Derde hoofdstuk.

De ziel die zondigt, die zal sterven.

Ezechil 18 : 4.


De vragen 14 en 15 hooren bijeen. Het schijnen twee vragen te zijn, doch |92| feitelijk zijn ze sam slechts n munt met zijde en keerzijde. Vraag 14 zegt wat niet, Vraag 15 wat wel kan. En beide malen wordt n in Vraag 14 n in Vraag 15 gehandeld over twee zelfde wetten, waaraan de plaatsvervanging op zedelijk terrein gebonden is.

Inzage van beide Vragen toont dit duidelijk. Immers in beide vragen wordt de noodzakelijkheid besproken, n dat de plaatsvervanger zelf mensch zij n dat deze mensch tegelijk meer dan mensch, dat hij God zij.

In de onmiddellijk voorafgaande Vraag was dan nu aangetoond, om wat oorzake er niet aan te denken viel, dat de zondaar zelf iets aan zijn verlossing toebracht. Iemand toch, die dagelijks zijn schuld meerder maakt, en al wat dagelijks inkomt toch reeds voor dien dag schuldig is, kan uiteraard nooit ook maar het allergeringste inhalen, maar raakt ook met de uitnemendste bedoelingen, steeds verder en verder achteruit. Iets waar tevens in ligt opgesloten, dat ook een ander zondaar nooit voor ons kan intreden. Want iemand, die zelf reeds ondergaat en wegzinkt, hoe zou hij zijn broeder immer kunnen verlossen? Hij zou zijn rantsoen nooit kunnen geven.

Hierme is dit eerste punt dus afgedaan. Onder de zondige menschen, en anders zijn er niet, is geen plaatsbekleedend middelaar ooit te vinden.

Nu echter werpt de Catechismus de belangrijke vraag op: Zoo dan al de zondige mensch geen rantsoen kan aanbrengen, zou er dan geen ander onzondig schepsel kunnen zijn, dat hier voor den gevallen mensch opkwame?

Dit kan niet op de dieren, maar moet op de engelen slaan. Want wel wierden de dieren in den offerdienst des Ouden Verbonds als plaatsbekleedende zinnebeelden geslacht, teneinde aan de oude kerk de verlossing, die in Christus jezus is, af te schilderen; maar profeet na profeet, psalmist na psalmist heeft in den naam des Heeren, Isral steeds gewaarschuwd, om deze zinnebeelden of symbolen toch nooit voor het wezen aan te zien. Neen, „offerande en brandoffers had de Heere niet begeerd.” „Het bloed der stieren en der bokken kon niet verzoenen.” Het was niet naar het bloed van var en ram dat door de gerechtigheid des Heeren Heeren gedorst werd.

Bij dieren kan van zonde geen sprake zijn. In dieren is geen zedelijk leven, waarin trekken van het Beeld Gods staan, en reeds daarom is het onmogelijk dat ooit een dier in zijn sterven voor den mensch in de plaats trede. Het dier geeft een vacht af, waarme de mensch zijn naaktheid kan dekken, maar achter die schorten en vellen blijft hij die hij was.

Vonden we dus voor de zedelijke plaatsvervanging in Vraag 13 den |93| vasten regel, dat ze niet kan noch mag plaats grijpen, tenzij vooraf het volslagen bankroet van den schuldenaar gebleken zij; — hier hebben we nu dezen tweeden: dat het wezen dat in zedelijken zin de plaats van den schuldenaar zal innemen, zelf zedelijk van aard moet zijn, en dies geen dier kan zijn.

Maar kon het dan ook wellicht een engel zijn?

Engelen zijn, evenals wij menschen, wel terdege wezens van zedelijken aard. Engelen zijn wel niet op gelijke wijze als de mensch naar ’t Beeld van God geschapen, maar toch toont heel de Heilige Schrift, dat ook zij met dit Deugdenbeeld van ’s Heeren heiligheden in rapport staan. En bovendien, de engelen staan ook in betrekking tot den mensch. Met name tot ’s menschen geestelijk leven. De Heere zelf heeft ze besteld en uitgezonden om medewerkers te zijn van onze zaligheid.

