Tweede hoofdstuk.

Want wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of, wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel?

Matth. 16 : 26.


Er moet alzoo aan Gods gerechtigheid betaald worden. Betaald door den schuldige zelven, of betaald door een ander.

Maakt dit nu soms op u den indruk van een te uitwendige opvatting? Van die zondige opvatting, die er eertijds toe bracht, dat men opzettelijk iemand een oor afsneed of hem op andere wijs verminkte, en dan naar het gerecht liep, om zeven ducatons te betalen, en nu vrij, alsof er niets geschied ware, uitging? En wilt ge nu daarom van dat betalen in het stuk der zaligheid niets weten, omdat het op u den indruk maakt als wierd deze zondige veruitwendiging van het zedelijk leven nu ook op het heilige toegepast en in de vierschaar van God Almachtig ingedragen? o, Laat ons u dan deze bezorgdheid aanstonds stiller! mogen door de verzekering, dat er van een betalen in geld hier gansch geen sprake is. Neen, hier is sprake van een betalen, niet in goud en zilver, maar met het dierbaar bloed, het hartebloed, van het onbevlekkelijk en onstraffelijk Lam.

Onder de Franschen loopt een spreekwoord, dat zegt: Il faut payer de sa personne, wat beduidt: Geld geven helpt niet, gij moet betalen met uw eigen persoon. En dat nu juist is het, wat in de vierschaar des Heeren plaats grijpt. Er moet betaald; maar betaald ’tzij door u, ’tzij door een ander met zijn eigen persoon.

En zegt ge nu voorts: „Zoo ge dit bedoelt, welnu, laat dan dat hinderlijke woord van „betalen” varen, en al het stuitende vervalt!”, dan zij ons de wedervraag veroorloofd, of ge dan nooit in wat Jezus van het penningske der weduwe zei, gelet hebt op dat zinrijk zeggen: „Die penning was al wat zij had, al haar leeftocht.” Want wat bedoelt de Heiland hiermee anders dan dat haar geld haar leven was, en dat ze met het geld in de offerkist te werpen, er eigenlijk haar leven in wierp, en haar existentie in het zichtbare afsneed. En zoo is het. Geld is een ruilmiddel. Niets meer en niets anders. Te Parijs in 1870 leden de millionairs broodsgebrek, al lagen ook de kelders van de bank opgehoopt met hun schatten. Slechts als middel om uw begeerte te erlangen heeft geld waardij. En omdat nu onder beschaafde volken voor „geld” alles te verwerven is, zit in dat geld uw brood, uw genot, uw verkwikking. In dat geld zit uw leeftocht. |87|

Er steekt dus niets onedels in, er kleeft niets minder reins aan, zoo de Heilige Schrift aan dezen geldhandel het denkbeeld van betalen ontleent, en dit begrip van betalen nu ook overbrengt op hetgeen de mensch aan zijn God schuldig is. Betalen is een begrip, dat een kind zelfs vat; een woord dat ieder verstaat, waar men in alle standen en rangen aan gewend is. Een woord alzoo dat geen misverstand toelaat en de zaak als zaak volkomen duidelijk maakt.

Immers in betalen ligt tweeërlei in, vooreerst het strikte, en ten tweede het stipte, en op beide komt het meer nog dan onder menschen, bij den He re onzen God.aan. Betalen is nu eenmaal afdoen, de zaak afsnijden, en aan de schuld die bestond een einde maken. Zoo ik u betaald heb, is het opeens en voor altoos uit met den last die op mij lag. Het gaat dus strikt en streng. Het is niet zoo half en half maar heel doen. Het is doen of niet doen. Kloek en manlijk. Als er betaald wordt, valt voorts alle redeneeren en dreinen weg. Betalen brengt een zaak tot haar uitsluitsel; doet een bestaanden band geheel losgaan; en maakt aan een verhouding, die den een in de macht van den ander leverde, op staanden voet een einde. Wie mij moet betalen is mijn gevangene, wie betaald heeft gaat vrij als het vogelke uit.

