Tweede hoofdstuk.

Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing.

1 Cor. 1 : 30.


Na de wetten, waaraan ten deze het rijk der genade gebonden is, van Vraag 12-17 duidelijk uiteen gezet te hebben, komt de Catechismus thans tot den Middelaar. Dusver was wel reeds gesproken over de vereischten, waaraan de Middelaar, om ons te kunnen redden, zou moeten voldoen, maar had de opsteller nog niet gehandeld over den Middelaar zelven. Het was tot nu toe nog bloot een zaak in de gedachten gebleven, en alles ging nog om buiten de werkelijkheid. Tot den Immanuël, den Verlosser, den Trooster onzer zielen kwam hij nog niet.

Maar hieraan is hij thans dan ook toe, als het in Vraag 18 heet: „Maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mensch is?”, en hierop dit rijke antwoord wordt gegeven: „Die Middelaar is onze Heer Jezus Christus, die ons van Gode tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking, en tot eene volkomene verlossing geschonken is.” |105|

Nu treden we alzoo tot den werkelijken Middelaar over, en verschijnt voor ons het heilig beeld van den Man van smarten, die voor ons in den smadelijksten dood ging en ons de vrucht schonk van wat hij stervende verwon. Het is of de heilige apostel Johannes van de heilige oevers ook ons toeroept: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.” Ja het is of we bij dit keerpunt in den Catechismus de vriendelijke stem van onzen Heiland zelven in onze ziel voelen dringen, als Hij roept: „Komt tot Mij, gij allen die vermoeid en beladen zijt, en gij zult ruste vinden voor uwe ziel!”

En daarom keert de Catechismus thans dan ook geheel zijn toon van spreken om. Nu geen betoog, nu geen klem van redeneering meer. Neen thans uit het volle hart een toon van lof en eere, en het beleden met een woord schier geheel aan de Heilige Schrift ontleend: „Die Middelaar is onze Heere Jezus Christus, dien wij niet hebben uitgedacht, maar die ons van God geschonken is, en in wien wij hebben al onze wijsheid, onze rechtvaardigheid, onze heiligmaking en onze volkomene verlossing!”

En in dien gullen, warmen, bezielden toon valt de Catechismus nu, niet als bekroop hem half spijt over zijn voorafgaande even keurige als ernstige ontleding, maar juist omdat met name die vorige nauwkeurige ontleding der zaak thans den toon van lot en dankzegging wettigt.

Als een drenkeling in een put viel, en ik weet niet hoe diep die put is, en er komt iemand aanloopen met een stok of touw, dan moet er eerst nog op allerlei manier geprobeerd, of die stok wel zoo lang als de put diep is en of dat. touw wel lang genoeg zal zijn, en overvalt mij de angst dat inmiddels de drenkeling omkomt. Maar als ik dien put nauwkeurig ken, en haarfijn weet, dat tot aan den waterstand de diepte juist 15 meter bedraagt, zoodat ik om den drenkeling er uit te kunnen halen een touw van omstreeks 18 meter noodig heb; en ik roep dat uit, en iemand hoort dat, en roept mij toe: „Ziehier juist een touw van 18 meter!”, dan gaat er vanzelf een vreugdekreet in mijn ziel op; want nu weet ik opeens, dat de drenkeling juist met dit touw gered is.

De overweging en kennisse van wat voor redding noodig is, is dus volstrekt niet overtollig, maar is juist het onmisbare om zeker van redding te zijn. En als iemand eerst onderwezen is, wat redder hij voor zijn ziele behoeft, en aan wat ontzaglijke vereischten die redder beantwoorden moet, zoodat hij vaak waande, „zulk een redder vind ik nooit”; dan juist stijgt zijn vreugde ten top, zoo er zich juist zulk een redder aan hem voordoet.

En vandaar dat de wetenschap en de kennisse, hoe naar de wetten van het rijk der genade onze Middelaar zijn moest, thans, nu hij juist zoo zich |106| aanbiedt, als door die wetten geëischt wierd, opeens het hart voor Jezus ontvlamt en den twijfel wegneemt uit ons bewustzijn.


Beslist spreekt de Catechismus het daarom nu ook uit, dat onze Middelaar „ons van God geschonken zij”; zelfs verandert hij, om hierop nadruk te leggen, de eenigszins anders uitgedrukte woorden van Paulus, en schrijft voor: „die ons geworden is wijsheid van God”, dit andere: „die ons van God geschonken is.”

