Derde hoofdstuk.

Maar van den boom der kennisse des goeds en des kwaads; daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

Gen. 2 : 17.


Omdat God de Heere Souverein in heel zijn schepping en dus ook in zijn zedelijke schepping is, moet Hij als Rechter over alle schending van zijn wet zitten; door straf de schending van die Wet wreken; en omdat die Wet wet van den Souverein van hemel en aarde is, die wrake doorzetten tot in des overtreders dood.

„Gratie” in den aardschen zin kan deze rechterlijke daad des Heeren niet voorkomen noch te niete doen. Want wet pleegt een koning op aarde recht van gratie te bezitten, maar dit recht vindt zijn oorsprong in het gebrekkige van onze aardsche rechtsbedeeling. Er zijn gevallen, dat er naar stipt recht veroordeeld moet, en dat toch ieder weet, hoe deze veroordeeling in geen verhouding staat tot de wezenlijke schuld. Gratie nu, goed toegepast, moet nooit daad van willekeur, maar steeds correctief van het gebrekkige in de menschelijke rechtspraak zijn. Bij den Heere onzen God kan van „gratie” in zulk een zin dus nimmer sprake zijn. Deze goddelijke Rechter vergist zich nooit. Wel is in Hem de fontein van een hoogere gratie, maar daarvan kan eerst later gesproken. Vast moet eerst staan, dat er aan de rechtspraak van dezen Rechter geen |72| verwrikken is. Het woord van Pilatus: „Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven”, in hem zoo overmoedig en dies bijna baldadig, is, overgebracht op den Rechter van hemel en aarde, slechts de volkomen juiste uitdrukking voor de onaantastbaarheid van het door Hem gevelde vonnis.

Als dan ook de vrager in den Catechismus de vraag opwerpt, of God dan niet evenals een koning, door het verleenen van gratie, de schrikkelijke uitwerking van het vonnis voorkomen kon, dan antwoordt de belijder in Antwoord 11: „God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zoo eischt zijne gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straffe aan lichaam en ziel gestraft worde.”

Het zeggen: „God is wel barmhartig” wijst er op, dat straks de gratie van dezen Koning op nog heel andere wijze de ziel zal verrukken, dan de gratie door een vorst op aarde verleend; doch het vasthouden aan de betuiging: „Maar Hij is ook rechtvaardig”, toont, dat deze hemelsche gratie het vonnis van den Rechter niet omverwerpen maar juist bevestigen zal.

Dit diepe mysterie der hemelsche gratie ruste daarom tot we aan „des menschen verlossing” toekomen. Thans moet nog altoos „van des menschen ellende” gehandeld, en deze menschelijke ellende komt nu juist gaardoor eerst recht sterk uit, dat ten slotte alle uitweg hem wordt afgesneden en de straf nooit f zoo hoog f zoo langdurig kan gedacht, worden, of de straf die deze hemelsche Rechter eischt, gaat dit alles nog zeer verre te boven. Een schepsel dat in de zonde viel, wordt door het recht van deze Vierschaar voortgedreven, tot zijn weg doodloopt en hij zich het schuldig hoofd stuk stoot op den onoverklimbaren muur van ’s Heeren onvermurwbare en onaantastbare en onverwrikbare gerechtigheid.

Deze ellende nu ligt uitgedrukt in het ne schriklijke woord van den „Dood”.

Toen de pas geschapen mensch nog in eere stond, sprak de Heere tot hem: „Ten dage als ge valt, zult ge den dood sterven!” Meer niet. Maar in dat ne zeggen: „zult gij den dood sterven”, lag dan ook al de ontzettendheid van tijdelijke ellende en eeuwige rampzaligheid in.

Er behoeft niets bij gevoegd. In het ne doodvonnis ligt het al en voor eeuwig besloten. God de Heere had op de overtreding van zijn wet den dood gesteld, en toen nu de mensch desniettemin die wet niet hield, heeft de Rechter van hemel en aarde hem dan ook ter dood veroordeeld. |73|

Zijn zonde was „tegen de hoogste majesteit Gods” of gelijk wij meestal zeggen, tegen de Souvereiniteit van den Heere Heere bedreven, en daarom kon er ook geen mindere dan de hoogste straf op staan, een straf op ziel n lichaam afgaande en doorgaande voor eeuwig.