Maar ook, er zit het stipte in. Betalen is afdoen tot den laatsten penning. Want zoolang de laatste penning er nog niet is, blijft de strik nog om u. Eerst met den laatsten penning gaat de koorde los, ontbindt de knoop zich, en is de strik gesprongen. Er is bij betalen niets zwevends, niet dat onzekere, niet dat zus en toch weer zoo, niet dat zeezieke der eindelooze golvingen, maar een vast, stellig, afgeperkt en zuiver bepaald iets. Er is de stiptheid, voortgaande tot in het uiterste.

En deze twee nu, dit strikte en dit stipte zijn juist zoo uitnemend geschikt, om onze schuld aan de goddelijke gerechtigheid klaar en duidelijk voor onzen geest te stellen. Om af te snijden, eens voorgoed, alle onheilig gekeuvel, alsof de Heere onze God de zaak wel zoo zondig kon laten zitten, zonder ze door te zetten. En om al te snijden eveneens en onverbiddelijk, alle ontzenuwend en ziekelijk gepeins, alsof God de Heere toch wel iets, en wel veel en straks alles kon laten afdingen. Strikt en stipt gaat het zoo ergens, dan wel juist in de vierschaar des Heeren toe, en daarom is „betalen” schier het eenige woord in alle menschelijke talen dat zuiver en nauwkeurig en helder het onafwijsbare en onkreukbare van de goddelijke gerechtigheid uitdrukt.

Wat de Heere in de gelijkenis sprak: „Er niet uit, totdat ge den laatsten penning zult betaald hebben”, geeft dit zoo kernachtig weder. En vandaar dat de Heilige Schrift dit „betalen” zoo gedurig overbrengt op |88| wat niets met geld gemeen heeft. „Gij zult elkander de schuldige goedwilligheid betalen”; „Betaalt den Heere uwe geloften.” „Dan zullen wij betalen de varren onzer lippen.” Ja dat er zelfs, omgekeerd van den Heere zelven gezegd wordt: „Want de Heere, de God der vergelding, zal hun zekerlijk betalen” (Jeremia LI : 56).


Kan nu dit betalen door u zelven geschieden? Deze vraag, reeds in Vraag 12 ter sprake gekomen, wordt hier nogmaals opgenomen, maar nu met een ander doel. Immers in Vraag 12 wierd het mysterie ontsloten dat er ja genade is, maar een genade niet door eenvoudige kwijtschelding, neen, maar doordien een ander betaalt in plaats van dengene, die betalen moest maar niet kan.

Deze borgstelling of rantsoenbetaling of plaatsbekleeding, of hoe ge dit mysterie van zedelijke plaatsverwisseling ook noemen wilt, is de grondslag van heel het heilgeheim.

Ware het, gelijk hedendaagsche wijsgeeren willen, en kon er op zedelijk terrein geen plaatsvervanging bestaan, dan ware er geen Messias en geen middelaar en geen Redder onzer ziele denkbaar.

Om dat groote mysterie der plaatsbekleeding wentelt zich, naardien we eenmaal zondaren wierden, dus als om een spil al onze zaligheid. Op te lossen is dit mysterie niet. Zoomin op te lossen als eenige oorsprong in het oorspronkelijk bestek der schepping zich voor ons menschelijk begrip verklaren laat. Hoogstens kunt ge aantoonen, dat wie dit mysterie loochent, buiten machte is, om ook allerlei andere en er mee saamhangende verschijnselen op zedelijk gebied te verklaren; en voorts duidelijk maken, dat de vrucht van dit mysterie wel verre van aan den zedelijken eisch te kort te doen, veeleer tot de hoogste ontwikkeling des zedelijken levens leidt.

Maar het mysterie zelf, waarop bij Vraag 14 moet teruggekomen, is en blijft een verborgenheid, evengoed en in gelijken zin, als het u eeuwiglijk verborgen blijft wat leven, wat liefde, wat licht zij. Gij kunt die drie genieten, maar ze nooit in hun wezen verklaren. En zoo nu ook is het met die verborgenheid der plaatsverwisseling, die den een voor den ander doet betalen. Ze is er, ze kan gesmaakt, er kan uit geleefd worden, maar voor ontleding is ze onvatbaar.

