, tot het nu weer door de Ethischen is opgerakeld. Van Ethische zijde leeraart men namelijk, dat we niet uit de Heilige Schrift den Christus kennen, maar uit het leven en de belijdenis der gemeente of der kerk; door de traditie; door middel van het kerkelijk woord. Aanvankelijk scheen hier geen kwaad in te steken. Maar naar gelang men merkte, dat in de kringen waarin men dit rondvertelde, te gelijker tijd almeer aan het gezag der Heilige Schrift getornd wierd, begon men lont te ruiken en kwaad vermoeden te hebben. En daarom dient thans de gemeente ook op dit punt terdege voorgelicht en behoort ze te weten, 1º. dat dit voorgeven der Ethischen in den grond niets is dan een weer doen opleven van de oude Roomsche dwaling; 2º. dat in plaats van het kerkelijke gezag, wel „de belijdenis der gemeente” wordt gesteld, maar dat dit niets baat, daar het feitelijk neÍrkomt op een clericalistische traditie der predikanten, die geheel aan hun goedvinden is overgeleverd; en 3º. dat hetgeen er waars in hun voorgeven steekt, nooit ofte nimmer door de Gereformeerden is voorbijgezien en dus ook waarlijk niet als nieuwe vondst behoeft uitgevent.

Het is namelijk volkomen waar, wat men van Ethische zijde opmerkt, dat verreweg de minste menschen door eigen lectuur uit den Bijbel tot kennis van den Middelaar zijn gekomen, en dat verreweg den meesten de eerste kennis van ImmanuŽl is aangebracht, toen zij nog niets lazen, |113| maar alles hun nog moest worden aangezegd. Zoo gaat het niet de kleinen bij moeder thuis. Zoo gaat het in onze Zondagsscholen. Zoo gaat het op onze CatechisatiŽn. Tot een kennisse van den Christus die door eigen bestudeering der Heilige Schrift verkregen wierd, komt bijna een ieder pas later, lang nadat hij den Heere reeds kende. Maar zoo volkomen waar als deze opmerking is, even nietszeggend mag ze heeten. Immers nooit is door de Gereformeerden beweerd, dat, als was de Heilige Schrift de bron onzer kennisse, daarom ieder, klein en groot, altoos zelf, met eigen hand uit die bron zijn water putte. Als er in een bergdorp een bron op het marktplein staat, dan drenkt die bron met haar zijvertakkingen metterdaad heel het dorp. Maar al drenkt die bron heel het dorp, daarom haalt nog niet ieder zelf zijn water aan die bron. Integendeel dat doen de minsten. Dat doen niet de zuigelingen, want die vinden het bronwater in de moedermelk. Dat doen niet de kleine kinderen, die het in hun kroes op tafel vinden. Dat doen ook niet de zieken, aan wie men het in hun dranken ingiet. Noch ook de zwakken en ouden van dagen, die niet gaan kunnen. Maar al is het ook, dat alle dezen het water niet rechtstreeks zelf uit die bron halen, toch is het die ťťne bron waaruit aan allen het water toekomt; en noch die moederborst noch die kinderkroes zou voedend vocht bevatten, zoo die bron het niet had verschaft.

En zoo nu ook staat het met de bron der Christuskennisse in de Heilige Schrift. Ook in de kerk is er maar ťťn bron van Christuskennisse, t.w. de Heilige Schrift. Maar uit die Heilige Schrift wordt dit water der ziele nu op tweeŽrlei wijs geput. Deels rechtstreeks, doordien iemand zelf naar de Heilige Schrift gaat en er de kennisse Christi uit indrinkt; deels uit de tweede hand, doordien of vader of moeder, of vriend of broeder, of bedienaar des Woords en onderwijzer, de moeite des puttens voor de kleinen en zwakken doe, en zij het aldus hun aangebrachte water drinken.

Hierin ligt dus volstrekt niets buitengewoons, noch ook iets opmerkelijks en de poging der Ethischen om hiervan iets afwijkends en iets nieuws te maken, loopt op niets anders uit, dan op het streven, om de waardeverhouding van Schrift en Traditie in Roomschen zin te wijzigen.


