HET TWEEDE DEEL

Van des menschen verlossinge

*

Zondagsafdeeling V

Vraag 12. Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straffe verdiend hebben, is er eenig middel, waardoor wij deze straffe ontgaan mochten en wederom tot genade komen?

Antwoord. God wil dat zijner gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar òf door ons zelven, òf door eenen anderen volkomenlijk betalen.

Vraag 13. Maar kunnen wij door ons zelven betalen?

Antwoord. In geenerlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.

Vraag 14. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?

Antwoord. Neen, want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mensch gemaakt heeft; ten andere zoo kan ook geen bloot schepsel den last des eeuwigen toorns Gods tegen de zonde dragen en anderen daarvan verlossen.

Vraag 15. Wat moeten wij dan voor eenen Middelaar en Verlosser zoeken?

Antwoord. Eenen zulken, die een waarachtig en rechtvaardig mensch zij, en nochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook waarachtig God zij.


*

Eerste hoofdstuk.

Is er dan bij Hem een gezant, een uitlegger, één uit duizend, om den mensch zijnen rechten plicht te verkondigen, zoo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, ik heb verzoening gevonden.

Job 33 : 23, 24.


Het stuk van onze „ellende” is thans afgehandeld.

De ellende die door de zonde gewerkt wordt is volstrekt en volkomen; |80| voor tijd en voor eeuwigheid; aan alle vreugd vernietigende, alle leven dernpende, alle kracht in haar tegendeel omzettende schriklijke, onweerstaanbare Dood.

Zooals het aan de Noordpool schriklijk is, omdat er geen zon doorbreekt, en nu in die eeuwige ijskoude bevriezing van lucht en van bodem alles verstijft en stolt en in den Dood gaat, zoo ook is ’s menschen ellende die door de zonde kwam.

Uit een zondig leven is God weg, en met God de zon van dat leven en daarom wordt alles kil en koud en dor, en moet alles verstijven, en bevriest alles in een eeuwigen Dood.

Er is geen ontkomen aan.

Die „Dood” is zoo onuitsprekelijk machtig. Bijna almachtig. Want alle kracht die God in zijn schepselen inlegde, ligt saâmgevat en in haar tegendeel omgezet, in zijn verdervend en vernielend vermogen.

Vandaar dat hij zoo onverbiddelijk moet zijn.

De „Dood” kan niets sparen. Uw ziel niet en uw lichaam niet. Uw leven nu niet en eeuwig niet. Uw liefste kind niet en uwe lieve moeder niet. Maar ook niet uw talent, uw menschelijk vermogen, uw wereld vol verlustiging.

De „Dood” dringt in allen en in alles door. En zoo vreet geen roest in of doorboort geen worm het hout, of dringt geen vluchtige olie in uw kleed, als deze „Dood”, die uit de zonde geboren is, indringt en doordringt in heel uw wezen en heel uw aanzijn, niet rustende eer hij het alles bedierf en verdierf.

Dit is de toorne Gods.

Want ook die „Dood”, met zijn vreeslijken nasleep van „ellende”, is Gods bode, doende al wat Hem behaagt en werkende al hetgeen waartoe Hij hem uitzendt.

God zelf heeft alzoo dien vreeslijken Dood, en de werken van dien Dood verordineerd.


Doch nu slaat de Catechismus een andere bladzij van het boek der mysteriën op, en daar staat boven: Van ’smenschen verlossinge.

Ook uit die diepte van ellende, ook uit die afgrijslijke werking van den Dood is er nog verlossing, en ook die verlossing heeft God verordineerd; en zoo prikkelt dus de vraag: Hoe, en waar die verlossing komen zal; of God dan van zijn strenge straffen aflaat.

Zoo toch luidt de 12de Vraag: „Aangezien wij dan, naar het rechtvaardig oordeel Gods, tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er eenig middel waardoor wij deze straf ontgaan mochten, en wederom tot genade |81| komen?” En het antwoord, hard en ontzettend, maar toch een straal der hope biedend, betuigt ons: „God wil dat aan zijne gerechtigheid genoeg geschiede: daarom moeten wij aan dezelve, óf door ons zelven, óf door een ander, volkomen betalen.”