Dit neemt echter niet weg, en hieraan moet streng de hand gehouden, dat evenals het leven en het licht, zoo ook de plaatsverwisseling op zedelijk terrein niet naar de grillen van eigendunkelijkheid en willekeur mag te grabbel geworpen, maar steeds gebonden is en blijft aan die bepalingen en verordeningen, die God, die haar mogelijkheid schiep, voor haar heeft vastgesteld. |89|

Zedelijke plaatsvervanging hangt niet in de lucht en is geen uitdenksel van menschen, maar is een door God den Heere in uw zedelijk leven zelf ingeschapen mogelijkheid, maar juist daarom ligt ze dan ook vast en gebonden aan al die levensdraden waaraan God de Heere haar als met zoovele vezelen vastlegde.

En van deze bepalingen nu behandelt Vraag 13 de eerste verordening. Zoo ge wilt de eerste vaste wet, waaraan ze gebonden is. Gelijk er natuurwetten zijn, zoo zijn er ook genadewetten. En een van deze genadewetten vindt ge nu hier.

Ge kunt ze kortweg aldus omschrijven: Het mag en kan tot deze plaatsverwisseling nimmer komen, tenzij eerst de volstrekte onmogelijkheid voor den schuldenaar zij uitgemaakt, om zelf te betalen.

In de burgerlijke vierschaar geldt deze bepaling niet. Stel ik ben u duizend gulden, die gij onder borgstelling mij leendet, schuldig; en de dag van betaling komt; maar ik betaal niet. Welnu, dan spreekt gij eenvoudig de borgen aan, en niemand vergt, dat ge vooraf mijn faillietverklaring voor den rechter door zult zetten. Of ik dus de ongerechtigheid bega, om mijn borgen te laten opkomen, terwijl ik eigenlijk zelf nog wel kan betalen, is iets wat bij den burgerlijken rechter niet in aanmerking komt. Er moge later verhaal zijn, dat is een andere zaak. Maar de borgbetaling, de plaatsverwisseling wacht daar niet op. Die gaat door.

En evenzoo ging het eertijds met gijzelaars. Was de dag verstreken, waarop de gijzelaars zouden uitgewisseld worden, en verschenen de opgeroepenen niet, dan wierden de gijzelaars eenvoudig ter dood gebracht; ook als bleek dat de geroepenen niet konden komen.

Hierin nu echter steekt een schrikkelijke ongerechtigheid, die in Gods heilige vierschaar niet wordt geduld. Plaatsverwisseling op zedelijk terrein mag nooit toevallig zijn of afhangen van bijkomstige omstandigheden. Ze moet zeker, ze moet gewis en door stellige noodzakelijkheid geboden zijn.

Vandaar dat onze vaderen er ook steeds zoo ernstig op aandrongen, dat men toch geen kruis van Golgotha zou oprichten, op een bloote kans van heerlijkheid, dat misschien die plaatsverwisseling wel zou aangenomen worden. De Verlosser moet van zijn verlosten zeker zijn. Voor bepaalde personen die hij kende, moest zijn rantsoen gekocht worden. Alle onzekerheid en vaagheid en toelating van voorwaardelijke mogelijkheden moest afgesneden. Zekere borgstelling kan, naar Gods heilige ordinantiën die nooit anders, dan in-de-plaatstreding voor een bepaald aanwijsbaar persoon zijn, die schuldig staat en moet betalen, maar van wien de onmogelijkheid dat hij nu of ooit betale, wiskundig zeker bleek. |90|

En dit nu duidt de Catechismus daardoor aan, dat hij niet vraagt: „Kon de zondaar zelf betalen?” maar dat hij het persoonlijk maakt: gij en ik. Wij, zooals we hier voor elkander staan, en saam belijden Gods kinderen te zijn, konden wij zelven betalen?

En nu luidt het antwoord kort en bondig, snijdend en onontwijkbaar: „In geenerlei wijze.”

Dit sluit dus elke mogelijkheid van zelf betalen uit. Nu niet. Morgen niet. In der eeuwigheid niet. Nooit.

Niet door streven naar gerechtigheid. Niet door boete en berouw. Niet door zoen en goede werken. Niet door zelfkastijding en zelfplaging. Niet door aldoor goed en waar te zijn. Niet door u levend te laten verbranden. Niet door eeuwiglijk hellestraf te lijden. In geenerlei wijze.

En om dit stellige en volstrekte nu voor ieders conscientie tot eene afgesnedene zaak te maken, voegt de opsteller er zoo meedoogenloos hard, maar even daarom zoo juist en zoo gezond aan toe: „Want wij maken ook dagelijks de schuld nog meerder.”