Eindelijk is in de derde plaats door dit antwoord van den Catechismus afgesneden de mystiek onzer denkhelden en wijsgeeren, die achten, wel buiten de Heilige Schrift om te kunnen vaststellen, hoedanig de Christus zijn moet, niet den maatstaf hunner behoefte in de hand, wel te kunnen uitmaken, dat Jezus van Nazareth hun Middelaar en de ware Messias is. Ook dit toch is valsch gedacht en onjuist geredeneerd. Want |114| vooreerst, al zagen we zelven in de Vragen 7-12, hoe noodzakelijk het is, na te gaan hoe een Middelaar zijn moest om ons te kunnen redden, dan is die kennisse van onze ellende daarom nog volstrekt niet buiten de Heilige Schrift om verkregen. Integendeel, alleen door de Heilige Schrift is die behoefte, die nood onzer natuur, en het karakter van dien hachlijken nood voor ons ontdekt. Maar ook ten andere, wie erkent, in zulk een nood en geestelijke ellende te verkeeren, die belijdt juist daarmeÍ vanzelf en daarbij ingesloten, dat zijn oog stekeblind wierd, en dat hem het vermogen in zijn bewustzijn ontbreekt, om in geestelijke dingen iets ook maar met zekerheid te beslissen. Is het nu een feit, dat er keer op keer allerlei lieden zijn opgestaan, die zich als „redders van den mensch iuit nood en uit ellende” hebben aangediend, dan spreekt het toch vanzelf, dat hier geestelijke kennis noodig is. En ook waar men aan de hand der Schrift het God-zijn dan toch als onmisbaar kenmerk van den echten Middelaar belijdt, dan vragen we wederom, of iemand, wie hij ook zij, ooit buiten het getuigenis des Evangelies om, zou weten uit te maken, of nu in Jezus Christus metterdaad dit God-zijn gevonden wierd.


En zoo komt het kind van God dat hier spreekt, dan vanzelf tot het eenig goede antwoord: „Dat Christus Jezus de waarachtige en algenoegzame en wezenlijke Middelaar is, dit weet ik alleen uit het heilig Evangelie.” D.i. met een geloofskennisse, die straks natuurlijk door geestelijke ervaring kan bevestigd worden, maar die in beginsel en naar kiem toch altoos uit den wortel der Heilige Schrift opspruit; of wil men, met het beeld van het water, die oorspronkelijk toch altoos uit de bron der Heilige Schrift geput is.

Of zou het wellicht, gelijk veel halve lieden hier gaarne met zekere voorliefde plegen op te merken, toch eigenlijk iets anders bedoelen, wanneer de Catechismus niet de Heilige Schrift, maar het Evangelie noemt?

Men weet, ook dat wordt veel gedreven. Het Evangelie, dat klinkt zoo zoet, zoo mild, zoo ruim, en dan moet, ja, waarlijk het is zoo, het heilig Evangelie dienst doen, om de Heilige Schrift uit haar voegen te lichten. Gelijk velen, vooral in Duitschland, het Nieuwe Testament misbruiken om het Oude Testament van de baan te dringen, zoo hebben ten onzent vooral de Groningers den term „Evangelie” op stuitende wijs gebezigd, om het gezag van de Heilige Schrift op allerlei manier te ondermijnen. Of liever, zij volgden hierin slechts na, wat vroeder mannen in een vroegere periode reeds begonnen waren, toen men Evangelische gezangen opstelde en invoerde. Oud-Testamentische Psalmen, weet ge!, en dan |115| daartegenover Evangelische Gezangen. Dat maakt dan vanzelf, dat ieder tastte en voelde hoe oneindig veel heerlijker die gezangen waren. Maar ’s Heeren volk werd er toch niet door misleid, en door al dat roepen van „Evangelisch” heeft dat volk zich toch nooit van de Schrift laten afbrengen, zelfs niet van het Oude Testament; maar is alleen uitgewerkt, dat de naam van „Evangelisch” in miscrediet kwam. Wie tegenwoordig van „Evangelische richting”, of „Evangelisch” leeraar, of „Evangelische” vereeniging hoort, weet zonder meer reeds, dat in dit alles juist het Evangelie ontbreken zal.

Een enkele opmerking kan ook dit geschil eens voorgoed wegnemen. Als het des avonds donker wordt steek ik licht aan, en dan zie ik niet bij de gaspijp, en niet bij den ballon, en niet bij het glas, en ook niet bij den brander, neen ik zie en lees alleen bij het licht. Maar terwijl het nu in het avonddonker mij alleen om dat licht te doen is, weet toch een kind, zoo goed als gij het weet, dat dit licht u alleen van dien brander en uit die gaspijp en door dat glas toestraalt. En zoo nu ook is het hier. Uw ziele leeft niet bij dat papier van uw Bijbel, en niet bij haar letters of kapittelindeelingen, neen, ge leeft alleen bij den glans van het Evangelie. Maar al is het nu ook uitsluitend het Evangelie waarom het u te doen is, toch is het de Heilige Schrift en de Heilige Schrift alleen, waaruit rechtstreeks of afgeleid, de glans van dat Evangelie u toestraalt.