Dit woord „Dood” is een ontzettend woord, en toch wordt het in den regel niet ter helfte van zijn diepte doorzien en verstaan. Als Adam toch zondigt, en desniettemin nog honderden van jaren leven blijft, vraagt de nieuwsgierigheid onwillekeurig, of God de Heere zijn, dreiging dan verzacht had of de uitvoering er van uitgesteld, want dat er gezegd was: „Ten dage dat ge er van eet, zult ge den dood sterven”, en dat dit niet uitkomt, als hij toch nog jaren leven kon. Maar zoo oppervlakkig vragen komt alleen op in den onnadenkende. Want wie nadenkt, en Adam na zijn val op de gevloekte aarde in het zweet zijns aanschijns sloven ziet om zijn brood, en hem goed in het matte oog tuurt, die weet het wel beter, neen die Adam leefde niet meer. Van de ure zelve van zijn zonde was de dood over hem gekomen.

Wat toch is de „Dood”?

Is de „Dood” niets dan een ontslapen als ons aardsch aanzijn uit is? o, Gewisselijk ook dat is een stukske van den Dood, maar toch is het op verre na de geheele Dood niet. „Dood” staat tegenover „Leven”. En leven is die wonderbare verbinding die God als Schepper bezigt, om twee dingen saam te houden. Ge hebt een ziel en een lichaam. Die beide staan tegen elkaar over. Van geestelijke natuur uw ziel, van stoffelijken aard uw lichaam. Het zichtbare en het onzichtbare in u in n persoon. Maar juist omdat deze twee een tegenstelling vormen, moeten ze nu in het Scheppingswerk van uw persoon, tot een geheel vereenigd. Eerst schiep God Adams lichaam; toen in dat lichaam de ziel; en eerst toen nu die beide, dat lichaam en die ziel op een voor ons geheel onbegrijpelijke wijze vereenigd waren, eerst toen was er, gelijk de Schrift zegt, een levend mensch. En gelijk alzoo het aardsche leven in een mensch ontstaat door de wondere sambinding van zijn ziel en zijn lichaam, zoo nu is ook zijn aardsche dood niets anders dan de scheiding van zijn ziel en van zijn lichaam. Beide, leven en dood staan hierin vlak tegen elkaar over. Het leven ontstaat uit de samvoeging, de dood door de scheiding van wat samgevoegd was.

Tot in het lichaam zelf gaat dit door. Immers ook in het eene lichaam zijn allerlei onderscheidene deelen. Er zijn zenuwen en spieren, er is bloed, er is een huid, er is een beengestel. En zoolang er nu leven is zijn al deze deelen organisch saamgevoegd. Maar z komt de dood niet |74| of deze alle loopen van elkaar weg, en het lijk gaat over tot ontbinding; een ontbinding die niet kan rusten, eer alles uiteengenomen en gescheiden is, en er ten slotte niets dan het bleeke, vale skelet overblijft.

Houdt dit dus wel vast: Het leven is in de samvoeging en de dood ontstaat door de losmaking van dien eens gelegden band. Zoo noemen we iemand maatschappelijk dood, als de maatschappij allen band met hem afsnijdt. „Die man is voor mij dood”, beduidt, dat ik elken band met hem heb afgebroken. Een „dood boek” noemen we een boek dat niet in rapport met het lezend publiek kan komen. Kortom, „dood” is het bange begrip voor alle ontbinding van die wondere levensbanden, die in ons lichaam, tusschen ons lichaam en onze ziel, en tusschen ons en de maatschappij door onzen Schepper gelegd zijn.

Maar juist daarom kunnen we hierbij dan ook niet blijven staan, en moet veeleer doorgedrongen tot dien diepsten levensgrond, die niet ons lichaam aan onze ziel, maar onze ziel aan God den Heere zelf bindt. Eerst door dien hoogsten band ontstond het hoogste leven. In zijn ziel bond God de Heere den mensch aan Zich zelven. Eerst door dien band, die zijn ziel aan God bond, stond hij in zijn oorspronkelijke gerechtigheid en wijsheid. Die band was zijn eigenlijke leven, en van dien band hing alle overige band in zijn wezen af. Hij hing aan zijn God en was met zijn God vereenigd in zijne ziel. Aan die ziel hing zijn lichaam door een band, dien het God beliefd had tusschen ziel en lichaam te leggen. In dat lichaam lagen door Goddelijk bestel al de banden van zijn aardsche leven. En door ziel en lichaam beide stond hij in levende betrekking tot de wereld om zich heen, die der engelen ingesloten.

Zoo vol was dus zijn leven. Eerst een leven in en met zijn God. Daarop rustend zijn persoonlijk leven door den band van ziel en lichaam. Daar weer op rustend zijn lichamelijk leven door de organische banden van geheel zijn gestel. En door middel van die ziel en dat lichaam een leven met de wereld om hem in de menschelijke en geestelijke maatschappij.

Zoolang dit leven nu leeft, trekt en werkt dus de band aan zijn God; werkt zuiver de band van ziel en lichaam; werkt in dat lichaam ongestoord de physische levensband; en werkt naar buiten in zuivere ongestoorde harmonie zijn band met de wereld.