Dit is hier geen bijzaak maar hoofdpunt.

Want wel kon de verlorene mensch, aan de hand van de kennisse zijner natuur en van de wetten van het genaderijk uitrekenen, hoe zijn Redder zijn moest, maar met al deze wetenschap en dit klare inzicht bleef hij volstrekt onmachtig om zelf ook maar het allergeringste aan zijn redding toe te brengen.

Zoo de delver van een put zelf in dien put valt, en hij nu daarin liggend, precies weet: „het touw om mij te redden, zou precies 18 meter lang moeten zijn!”, wat baat hem dit, om ook maar twee vezeltjes van zulk een touw ineen te strengelen? Of een architect wiens huis in brand vloog, staande in de goot van het dak, al precies weet, dat hij een ladder van 80 sporten zou moeten hebben om levend naar beneden te komen, wat baat hem dit, om ook maar één verdieping naar omlaag te komen? Och, met al zijn wetenschap, zoo de ladder niet van elders komt, verbrandt hij toch. De dorstige weet wel, dat hij water moet hebben, maar uit dorst komen geen waterdruppen. De hongerige weet wel, dat brood hem redden zou, maar bakt honger daarom brood?

En toch, hoe eenvoudig en onwedersprekelijk dit nu ook op natuurlijk gebied zij, toch raakt een mensch hiermeê op geestelijk terrein telkens in de war, en vooral de Ethischen zijn er schuld aan, dat hun algedurig spreken van hun behoefte, hun dorst, hun aspiratie naar redding allengs den indruk is gaan maken, alsof in dien dorst en in die aspiratie meer dan de halve redding reeds inzat. Soms is het alsof de Heiland eigenlijk niet uit Maria’s schoot, maar uit den diep verborgen bodem van deze aspiratiën geboren was.

Zoo schijnt men dan diep ootmoedig te staan. Zelfs spreekt men met zekere affectatie nog wel van „de verdoemenisse” eens zondaars. Maar arglistiglijk laat men uit de diepte zelve dezer verdoemenisse weer een klein, onmerkbaar kiempje van eigengerechtigen roem opschieten, en preekt u aan, dat eigenlijk uw nood, uw smarte, uw aspiratie, uw diepe zielbehoefte reeds uw halve redding was.

En dit nu moet u zonder sparen weer uit de hand geslagen. Al zulke |107| gedachte moet geheel en al uit den weg. En daarom spreekt de Catechismus het thans met zooveel nadruk uit, dat het ons alles van God is geschonken. Het „zoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon gegeven heeft” moet grondgedachte in heel onze belijdenis van het heilswerk blijven. „Van God alles en niets van onze zijde!” moet den toon blijven aangeven van het lied van onzen jubel.

En waar nu de Catechismus zelf aan de wetten van het genaderijk zoo klaar en duidelijk de gestalte van den Middelaar had uitgemeten, en ons menschelijk denken, zich op die kennisse allicht verheffen kon door te wanen, dat hiermeê reeds half de Middelaar gevonden was, moest het thans te ernstiger en met te meer klem uitgesproken, dat ge met al deze uwe wetenschap nog geen stroospier vordert, want dat al wat ge in of door den Middelaar hebt, u van God is geschonken.


„Middelaar” is de nog gansch algemeene naam, waarmeê de Catechismus hier zeer terecht den Christus inleidt. Men bedenke toch wel, dat hier op deze plaats en bij deze vraag nog geen de minste sprake komt van een uiteenzetting der Verlossingsleer. Die wordt pas bij de Geloofsartikelen behandeld. En ook is hier nog geen oorzaak om de Vleeschwording uitvoerig te bespreken; want die komt aan de orde in Vraag 35.

Hier op deze plaats en bij deze Vraag mag in al dat bijzondere nog niet afgedaald, en moet juist het algemeene gezichtspunt streng worden gehandhaafd. Het is de zake tusschen God en den verloren zondaar, die ontvouwd staat te worden. Wat in die zake in zal blijken te zitten, zal de Catechismus u later in bijzonderhedeh doen zien. Maar thans is hij daaraan nog niet toe. Thans is hij nog slechts bezig om u de zaak uit haar algemeen gezichtspunt voor te stellen. Aan den éénen kant den levenden God, met wien ge te doen hebt, en daartegenover gij nederliggende in uw zonde en ellende.