Let er aanstonds op, dat de Heidelberger vraagt: „Is er een middel om weder tot genade te komen?” Genade beduidt hier dus niet: kwijtschelding van schuld, maar dien zaliglijk met God vereenigden toestand, waarin Adam stond vóór zijn val. „Genade” wil hier zeggen: vrede met God, Gods heerlijke gunste. In die gunste stond de mensch. Uit die gunste viel hij door de zonde uit. Toorne trad voor die gunste in steê. En nu luidt de vraag: Is er een middel, waardoor die toorn weg kan, en die gunst terugkeert, of, gelijk de Catechismus het letterlijk uitdrukt: „een middel, om deze straf te ontgaan en in de genade wederom in te komen?”

Er wordt alzoo niet gevraagd naar afslag van straf, niet naar tempering van Gods toorn. Dat laffe, halfslachtige denkbeeld snijdt de Catechismus terstond af. De straf moet niet maar getemperd, maar geheel opgeheven, want anders, dat voelt de Catechismus uitnemend, zijn we toch weg.

Dit maakt hij voelbaar door er in de vraag zoo wijdloopig bij te zeggen: „Aangezien we naar Gods rechtvaardig oordeel tijdelijke en eeuwige straffe verdiend hebben.” Tegen zulk een ontzettende straf toch baat geen afslag. Wat wilt ge minderen op een oneindige schuld? Hoe wilt ge ooit iets afdoen op een schuld, die voor „oneindig groot” te boek staat? Of leerde de rekenkunde ons niet reeds, dat ge zelfs door millioenen op millioenen te tassen nog geen klein onzichtbaar stippelke van het „oneindig groot” afkrijgt.

Minderen van de straf baat hier dus niet. Hoe groot die mindering ook ware, de straf zou nog steeds oneindig blijven. En zeer terecht strekt daarom de vraag van den Catechismus niet tot mindering, maar tot een geheel ontgaan van deze tijdelijke en eeuwige straf.


Nu zou naar de gewone menschelijke voorstelling, die dan ook, o zoo dikwijls, op God den Heere wordt overgebracht, het antwoord op deze vraag kortaf in dezer voege moeten luiden: „o, Gewisselijk, God de Heere kan u al uw straf kwijtschelden, zoo Hij u uw zonde maar uit liefde vergeeft.”

En was dit nu zoo, kon God de Heere metterdaad op zulk een wijze u uw zonde vergeven, dat Hij u eenvoudig de straf kwijtschold, zoo ware de leer der Verlossing zeker uiterst gemakkelijk te verstaan. Alle toerekening van zonde viel dan eenvoudig weg. Alle zonde wierd beschouwd als niet bedreven. En van alle straffe zag God de Heere eenvoudig af. En dit ware dan de heilsleer. |82|

Zoo leert men het thans dan ook ’ en de jongste godgeleerde school, die onder Ritschl’s leiding in Duitschland opkomt, ging zelfs nog verder, en zei u: „Zoo alle verlossing alleen daarin bestaat, dat God de Heere vergevingsgezind is, zoo berustte alle angst en twijfel, of ge wel verlost waart, eigenlijk alleen op misverstand.” En dit misverstand, dat begrijpt men, lag dan hierin, dat de zondaar wel dacht: „God zal straffen”, maar dat feitelijk bij God den Heere nooit eenig voornemen om te straffen bestaan had, en dat nu uw geloof is: een inzien, hoe ge u vergist hadt, en hoe ge Gods liefde hadt miskend.

Tegen deze door en door valsche denkbeelden staat nu, op grond van Gods Woord, onze Catechismus lijnrecht over, en betuigt u: „God moet straffen. Hij kan de straf niet kwijtschelden. Hij moet de zonde toerekenen. Geen liefde, hoe almachtig ook, verandert hier iets aan.” Dit toch is de eigenlijke bedoeling van het stellige zeggen van den Catechismus: „God wil dat aan zijn gerechtigheid genoeg geschiede, dus scheldt Hij niets kwijt. Er moet aan haar volkomenlijk betaald worden. Dus rekent Hij alles toe.”

Dit standpunt houde men onder Gods volk dus zuiver.

Al dat laffe zeggen, alsof God te vriendelijk ware om te toornen, en te liefderijk om toe te rekenen, en te genadig om te straffen, moet als gebrekkig menschelijke voorstelling verworpen worden. Zoo oordeelen gebrekkige, zwakke menschen, die voor recht noch gerechtigheid zorgen kennen, en alleen op hun week gevoel afgaan; maar zoo oordeelt niet God de Heere, die alleen al de zorge voor het recht en de gerechtigheid op zich heeft rusten, en die geen zich laten meesleepen door een ziekelijk gevoel kent.

