Tweede hoofdstuk.

Maar van den boom der kennisse des goeds en des kwaads; daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

Gen. 2 : 17.


Omdat God de Heere aller schepselen Souverein is, is Hij ook voor alle redelijk geschapen creatuur tevens Rechter.

Hadde het den Heere beliefd alleen een stoffelijke en niet tevens een zedelijke wereld in het aanzijn te roepen, zoo zou Hij geen rechter zijn. Maar nu het Hem behaagde wél aan een zedelijke wereldorde het aanzijn te geven, nu moet Hij tevens als Rechter optreden. Hij kan dit niet laten. Het vloeit rechtstreeks uit zijn verhouding tot die zedelijke wereld voort.

Immers is God de Heere Souverein ook in die zedelijke wereldorde, dan moet wat Hij als „goed” geijkt en gemerkt heeft, ook als „goed” uitkomen en „goed” blijken. En omgekeerd, wat Hij brandmerkte als „kwaad”, ook als „kwaad” gedoodverfd zijn in de werkelijkheid. Stel toch dit ware niet zoo, dan zou opeens des Heeren souvereine hoogheid omver liggen. Een ander zou Hem dan te sterk en te machtig afzijn. En terwijl Hij bepaald had: „Alzoo ligt het tusschen goed en kwaad!” zou een creatuur de hand tegen Hem opheffen en hoonend uitroepen: „Neen, maar alzoo!”

Toch, en hierop dient nu scherp gelet, kon God de Heere niet verhinderen, dat het redelijk creatuur in zijn hart of in zijn daad het goede verwierp en het kwade verkoos. Dat moest vrij gelaten. Niet uit zwakheid noch uit willekeur. Maar omdat het goede iets is dat gekozen en gewild moet worden, en er noch keus noch vrije wil is, indien het door physieken dwang gaat. |65|

Dat ware een soort Mahomedaansch fatalisme, waardoor alle zedelijk leven vermoord wierd, en waar onze vaderen steeds met zooveel nadruk tegen ingingen. Een zedelijke wereld zonder de mogelijkheid van val in zonde, ware geen „zedelijke” wereld, en om een waarachtige zedelijke wereld in het leven te roepen, moest dus aan het creatuur wel de macht gegeven, om in te gaan tegen wat God als „goed” had geijkt en te verkiezen wat God als „kwaad” had gebrandmerkt.

Maar (en hierdoor eerst handhaaft nu zijn Souvereiniteit zich tegenover dit zedelijk-vrije creatuur) als dit creatuur tegen Zijn ijk in koos, dan moest het ook uitkomen, dat het mis ging; schrikkelijk mis; en dat al zulk kiezen tegen God uitliep op onbeschrijfelijke ellende.

En dit nu is het, wat wij de „rechterlijke daad” des Heeren Heeren noemen. Hij schept zijn creatuur zedelijk; dies vrij; maar misbruikt het die vrijheid tegen het eeuwig goed in, dan moet het gevolg ook zijn, dat hij er een eeuwig kwaad mee beloopt, en dat Hij, die over dit eeuwig kwaad te zeggen heeft, nu blijkt dezelfde Souverein te zijn, die te zeggen had over wat kwaad was of goed.

Niet scherp genoeg kan dan ook de vermetelheid doorgestreken, waarmee zeer velen in onze dagen, dit als Rechter zitten in den Heere onzen God feitelijk wegcijferen. Om „recht” geven deze lieden in het gemeen weinig. Ze hebben van de pantheïstische philosofen geleerd, dat recht slechts een lagere vorm van zedelijkheid is, en durven nu beweren, dat het op de rechtvaardigmaking minder aankomt, als zij maar tot heiligmaking geraken. En ze zien niet in, hoe ze door zoo ongerijmd zeggen in steeds wijder kring ook het karakter van het heilige onzeker maken. Want natuurlijk, als het recht valt, dan valt ook de rechte scheidslijn, die wat heilig en wat onheilig is, uiteenhoudt.