Maar ook als er een macht komt, die deze velerlei banden losmaakt of afsnijdt, dan komt op allerlei manier de dood. De dood tusschen hem en de wereld. De dood in de ontbinding van zijn lijk. De dood in de scheiding van ziel en lichaam. En onder dat alles en als grond van dat alles het schrikkelijkste van den dood, de dood tusschen hem en zijn God, als de geestelijke band tusschen zijn ziel en dat eeuwige Wezen ophoudt te werken. |75|

Als God de Heere dus zegt: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven”, beteekent dit niet, dat op dienzelfden dag deze velerlei dood opeens en tegelijk over hem komen zal, maar dit, dat de wortel van allen dood dan terstond in hem openbaar zal worden, door de losmaking van den band, dien hij geestelijk met zijn God had. Z zondigt Adam niet, of in dat eigen oogenblik snijdt hij door die zonde zelve dien geestelijken levensband met zijn God door, en dientengevolge valt hij. En zoo was de dood dan in hem. Niet een figuurlijke, niet een mindere dood, maar de wezenlijke dood, waar alle overige dood slechts het verzwakte gevolg van is, de geestelijke dood die inschoof tusschen hem en zijn heiligen Heere.


Eens en voorgoed dient dus gebroken met het valsche begrip, alsof de dood hierin bestond dat iets verging en vernietigd werd. Oppervlakkig bezien schijnt het wel alsof een bloem die verwelkt, vergaat; maar beter onderzoek heeft toch de waarheid aan het licht gebracht, dat al die deeltjes, waaruit die bloem bestond, blijven voortbestaan en slechts overgaan in andere verbindingen en in anderen toestand. Maar die leugen van dit vergaan, die op stoffelijk gebied er nu uit is, raapten thans sommigen onzer godgeleerden weer op, om ze in de eeuwigheid in te dragen, en dorstten zeggen, dat de niet-gezaligden, na den oordeelsdag door God eenvoudig vernietigd worden, zoodat ze niet meer bestaan.

Vooral in Engeland en in Frankrijk heeft deze valsche leer, die men noemt „de leer van de conditioneele onsterfelijkheid” ook onder Christenen ingang gevonden, en ook ten onzent hebben enkele ethische godgeleerden haar aanbevolen. Ze trachten daardoor te ontkomen aan de ontzettendheid van een eeuwige rampzaligheid, en achten het meer overeenkomstig met de hoogheid van ’s Heeren Wezen, om aan het bestaan zelf van zulke onbekeerlijken een eind te maken, dan dat ze eeuwig in hun smarte zouden kwijnen.

Onze Catechismus snijdt, gelijk men ziet, dezen uitweg af. Juist omdat de zonde zonde en misdaad tegen de Hoogste Majesteit is, moet haar straf een eeuwige rampzaligheid zijn. Nu is vernietigd worden geen straf, maar het opheffen van alle straf. Wie verging en ophield te bestaan, ondergaat geen straf meer. De verkondigers van deze nieuwe leer hebben dus geen hooger, maar juist kleiner gedachten van den Heere onzen God. Zij verkleinen zijn Majesteit. Zij verkleinen de schuld van het schenden van zijn Majesteit. En brengen eigenlijk dezelfde onheilige theorie op Gods rechtsbedeeling over, die de zelfmoordenaar volgt, als hij denkt: met een zelfmoord ben ik er uit. |76|

Doch bovendien, deze geheele voorstelling is ongerijmd, en gaat uit van een geheel valsch begrip van den dood. „Dood” is nooit „vergaan” en is nooit „vernietigd worden”. Dood is altoos als de levensband ophield te werken. Sterven is het langzame losgaan van dien band. Maar als nu die band los is, dan is er niet niets, maar dan begint er integendeel een geheel andere werking, en juist in die andere werking komt dan het afschuwelijke en rampzalige van den dood uit.

Als de dood den band, die ziel en lichaam bond, doorsnijdt, dan valt het lichaam niet weg, en het verdwijnt niet, maar het wordt een lijk, en in dat lijk is niet de werkeloosheid van een marmer en beeld of wassen pop, maar in dat lijk begint aanstonds een geheel andere werking, die de gassen ontbindt, de vochten scheidt, de vezelen loswoelt, en alles van binnen laat opwerken naar buiten. Deze werking noemen wij de ontbinding van het lijk, en in haar eerst is al de afschuwelijkheid van den tijdelijken dood.