Bedenk het dus wel en predik het u zelven en anderen, want hier ligt nu juist de zenuw van alle ware religie: God scheldt noch de zonde, noch de straf kwijt, maar Hij rekent integendeel alle schuld toe.


Maar hoe, zal men zeggen, leert dan toch de Heilige Schrift niet, dat God de Heere in Christus de wereld met zich zelf verzoende, heur zonde niet toerekenende, en is niet heel de psalmodie van het Evangelie juist in die zalige tonen vervat van een schuld die verzoend, een zonde die onvergolden, een straf die kwijtgescholden is?

Neen, lezer, dit leert de Heilige Schrift nergens, nooit, in niet één enkele uitspraak.

Wel leert de Heilige Schrift iets dergelijks; maar dan moet er iets bij, en dat ééne dat er bij komt, maakt juist de zaak heel anders.

De Heilige Schrift leert namelijk dat God de Heere de zonde wel |83| toerekent, en de schuld wel houdt en de straf wel afeischt, maar dat Hij ze niet toerekent aan zijn schuldig kind, de schuld niet houdt aan alle overtreders zelven, en de straf niet afeischt van allen die zelf die straf verdienden.

Niet alsof Hij voor wat hun aangaat, dan maar een schrap door hun schuld haalde, of de zonde niet aanzag, maar zoo, dat Hij wat hun aangaat, wel betalen laat, maar betalen door een ander.

En dit, dit nu is het groote mysterie, waarop de Catechismus met deze 12de Vraag komt. Betaling moet er zijn, maar die betaling kan ook geschieden door een ander. De straf moet afgeëischt, maar kan gedragen worden door een ander. De schuld moet thuis gezocht, maar kan, thuis gezocht aan een ander.

In dit ééne punt ligt dus de kern van deze geheele Catechismusvraag.

Beiden, én de ongeloovige én de Christen, belijden dat er vergeving bij God den Heere is, maar terwijl de ongeloovige deze vergeving hierin zoekt, dat er eigenlijk geen toorn, geen schuld en geen straf bestaat, belijdt een Christen, dat God de Heere, om het heilig recht, niet kan aflaten van zijn toorn en de straf niet kan noch mag prijsgeven; maar dat de uitweg, om aan de tijdelijke en eeuwige rampzaligheid te ontkomen voor den mensch hierin ligt, dat deze schuld en deze straf ook gedragen kunnen worden door een ander.


Maar dan, zult ge zeggen, is er ook geen ontferming in God. Zoo ik schuld te vorderen heb en de schuld wordt mij betaald, wat goedheid steekt er dan in, dat ik de reeds eenmaal betaalde schuld niet nogmaals afvorder van den schuldige?

En die vraag is juist.

Daar steekt ook niet de minste ontferming in. Want, is eenmaal de schuld voldaan, dan zou het nogmaals afeischen van dezelfde schuld eenvoudig stuitend onrecht wezen.

Daar schuilt dan ook de diepte van Gods ontferminge volstrekt niet in.

Neen, de gratie, de genade, de ondoorgrondelijke barmhartigheid des Heeren is in heel iets anders gelegen; en wel hierin, dat Hij zelf, toen er raad noch daad tot redding van den zondaar was, dezen wonderbaren uitweg, om de straf door een ander te laten dragen gevonden en geopend heeft.

Heel de voorstelling, alsof de Vader eigenlijk geen verzoening wilde, en alsof toen Christus tusschenbeide trad, om den toorn Gods te blusschen, is een gansch Gode onwaardige voorstelling. Daarmee keert men het heilgeheim om, en slaat er den bodem uit, dat al zijn wateren wegvloeien. |84|

Heel dit heil, „alle deze dingen”, zijn uit God zelf, zooals de heilige apostel Paulus getuigt, en dit juist is zijne goddelijke ontferming, niet, dat Hij de schuld schrapt, maar dat Hij ze niet schrapt en ze toch van zijn kinderen afneemt.

Zoo is dan Gods toorn in niets een onheilige toorn; in niets een lust hebben aan het verderf van het schepsel. Integendeel, de Heere heeft geen lust aan den dood des zondaars, maar daaraan dat hij leve. Als Hij dus toornt en straft en den zondaar in de hel verderft, dan is dit niet uit goddelijk genot in dit lijden, maar omgekeerd met onderdrukking van den goddelijken lust aan zijn leven en zijn heil.

De bron der gratie is dus niet in den Middelaar, maar in den Drieëenigen God. Hij is en blijft de Fontein ook van deze goddelijke heilgoederen. Er is eenzelfde God in het heerlijk heilig liefdebetoon waarmeê Hij én de volle straf blijft afeischen, zonder iets te laten vallen, hoe klein ook, én tegelijk den zondaar volkomen zaligt en van alle straf bevrijdt.