Niet onnatuurlijk komt dus bij den Catechismus de vraag op, of wellicht een creatuur uit de orde der engelen ten deze hier plaatsvervangend zou kunnen handelen voor den schuldigen mensch? En hierop nu luidt zijn antwoord: „Neen, dat kan niet, want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mensch gemaakt heeft.” Een antwoord, waarvan het gewicht in het oog springt, omdat er de gerechtigheid Gods aan hangt. Gerechtigheid, het klare, doorzichtige woord zegt het u, gerechtigheid eischt, dat de schuld dr thuis worde gezocht, waar de schuld is, en niet ergens anders. Al het verzet der ongeloovigen tegen de dusgenaamde „Bloedtheologie” ging dan ook steeds uit van het op zich zelf volkomen juist beweren, dat het niet aanging de straf over te brengen daar waar geen schuld was. Hun fout was slechts, dat ze het mysterie van Golgotha niet begrepen, en aldus tegen het plaatsbekleedend lijden van Christus een bedenking inbrachten, die niet opgaat, omdat juist in onze gereformeerde belijdenis van de verzoening zoo streng an dezen eisch van het recht wordt vastgehouden. Immers ook wij houden op grond der Heilige Schrift staande, dat de straf niet anders kan nerkomen dan daar, waar de schuld was.

Ware dus de schuld, die te delgen stond, een afzonderlijke, particuliere schuld van dezen bf genen persoon geweest, dan, het spreekt vanzelf, zou deze particuliere persoon die ook zelf hebben moeten boeten, en ware plaatsbekleeding onmogelijk geweest. Waar geen gemeenschap van schuld bestaat, kan ook geen overgang van deze gemeenschappelijkheid bestaan in straf.

Nu staat intusschen de zaak zoo, dat de zonde niet iets particuliers van dezen of genen persoon, maar iets gemeenschappelijks van ons geslacht als n geheel is. Aparte menschelijke zonde is er niet. Alle zonde komt |94| uit de moederzonde van Adam en zit met een levenden vezel aan die moederzonde vast en is er door gevoed. Alle zonde is en vormt dus n organisch geheel, en dit organisch geheel der zonde zit niet in n mensch, maar ligt in ons geslacht als zoodanig. De schuldige is dus niet de ne enkele afzonderlijke mensch, maar de schuldige tegenover God is onze menschelijke natuur als zoodanig, ons geslacht als een geheel, en die van den enkelen mensch voorzooverre deze met dit geheel in levend contact staan. De schuld ligt dus in onze menschelijke natuur. Ons geslacht is de overtreder. En daarom moet dan ook in onze menschelijke natuur, door n die voor dit geslacht kon opkomen, de schuld worden geboet en de straf worden gedragen. Zoo alleen verkrijgt de gerechtigheid Gods haar eisch.

Met een engel ware hier dus niets uit te richten.

De engelen die staande bleven hebben niet de minste gemeenschap van schuld aan ’s menschen schuld. Zij zijn staande gebleven toen hun mede-engelen voor eeuwig vielen. En ook daarvan afgezien is hun natuur niet onze natuur. Ze zijn andere wezens dan wij, menschen, zijn. Ze hebben een ander leven. Ze zijn principiel van ons, menschen, afgescheiden. Tusschen een mensch en een engel heeft God de Heere een scherpe grenslijn getrokken. En hoezeer ook panthestische sentimentaliteit van een verengelen van menschen gebazeld heeft, zoo leert Gods Woord ons toch, en daar blijve het bij, dat zulk een overgang volstrekt ondenkbaar is. Engel wordt een mensch nooit.

En waar nu alzoo de overgang in de natuur van mensch en van engel ontbreekt, moet ook ontbreken gemeenschap van schuld, en kan er dus ook geen sprake van gemeenschap in overneming van de straffe zijn.

Heel dit denkbeeld, alsof er bij „engelen” redding ware te vinden moet dus weggeworpen. De straffe onzer zonde is een straffe van ziel en lichaam beide. En reeds het feit, dat de engelen geen lichaam bezitten, maar onlichamelijke geesten zijn, maakt, dat zij ook uit dien hoofde, des menschen straf nooit dragen konden.

Vanwege de gerechtigheid Gods is en blijft het derhalve, dat overmits de schuld in onze natuur en ons geslacht rust, ook onze natuur en ons geslacht moet boeten en straf lijden, en dus de vraag of eenig wezen al dan niet die boete en die straf zou kunnen overnemen, allereerst hangt aan deze andere, of zulk een wezen zelf onze natuur bezit, behoort tot ons geslacht, en in die natuur voor dat geslacht kan opkomen.

Zoo neen, dan kan hij ook geen verlossend middelaar wezen. Zoo wel, dan natuurlijk is hij niet in weerwil, maar juist krachtens de gerechtigheid Gods, de aangewezen held om voor ons door te breken.