En is dat zoo, dan is het natuurlijk uit, en hoeft er niet verder in de mogelijkheid van eigen betaling ingedrongen. Gaat er niet af, maar komt er bij; mindert de schuld niet, maar klimt ze gestadig; natuurlijk dan is het buiten hope, en is het met alle zelf afdoen uit.

En dit nu juist is aller Christenen diepdroeve zielservaring, waarmee ze dit door den Catechismus aan de Schrift ontleende antwoord, telkens bevestigd zien.

Lieden in de wereld weten daar niet van. Aangekleede vromen bekreunen zich daar niet om. De heirschare der werkheiligen zal u dit nooit toestemmen. Maar die personen, die kennis aan zich zelf kregen, en nu bij het licht van Gods aanschijn wandelen, die zien, helaas, bij dat klare licht elken dag duidelijker, dat het wel waarlijk zoo is.

Bedenk toch wel, meer dan hetgeen waartoe een onzondig mensch in staat zou zijn, kon zelfs die onzondige mensch niet doen. Stel dus eens, er ware een Nathanaël (niet de geschiedkundige, maar een denkbeeldige), die, ja, tot aan zijn twaalfde jaar wel eens gezondigd had, maar na dien tijd geheel onzondig bestond. Natuurlijk dan zou (ware dit mogelijk) deze denkbeeldige Nathanaël van zijn twaalfde jaar af God liefhebben met heel zijn hart, heel zijn verstand en al zijn krachten en zijn naaste als zijn leven, en heel zijn aanzijn en persoon zou ganschelijk Gode gewijd zijn.

Maar indien dit nu zoo ware, kon bij daarmee dan nog ooit iets of ook maar het allergeringste oververdienen? Kwam dit alles dan niet toch |91| ook zoo geheellijk aan zijn God toe? Mag hij ooit één zaadje onontwikkeld laten, waarvan God de levende kiem in hem ingeplant heeft? Is al wat in zijn zedelijken akker geborgen ligt, dan niet het heilig zaaikoren zijns Heeren? En kan ooit één eenige Nathanaël, al ware hij tienwerf onzondig, één eenig zedelijk kiempje scheppen, waaruit iets heiligs zou voortkomen, dat niet voortkwam uit de gave zijns Gods?

Al beging een mensch dan ook slechts éénmaal één enkele zonde, en al ware het denkbeeld (des neen), dat daarna gansch zijn bestaan en aanzijn onzondig en volkomen heilig ware, dan nog zou die ééne zonde, dit ééne tekort nooit en in der eeuwigheid niet in te halen zijn.

Nooit kunt ge voor uw God iets doen, of ge moest het toch doen. Wat Hij niet gebiedt wil Hij ook niet. Uw God eens verrassen met een extra plichtsvervulling of iets buiten en boven uw plicht, is een, gansch ondenkbare gedachte. En van overdoen wat eens zondig verdaan wierd, komt dus nooit iets.

Maar, en dit nu beslist alles, zelfs die gunstiger onderstelling gaat nimmer door en kan niet doorgaan. Zulk een onzondige Nathanaël bestond nooit en zal nooit bestaan.

Want wel verre van, na boete en berouw, nu van stap tot stap op al onzen levensweg niet een volkomen hart en ganschelijk rein voor onzen God te wandelen, is er zelfs bij den allerheiligste van Gods kinderen, nooit een enkele stap, die niet, hoe ongemerkt ook, toch het stof weer op zijn voet doet stuiven, en hem toch weer bezoedelt.

Zelfs een kind van God heeft nooit een eenig goed werk. En als er goede werken bij Gods kind komen, dan is dat niet hij die er zijn God meê afbetaalt, maar zijn God die er hem in nieuwe schuld van dankbaarheid meê zet.

o, Onze belijdenis heeft het zoo wonderschoon uitgesproken. „Wij zijn in God gehouden voor onze goede werken, en niet Hij in ons.” Wat zeggen wil: Als we dan al eenig goed werk doen, dan krijgt God da niet van ons, maar kregen wij dat van God, zoodat de prijs er voor niet door God aan ons verschuldigd is, maar veeleer door ons aan der Heere.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001