Alle godsdienst, alle godsvrucht, alle godzaligheid, het doelt alles op die ééne zake, die tusschen den Heere Heere en zijn menschenkind hangt. En juist omdat nu de Catechismus, zonder voorshands dieper in te dringen, bij dit alomvattende staan blijft, is Middelaar de van zelf aangewezen naam, waarmeê hij den Christus hier voortbrengt.

De naam zelf van „Middelaar” duidt juist aan, dat er een zake tusschen twee personen hangende is; dat deze twee gescheiden liggen; en dat nu hij als Middelaar tusschen die beiden inkomt. Een „Middelaar” is niet een Middelaar van éénen, maar van twee, zegt ons de brief aan de Galaten (III : 20), en in den brief aan Timotheus schrijft ons dezelfde apostel: „Er is maar één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus.” |108|

Want wel droeg ook Mozes den naam van middelaar des Ouden Verbonds, maar slechts in symbolisch-typischen zin, en ook zoo nog met geen andere strekking dan om aan te duiden, dat hij tusschen Jehova en zijn volk stond.

Middelaar beduidt voor de verhoudingen onderling wat een brug over een afgrond is, de saâmbrenging van wat gescheiden lag, de aaneenschakeling van wat uiteen lag geworpen. Het is het liefelijke snoer der eenheid of wilt ge „de staf saâmbinding”, die hereent wat uiteenviel. Het is de toemuurder der bresse, opdat de breuke van de muren der stad hersteld moge zijn. Middelaar zijn is tusschen een heilig God en een onder doem gezonken menschdom gaan staan, en daardoor uit den wortel zelven weer godsdienst en godsvrucht en godzaligheid mogelijk maken.

En hoezeer nu ook elke andere bemiddeling meest óf door een derde óf door een half toeschieten van beide zijden tot stand komt, zoo is het komen van dezen Middelaar louter en zuiver alleen een daad Gods.

Er komt geen derde bij, die als middelaar tusschen de twee zich aanbiedt, want buiten God en mensch is er niets dan dier en engel, en we zagen overtuigend, waarom noch een dier noch een engel ons verzoenen kan. Hij is dan ook geen engel, en heeft wel soms de engelengestalte, maar nooit hun natuur aangenomen.

Van „buiten God of mensch” kwam dus niets. En dat, waar het alzoo schrap en strikt tusschen God en zondaar staan bleef, de zondaar zelf niet het allergeringste tot deze bemiddeling bijdroeg, dat zal later de belijdenis der wondere vleeschwording duidelijk maken.

Thans kan hier alzoo volstaan met er op te wijzen, dat de zaken van den zondaar niet tegenover den Vader alleen, maar tegenover den Heere Heere stond, en dus evengoed tegenover den Zoon en den Heiligen Geest. Nooit derhalve een minder diep beleedigde Zoon, die in den erger beleedigden Vader den toorn gestild en gebluscht heeft, maar een toorn die gelijkelijk van Vader, Zoon en Heiligen Geest uitgaande, naar den raad des Drieëenigen, slechts instrumenteel door den Zoon verzoend is.


Wat nu de Catechismus, al het heil kort saâmvattende, er nog bijvoegt, dat deze Middelaar ons gegeven is „tot wijsheid, rechtvaardigmakinir, heiligmaking en volkomen verlossing”, is, zij het ook met kleine afwijking, ontleend aan I Cor. I : 30, en hier uitnemend op zijn plaats.

De zake der bemiddeling hangt tusschen den Heere Heere en het in zonde verzonken menschelijk geslacht. Wat nu ontbreekt aan dit gevallen menschelijk geslacht, om voor den Drieëenigen God te kunnen bestaan? En het antwoord luidt immers: "Aan dit geslacht van zondaren |109| ontbreekt wijsheid, ontbreekt gerechtigheid, ontbreekt heiligheid en ontbreekt geluk.” Welnu, zegt de Catechismus, juist dit alles, wat u in u zelven ontbreekt, dat alles heeft God Drieëenig u in den Middelaar geschonken. In onzen Heere jezus Christus hebt gij deze vier ontvangen: én Wijsheid én gerechtigheid én heiligheid én volkomen geluk.

Ge bezat in het paradijs, zooals uw God u schiep, een oorspronkelijk u inklevende wijsheid, een oorspronkelijk u inwonende gerechtigheid, een oorspronkelijk u ingeprente heiligheid, en daarmeê overeenkomstig storeloozen vrede en storeloos geluk.