Vandaar dat de Catechismus dan ook tweeledig de zaak aldus |95| vaststelt: 1º. het kan geen ander schepsel zijn, want de schuld ligt in ons, menschen, en dus door ons, menschen, moet ook de straf gedragen; en 2º. eisch is derhalve dat wie het bewerken zal een waarachtig en rechtvaardig mensch zij.

Waarachtig beteekent hier „echt”, „wezenlijk”. Zoodat hij het niet schijnt, maar het inderdaad is. Wat wij nu echt en wezenlijk noemen, noemde men eertijds f oprecht f waarachtig. Er moet dus niet gedacht, dat hier tegenspraak zou zijn met het Schriftwoord: „Alle mensch is leugenachtig en God alleen waarachtig.” De uitdrukking „waarachtig” heeft met de „waarheid Gods” hier niets te maken. Er wordt hier alleen mee bedoeld, dat wie als mensch ten deze zal optreden, het niet alleen schijnen moet, maar ook moet zijn.

Dit alles loopt dus volkomen zuiver. SIechts wordt er nu nog aan toegevoegd, dat deze echte mensch ook tegelijk onzondig moet wezen, en dit is het wat de Catechismus noemt: „een waarachtig en rechtvaardig mensch.” Rechtvaardig beduidt hier niet dat zulk een rechtvaardig in zijn doen met menschen zou zijn; maar dat het recht Gods niets tegen hem te klagen had. En de wondere eisch waartoe we alzoo komen, is deze, dat de Verlossende Middelaar niet kan zijn een dier of engel, maar moet zijn mensch; echt mensch; onzer n: en dat hij toch, hoezeer ook tot ons behoorende, en in ons geslacht ingeworteld, aan de moederzonde ontkomen en van de moederschuld vrij moet zijn. Iets waaruit men tevens ziet, hoe ver van de waarheid enkele Neo-Kohlbruggianen afwijken, die ingang zoeken te geven aan de zondige voorstelling, als hadde ook op Christus de erfschuld in Adam gerust. Men ijst van zulke uitingen, als men ze ook maar hoort!


Doch nu het tweede punt!

Terwijl nu de zedelijke plaatsvervanging reeds den wonderen en schijnbaar onmogelijken eisch stelt, dat die plaatsinnemer mensch als wij en toch gelijk anders dan wij, d.i. zonder zonde of geheel rechtvaardig zij, voegt nu de Catechismus er ten tweede nog dezen anderen eisch aan toe, dat hij in kracht en vermogen al het creatuurlijke te boven ga.

Hij zegt toch in Antwoord 14: „Ten andere: zoo kan ook geen bloot creatuur den last des eeuwigen toorns Gods dragen en anderen daarvan verlossen”; en baseert hierop in Antwoord 15 den eisch: „Dat hij sterker dan alle schepselen, en dies mede waarachtig God zij.”

En ook dit is onvergelijkelijk schoon uitgedrukt. Want dit juist is de heerlijkheid van ons geloof, dat we niet maar historisch vernemen: „Uw Middelaar was God en mensch”, maar dat tot in de diepte van ons zedelijk leven wordt doorgedrongen, om van binnen in ons eigen hart als |96| met weerhaken de heilige waarheid vast te leggen, dat er zonder een „Woord” dat „Vleesch” wordt, geen heil voor een zondaar bestaat.

Ook hier echter wapene men zich tegen misverstand.

Kan een bloot creatuur of schepsel den last des eeuwigen toorns Gods tegen de zonde niet dragen? o, Ja, want ook Satan is een bloot schepsel en draagt dien. En dien toorn dragen alle gevallen engelen en alle voor eeuwig rampzalige menschen. Ten deele dragen wij zelfs op aarde dien toorn. „Door uwen toorn vergaat ons kwijnend leven!”

Meer nog.

Niet alleen toch dat een bloot creatuur wel terdege den toorn Gods dragen kan, maar hij moet dien dragen. Want zoo gloeit er geen vonk, hoe klein ook, van zonde in het schepsel, of die toorn Gods strijkt neer.

Men lette er daarom op, dat de Catechismus, wel verre van dit te ontkennen, dan ook iets heel anders zegt, t.w. dat een bloot creatuur den last des toorns Gods tegen de zonde nooit zoo, nooit op zulk een wijs, nooit met die uitwerking kan dragen, dat hij er aan toe kwam, om anderen te kunnen verlossen.