Alles hangt dus maar aan dit ééne diepe mysterie des zedelijken levens, dat het mogelijk is om een ander te laten betalen voor den schuldige en dit mysterie nu is niet uit menschen, maar uit God.

God de Heere schiep de wereld van het zedelijke leven nu eenmaal zoo, dat dit mysterie er in lag.

Hij heeft er dit mysterie niet eerst na den val in gelegd, maar het er van meet af in geschapen.

Het zedelijk leven is door Hem zóó tot stand gebracht, dat het niet was mensch naast mensch, maar alle menschen in één geslacht saamgevat en in één verband besloten.

Vandaar wat men noemt de zedelijke solidariteit van den een voor den ander. Gelijk in een gezin de een de schuld des anderen meêdraagt, en in een land duizenden soldaten, die niets deden, straks in den oorlog worden doodgeschoten, omdat de minister des konings een fout beging in zijn beleid, zoo ook is het in heel de zedelijke levenswereld.

Ook wel voor ieder een bijzondere rekening, en in zoover zal ieder zijn eigen pak dragen, maar ook voor allen een gemeenschappelijke rekening, en aller schuld en zonde in de wortelzonde en wortelschuld van Adam voor ieder persoonlijk en aan allen gemeen.

De een voor den ander, de onschuldige voor den schuldige, dat is geen verzwakking van het zedelijk leven, maar de hoogste uiting van het zedelijk leven, want de liefde kan niet hooger gaan.

En daarom houde men op, hier iets vreemds, iets raadselachtigs en ongewoons in te zien. Want zoo is nu het zedelijk leven eenmaal, en |85| anders is en bestaat het niet. Het bestaat wel anders in zijn ontaarding of op zijn lager trap, maar niet in zijn gaafheid en op zijn hoogsten trap.

In de zedelijke wereld, die gaaf en op haar hoogsten trap staat, neemt altoos de onschuldige met de oneindige toewijding der liefde het voo den schuldige over. De triomf der liefde schittert juist in deze over neming van schuld.

Hadde God de Heere een wereld geschapen, zonder dit mysterie der overneming van schuld, zoo ware deze wereld Gode onwaardig geweest. Dan toch zou één enkele zondaar zonder zweem van kans op redding heel die wereld voor eeuwig in het verderf hebben gestort. En daarom, hierin juist is de wijsheid Gods gerechtvaardigd, dat Hij de wereld alzoo niet schiep, maar ze zoo schiep, dat in overneming van schuld de liefde haar hoogsten triomf zou kunnen vieren.

Immers nu kon de mogelijkheid der zonde gesteld. zonder voor eeuwig allen mensch in het rampzalig verderf te storten, want nu was hiermeê de uitweg ontsloten, om, zoo de mensch in zonde viel, toch ook zoo nog den gevallen zondaar te redden.

Ook dit mysterie der overneming van de schuld is dus uit God; niet pas na den val, maar reeds in den raad der schepping.

Zonder deze solidariteit van schuld, en de daardoor gebodene mogelijkheid dat de een de schuld des anderen over zou nemen, wilde Hij niet dat zijn zedelijke wereld zou bestaan.

Dit is de rantsoengedachte die Hij inplantte in ons hart en bij alle volken in hun rechtspleging en volksusantiën en heldensagen deed uitkomen. Dit is de gedachte der offerande van den een voor den ander, die Hij onderwees en inprentte door zijn ceremoniëele wet. Dit is de goddelijke glorie der ontferminge, waarmeê Hij zich over ons, goddeloozen, van eeuwig ontfermd heeft. Dit is het mysterie, waardoor zelfs de zonde nog een vrucht voor het heiligste in hemel en op aarde draagt, in zoo verre zij aan de Liefde een schaal biedt, waarin haar welriekende wierook kan geuren.

Natuurlijk is deze overneming van schuld door den onschuldige niet willekeurig, maar gebonden aan vaste wetten, die in de zedelijke ordinantiën Gods onverwrikbaar vast liggen, maar die wetten wil de Catechismus dan nu ook in de volgende Vragen onderzoeken.

Alles, ook de redding van den zondaar, moet naar de vaste scheppingsordinantiën des Eeuwigen loopen.

Bezien we dan in de 13de-17de Vraag, door welke heilige regelen deze overdracht van schuld en straf beheerscht wordt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001