En zoo nu ook is het met den dieperen wortel van den dood in ons wezen. Snijdt de zonde in onzen geestelijken dood onzen levensband met het eeuwige Wezen door, dan is onze ziel daarom niet weg en ze verdwijnt niet, maar ze wordt boos. En in die booze ziel is niet de stilstand van het beeld, maar ontwikkelt zich een zeer krachtige werking van alle hartstochten, en deze brengen dan ons zedelijk bederf. Dit is de worm die nooit sterft en de vonk die nooit wordt uitgebluscht. En hierin nu eerst komt onze afschuwelijkheid uit. Eerst, zoolang we nog op aarde zijn, beteugeld door de gemeene genade, maar in de eeuwigheid der hel eens op ongetemde wijze. En dit nu, in verband met de omringende hel, is dan de eeuwige rampzaligheid.


De dood werkt alzoo in alle krankheden en zwakheden des lichaams, in alle verderf en bederf om ons heen, en in alle innerlijke verstoring en ontwrichting van onzen geest in ons. Alle ellende, alle rouw, alle bange angst en zielverterend verdriet, dat op aarde geleden wordt, het is alles n trekken van dien nen zelfden dood, die door nen mensch in de wereld is gekomen en tot alle menschen is doorgegaan. Van deze werking van den dood is wat wij het „aardsche sterven” noemen slechts ne der vele uitingen. Als een paalworm jarenlang den paal doorwroet heeft, valt eindelijk het brokstuk er af. En zoo is ook dit aardsche sterven slechts n phase in de schrikkelijke doodswerking. Maar in dit sterven eindigt ze niet. Neen, ze gaat door en voort. Eindeloos indringend tot in het diepste der eeuwigheden. Altoos scheidend, altoos innerlijk verdeelend en uiteenrukkend, altoos de harmonie vervangend door steeds |77| schriller wanklanken, en altoos zich voleindigend in een helsche ontbinding, waarvan de ontbinding van een lijk slechts de flauwe afschaduwing biedt.

En dit is gerechtigheid.

Ge zijt ziel en lichaam; ge zondigt niet ziel en lichaam; dus moet ge ook met ziel en lichaam den vreeslijken vloek der zonde ervaren; en scheidt ge uit dit leven, zonder het tegengif tegen dien dood, dat God u in het geloof bood, te willen drinken, welnu, dan eischt ’s Heeren majesteit ook dat er in alle eeuwigheid nooit een plek voor u zijn zal, waarvan ge zoudt kunnen zeggen: „Ik heb God gehoond, en toch sta ik hier veilig.”

Dan had de Heere zijn Majesteit niet. Dan hield Hij op Souverein te wezen. Dan was de eeuwigheid niet meer Zijns, maar voor u.

En daarom er mag op het ontzettende van dezen ernst niets afgedongen, over heel uw wezen naar ziel en lichaam, voor nu en voor eeuwig gaat het; niet alsof Hij niet een God vol van gratie en erbarming ware, maar omdat ook het gebouw van zijn ontfermingen alleen op den grondslag van het ongeschonden recht rijzen kon.


En toch hoe ontzettend de dood ook zij, een positieve macht op zich zelve is hij niet. Hij is dat evenmin als de zonde. Als een lichaam lijk wordt en overgaat tot ontbinding, komt er geen nieuwe vernielende positieve macht van buiten, maar het zijn dezelfde krachten, die, zoolang de persoon leefde, goed werkten, maar die nu verkeerd werken, en daardoor vernielen. En zoo dan nu is het ook met de zonde, en ook met den dood. Wat men in de rekenkunde door minus en plus pleegt uit te drukken, geeft ons hier eenig denkbeeld van. Stel die engel, die Satan wierd had 100 talenten ontvangen, dan sloeg zijn verderf ook het diepst in, en de + 100 slaan bij hem in - 100 om. En zoo ook onder menschen, hadt gij gaven des levens ontvangen die we door het cijfer + 12 kunnen voorstellen, dan zal uw verderf ook niet rusten eer het even diep, d.i. tot - 12 doordrong. Alle zonde, en alle doodswerking is misbruikte en in haar tegendeel omgezette werking van wat God in u schiep.

Vandaar dan ook het gestadig proces, dat hierin is.

De krachten die ten leven gaan, zijn niet opeens tot den vollen wasdom gerijpt. Het gaat van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.

En zoo ook is de rampzaligheid niet opeens voleind, en gaat het ook hier van diepte in al dieper verderf zinkende, als van des duivels drang.

Vandaar dat Adam, na zijn val, met den dood in zich, nog voortleeft |78|

Zoo ziet men ook een eikeboom, dien men afzaagde van zijn wortel, nog daags daarna frischheid in het blad vertoonen.

En dan denkt het kind van den houthakker dat die boom nog leeft, mdat hij nog levend blad vertoont.

Maar de houthakker weet beter.

De levensband met den wortel is afgesneden.

En hierin lag voor den stam de dood.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001