Een bloot creatuur kan dus wel den toorn Gods dragen, maar hij komt met dat dragen nooit gereed. Die arbeid kan door een bloot creatuur wel begonnen worden, maar nooit voleind. Het is een uitscheppen van den Oceaan, waaraan niemand de hand slaat, omdat hij weet dat er nooit een einde aan komt. Het is als het willen tellen van de zandkorrelen, waarvan ieder aflaat, omdat menschenmacht er niet toe reikt.

De zaak zit dus hierin, dat de toorn Gods tegen de zonde een oneindig karakter draagt. Merk hier wel op. De toorn Gods, en dus ook onze straf, vindt zijn maatstaf niet in het beperkte van onze menschelijke afpaling, maar breidt zich uit naar de mateloosheid en onmeetbaarheid van den maatstaf van het goddelijk leven. De last des toorns Gods tegen de zonde is dus van geen beperkte of afgepaalde natuur, zoodat ze eindelijk, eindelijk toch uitgeput zou zijn en haar grens zou hebben bereikt.

o, In het allerminste niet. De toorn Gods gaat zoover als God gaat. Op dien toorn staat, omdat het de toorn des Heeren Heeren is, het goddelijk stempel, en dies is hij eenig, onmetelijk en oneindig. En zoover kan nooit de kracht of het leven of de werking van een creatuur gaan, dat hij ooit of ergens n enkel punt zou kunnen vinden, waarvan hij zeggen kan: Hier dringt de toorn van God niet door.

Stel dus al dat het heerlijkste creatuur al zijn kracht inspande, en met die volle inspanning, tienmaal duizend jaren met volle teugen dien toorn des Eeuwigen indronk, dan nog zou er geen einde aan zijn, wat zeg ik, het zou nog niet zichtbaar zijn, dat er af was. |97|

De zonde is tegen God begaan, en dt is het ontzettende, waarom er geen afdoen aan de straf en de eeuwige rampzaligheid zoo ijzingwekkend is. En uit dien hoofde nu leert de Catechismus, dat daarvan zelfs de allerheiligste engel u nimmer had kunnen verlossen, omdat zelfs die allerheerlijkste engel toch altoos een bloot creatuur bleef, en een bloot creatuur nooit ofte nimmer het zoover met het dragen van Gods toorn zou kunnen brengen dat hij zeggen kon: „Nu is het einde bereikt”, en alsdan, na dit einde bereikt te hebben, tot het verlossen van anderen zou kunnen overgaan.

Als er aan de overzijde van den Oceaan op het strand staan, die naar dezen oever wenschen te komen, en is er geen schip of boot of vlot, en het moet met zwemmen geschieden, och, dan staan voor zulk een doel zelfs de beste zwemmers machteloos. Want hoe kostelijk en prachtig de beste zwemrner ook zwemmen moge, niet n brengt het ooit ook maar halverwege den Oceaan. Stellig komt nooit n aan gindschen oever. En toch eerst als hij aan gindschen oever was, kon hij er aan toe komen om die anderen te verlossen.

Het is dus dit oneindige waarop hier voor alle eindig creatuur de mogelijkheid onverbiddelijk afstuit, en uit dien hoofde besluit de Catechismus nu, dat derhalve de Middelaar, die ons wezenlijk zal verlossen, tegelijk sterker dan alle schepselen, en dus God moet zijn.

Deze overgang is niet te stout. Tusschen een schepsel en den Schepper ligt niets in. Er zijn geen overgangen, wat ook de Gnostieken van vroeger en de Gnostieken van nu gebazeld hebben en bazelen. De grenslijn tusschen het schepsel en den Schepper is absoluut.

Staat het alzoo vast en is het uitgemaakt, dat de kracht van het schepsel, omdat het eindig is, hier niet toereikende is, dan moet het wel een oneindige kracht zijn; en overmits het oneindige alleen in God wordt gevonden, zoo is het „God en mensch” de wonderbare tegenstrijdige belijdenis, waarin alle hope op verlossing uitloopt.

En dit wordt nu alzoo beleden, niet als om te zeggen: „Ons denken stelt nu vast, dat z de Middelaar zijn moet”, en nu voorts te gaan onderzoeken, of wat God ons zond, daaraan wel beantwoordt.

Maar het is omgekeerd een afgluren van hoe de Heere in zijn zedelijke schepping de grondslagen des zedelijken levens heeft vastgesteld, en nu tot de belijdenis komen, dat onze Middelaar die ordinantie des zedelijken levens niet vertreedt, maar heerlijk in zijn persoon doet schitteren.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001