Dit heil nu verwierpt ge. Door uw zonde ging teloor de u oorspronkelijk inklevende wijsheid, en wierdt ge dwaas. Door uw zonde ging teloor uw oorspronkelijke gerechtigheid, en wierdt ge verdoemelijk. Door uw Zonde verloort ge de oorspronkelijke heiligheid, en wierdt ge verdorven van aard. En derhalve verloort ge door uw zonde uw geluk en uw vrede en verzonkt ge in ellende en in dood.

Doch zie hier nu den Middelaar, in wien dit alles u terugkomt. In dien Middelaar weer „verlichte oogen des verstands”, opdat ge zien moogt, en niet langer omkomt in uw donkerheid. In dezen Middelaar weer „algeheele rechtvaardigmaking”, zoodat het is als hadde nooit schuld u benauwd en gij nooit tegen uw God overtreden. In dezen Middelaar weer volkomen heiligheid, zoodat gij rein voor God staat. En eindelijk in dezen Middelaar u volkomene verlossing van dood en ellende verpand, en daarmeê eeuwige gelukzaligheid in een paradijs, beter dan het hof van Eden bood, gewaarborgd.

Dit slaat dus volkomen op wat de Catechismus van het verderf en de verwoesting der zonde leerde; want volkomen hergeeft en herstelt deze Middelaar al wat het geslacht van Adam door de zonde verloor.

Slechts hergeeft hij dit verlorene op andere wijs.

In het paradijs bezat de mensch deze vier, t.w. wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en geluk in zich zelven; maar nu bij den geredden zondaar is het rustpunt dezer vier niet meer in hem, maar in den Middelaar. Beide malen, én in het paradijs én in Sion bezat en bezit een mensch geen dezer vier natuurlijk ooit anders dan in afhankelijkheid van den Drieeenigen God, aller leven Springader en aller goede Fontein. Maar in het paradijs was dit zonder Middelaar, terwijl het in Sion nooit anders dan door den Middelaar toegaat. Iets wat zeer tot schade der ware rechtzinnigheid door bijna alle Neo-Kohlbruggianen wordt voorbijgezien, die u vertellen dat ook Adam reeds in het paradijs zijne gerechtigheid slechts in den Christus bezat; maar iets wat onze vaderen onherroepelijk op grond van Gods Woord hebben vastgelegd door den nadruk waarmeê ze altoos spraken van „oorspronkelijke” gerechtigheid. |110|

Vooral in de spraakverwarring onzer dagen schuive men dit verschil dus weêr duidelijk op den voorgrond: Wat Adam in het Paradijs oorspronkelijk, d.i. buiten tusschenkomst van een Middelaar bezat, t.w. wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en geluk, dit alles bezit een kind van God in Sion thans niet meer oorspronkelijk, maar alleen in en door den Middelaar.

Ter laatste instantie komt het ons alles dus uit den Drieëenige toe, zooals Paulus zegt: „Zelfs uw zijn in Christus Jezus is alleen uit Hem” (1 Cor. I : 30: Uit Hem zijt gij in Christus Jezus). Maar den kinderen Gods in Sion vloeit het uit die Fontein aller goeden thans niet anders toe dan door en in den Middelaar: Uit Hem zijt ge, maar in Christus Jezus. En wat nu den kinderen Sions uit den Drieëenige in Christus Jezus toevloeit, dat is juist hetgeen de gevallen Adam verloor en derfde: wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en geluk.

Gelijk een pasgeboren wicht zijn melk in moeders borst bezit, en daarom moeder hem van God gegeven is tot zijn voeding en drenking, zoodat de moeder het heeft eer het wicht het heeft en het wicht het niet anders dan uit moeder ontvangt, — alzoo ook is het in Christus. In hem dit alles eer het ons toekomt en ons nooit anders toekomende dan uit Hem.

Ja, mochten we, we zouden dieper indringend, dit leven in Christus zelfs liefst bij het leven van het nog ongeboren wicht in moeders schoot vergelijken. Inzijnde in eens anders leven en toch een eigen leven uit die andere levend, en kracht noch beweging noch voeding noch drenking anders dan door het moederbloed hebbende, is zulk een nog ongeboren kind zulk een treffend beeld van het leven van Gods kinderen in het verborgen leven des Heeren. Uit Hem en door Hem, en toch in Hem een eigen leven voor u zelven alleen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001