Of om op de bron terug te komen. Gewisselijk, waar ge door gedrenkt wordt is niet dat stuk rotssteen, en ook niet de ijzeren hevel dien men er op heeft gezet, noch ook de uitgeholde boom, waarin men het water opvangt, maar alleen en eeniglijk dat water zelf. Nu is dat water dat uw dorst zal lesschen het heilig Evangelie, maar de rotssteen, waaruit dat paarlend water opspringt is de bron der Heilige Schrift. En wie dus zegt, gelijk hier dit kind van God in den Catechismus, dat hij zijn Middelaar uit het heilig Evangelie kent, die bedoelt niet anders en kan niet anders bedoelen, dan dat het heilig Evangelie, dat als het water uit de bron, zoo uit de Heilige Schrift, en wilt ge nog dieper, in die Schrift uit God zelf, opwelt.


Evangelie is niet een „blijde boodschap”. Dat weet het volk ook wel, als het zegt: „Dat is voor mij geen Evangelie!” Dan toch bedoelt het volk volstrekt niet: „Dit is voor mij geen blijde tijding”, maar wel dit heel andere: „Dit is, omdat gij het zegt, voor mij nog niet zoo zeker en uitgemaakt, dat ik er voor zou moeten zwichten.”

Neen, het ware Evangelie gaat veel dieper. Evangelie is een blijde tijding voor een bepaald soort van ongelukkigen, en wel uitsluitend voor personen, |116| die zich verdoemelijk en eigenlijk reeds verdoemd voor God in hun ziel gevoelen. Ja meer nog. Deze ongelukkigen zijn reeds zoo op allerlei manier misleid, dat alle aanbieding van redding steeds eindigde met hun ongeluk nog te verzwaren. En daarom waar ze altoos op wachtten was, zulk een tijding uit een ver land, waardoor er eindelijk zekerheid in hun toestand kwarn, en, niet meer op allerlei kans af, maar met goddelijke gewisheid redding hun wierd toegezegd.

En dit nu juist brengt het Evangelie hun. Want het Evangelie is niet maar een blijde boodschap aan doemelingen; maar het is de blijde boodschap, die van Godswege aan deze doemelingen toekomt.

Zonder dit tweeŽrlei is alle spreken over het Evangelie dus niets dan misleiding of zelfbedrog.

En dit nu juist is het wat het kind van God hier uitspreekt. Eerst is in vijf Zondagsafdeelingen deze ellendige doemeling geteekend. En nu komt voor dezen en voor dezen alleen het Evangelie; niet van menschen, maar van God.

Het heet toch: het heilig Evangelie, en „heilig” beduidt in al zulk verband, dat iets rechtstreeks in God zijn oorsprong heeft. En daarom volgt er ook: 1º. dat God zelf dit Evangelie geopenbaard heeft; 2º. dat God zelf dit Evangelie heeft laten verkondigen; 3º. dat God zelf dit Evangelie heeft laten voorbeelden; en 4º. dat God zelf dit Evangelie heeft vervuld. Het is alles hier „heilig”. Altoos de Heere. Nergens de mensch.

En op wat wijs is nu dit Evangelie den zondaar toegekomen? De Catechismus antwoordt: 1º. Door influistering, 2º. door toespraak, 3º. door aanschouwelijk onderwijs, en eindelijk 4º. door de zaak zelve te laten zien.

Zoo kan ik als vader mijn kind best leeren, dat er heerlijke prachtige Alpen bestaan. Ik kan daarna door onderwijzers hem in de gelegenheid dier Alpen inleiden. Ik kan voorts hem afbeeldingen van die Alpen toonen. En eindelijk ook hem zelf die Alpen doen bereizen.

En zoo nu ook is het hier.

Eerst stelt de Heere het Evangelie in het Paradijs. Niet iets van het Evangelie, maar het volle Evangelie. Alleen nog ingewikkeld in den nog gesloten knop. Daarna ontsluit de Heere dit Evangelie al meer, al rijker, al voller aan Noach en Abraham en al de Patriarchen en de Godsmannen die na hen kwamen. Toen voegde de Heere er het aanschouwelijk onderwijs bij door zijn machtige daden, en al den ceremoniŽelen eeredienst.

Maar ook daarbij kon het niet blijven. Immers moest ook de zaak zelve gezien worden, en daarom heeft God het toen ten laatste vervuld in zijn Zoon. |117|

Kostelijk gezegd.

Niet gelijk de halven van onze dagen leeren: „het Evangelie dat door Christus gepredikt is”, maar het Evangelie dat God in zijn Zoon heeft vervuld. Want wel heeft de Christus ůůk het Evangelie gepredikt, en is Hij zelfs onze hoogste Profeet, die profeteerde in aller profeten profetie. Maar wie dit alleen zegt is het Evangelie vijand. En al wie dat Evangelie geen vijand is, die zal daarom belijden, dat de Christus ůůk Hoogepriester en ůůk Koning is, en dat alzoo God de Heere zijn heilig Evangelie voor zondaren in den Christus heeft vervuld.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001