Onze Catechismus doet uit dien hoofde goed, met rondweg de hier alles afdoende vraag te stellen: „Wil God zulk een ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?” en antwoordt hierop zoo beslist mogelijk: „Neen Hij, geenszins!” Een kort, snijdend bescheid, dat dan nader in dezer voege wordt toegelicht: „Maar hij vertoornt zich schriklijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen.” Immers het ontzettende woord duldt geen afdingen. Niets minder dan „vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet, dat hij dat doe!

Niet Rechter zijn, ware de zedelijke wereld prijsgeven; in de zedelijke wereldorde niet de opperheerschappij handhaven; en dus feitelijk de zedelijke levenssfeer in schriklijke onzedelijkheid zichzelf laten vernietigen. En daarom met wel Rechter te zijn handhaaft de Heere niet slechts iets voor |66| zichzelven, maar ook, en niet minder voor ons zedelijk karakter. Met een God die niet als Rechter zat, zonk het menschelijk creatuur opeens naar dierlijken stand.

Op elk terrein waarop onderscheid bestaat tusschen twee tegenover elkaar staande dingen, komt dit „rechter zijn” dan ook feitelijk vanzelf op. Leugen staat nu eenmaal tegenover waarheid, en daarom kunt ge niet hooren van iets, dat ge weet leugen te zijn, of ook gij wordt rechter in uw hart en zegt bij uzelven: „Die man liegt.” Schoon staat tegenover leelijk, en daarom kunt gij geen helderen starrenhemel aanzien zonder te oordeelen: „Dit is prachtig.” En ge kunt evenmin een liederlijke dronkaardstronie aanzien, zonder te oordeelen: „Dat is afschuwelijk.” Dat rechterlijk oordeelen doen we vanzelf, en zoodra er nu maar macht bij komt, geven we aan dit oordeel gevolg.

Is dit nu reeds zoo bij ons zondige menschen, wier besef zoo zwak, en wier oordeel zoo wrak en wier macht zoo nietig is, hoe ontzettend veel doordringender moet dan wel niet de onmiddellijkheid zijn, waarmee de heilige Heere, als met den polsslag van zijn eigen leven, deze inbreuk op het goede en edele en fijne en heilige en ware voelt, en hoe onwederstandelijk niet de alles voor zich uit stuwende AImachtigheid, waarmee Hij tegen dit kwaad ingaat en niet rust eer het doorboord is in het pit van zijn onheilige kern!

Lijdelijk aanzien; het laten geworden; en het laten uitzieken, is alzoo volstrekt onmogelijk. God moet Rechter zijn. Hij kan niet anders, dewijl Hij God is.


Hieruit nu ontstaat de schuld, en uit die schuld ontspringt de straf.

Schuld, in goeden zin, ontstaat niet eerst door de zonde. Ook vóór den val in zonde was het Adams schuld aan God, dat hij heel zijn aanzijn in teedere liefde aan zijn God zou wijden. Dit was hij aan zijn God schuldig. En als hij deze schuld nu maar gekweten had, zou alles wet zijn geweest. En eerst door dit niet kwijten van zijn schuld aan God wierd Adam, en elk mensch in en door hem, voor God in kwaden zin schuldig.

Dat ik iemand iets betalen moet, is op zichzelf volstrekt niet iets kwaads; zoo ik het dan ook maar betaal; en eerst door het niet betalen van een schuld die op mij rust, wordt die schuld mij zonde.

Men zie dus wel in, dat schuld op zich zelf niets uitdrukt dan de dure verplichting van een iegelijk mensch en zijn volstrekte gehoudenheid, om met heel zijn ziele en al zijn kracht in geestelijken zin heel Gods Wet na te komen. |67|

Dit stond niet aan ’s menschen believen, want daar schiep God hem voor; op dat beding schiep God hem; en in dat scheppen had God alles over u te zeggen. Ge ontstond naar en door zijn wil.

Men mag dus nooit zeggen, dat het al wel is, zoo de mensch er allengs toe komt, om Gods Wet te volbrengen; dat de Heere den wil voor de daad kan nemen; dat een mensch maar streven en pogen moet om verder te komen; en dat reeds een aanvankelijk begin van Wetsvolbrenging Gode lief moest zijn. Want dit alles zou wel doorgaan, zoo de mensch door zich zelf geschapen ware en nu zichzelven aan God gaf. Maar dit is zoo niet. God schiep u, en schiep u om u geheel, in alles en eeniglijk tot zijn dienst te hebben; en Hij schiep u zóó dat dit kon.

Schuldig aan God is de mensch dus, om van zijn eersten ademtocht en eersten polsslag af, en voorts aldoor, en tot in alle eeuwigheid, in elke levensritseling en elke levensuiting, ’tzij in gedachten, woorden of werken, volkomenlijk en zonder eenig verzuim of gebrek of tekortkomen, te beantwoorden aan dit hoogste zedelijk ideaal, dat Hij, de Heere als Souverein ook van zijn zedelijke wereldorde, zoo voor u als voor alle redelijk schepsel gesteld heeft.

En nu wordt dit niet aan u overgelaten, maat God neemt waar, of dit er alzoo en altoos bij u toe komt. En zoo er dit bij u niet toe komt, niet in alles en in elk opzicht er volkomenlijk toe komt, dan voelt Hij dit diep en tot in den wortel van zijn Wezen met al de heilige en oneindige fijne aandoenlijkheid van zijn goddelijke Natuur, en alzoo constateert Hij als Rechter uw schuld.

Het beeld van betalen, dat onze ouden hierbij veel bezigden, is dan ook volkomen juist, voor ieder verstaanbaar, en behoeft volstrekt niet, als te stoffelijk, om zedelijke waardemeter te zijn, afgeschaft.

Ook de aardsche rechter kent de boete, en de boete is niets anders, dan een waardemeter van een zedelijk vergrijp in geldswaarde. En nu stemmen we wel volkornenlijk toe, dat onze schuld voor God zelfs in geen oneindig groot van millioenen is uit te drukken, maar dat bedoelden onze ouden dan ook niet als ze van „betalen” spraken. Ze bezigden dan eenvoudig een derde van vergelijking, en bedoelden, dat, gelijk alle schuld onder menschen in geld omzetbaar is en in den eisch tot betaling haar klem heeft, dat zoo ook tusschen God en den mensch een verhouding van noodzaak bestaat, waarin aan God iets van den mensch toekomt, wat de mensch op geen manier aan zijn God mag onthouden.


„Gevolgen der zonde” is de meest algemeene naam, waarin men de werkingen van den goddelijken toorn pleegt saâm te vatten, en de eerste |68| ondervinding hiervan doen we op, in de wroeging en de zelfaanklacht van ons hart, als God ons in onze conscientie merken laat dat Hij tegen ons toornt. En reeds dit maakt inwendig zoo onbeschrijflijk ongelukkig. Hoe vaak dreef het de Kaïns niet tot zelfmoord uit?

Maar hierbij blijft het niet, want een onnoemlijk schriklijk gevolg van de zonde is voorts dat zonde zonde teelt. Gelijk gij het niet in uw macht hebt in een buskruitmagazijn één enkele kist in brand te steken, maar de eerste vonk terstond het vuur van zelf loopen doet en alles in woeste vernieling stuk doet springen, zoo ook is het in uw hart. Alle zonde is als vuur, en geen mensch heeft de gevolgen van zijn zonde in zijn macht. Zonde eens gepleegd geeft een hebbelijkheid, zet zich af in de neigingen van ons wezen, geeft zelfs op onze zenuwen en ons hersenvlies iets onnaspeurbaars, waardoor ze ons telkens prikkelen; en zoo wandelen we dan in de vlam en spranken die we zelf ontstoken hebben.

Dit is ook een ijselijkheid, maar het is zoo. De dronkaard weet het, en de wellusteling weet het, en de leugenaar weet het, en de dief weet het, en de driftkop weet het. Een zonde blijft nooit alleen.

Zeg dus nooit, dat de zonde alleen maar „gemis of ontstentenis van oorspronkelijke gerechtigheid” is, gelijk Melanchton en vele Lutherschen, en op hun voetspoor thans ook onderscheiden Neo-Kohlbruggianen leeren. Dat is ze niet. Wel is ze geen stof of kleefsel of toonbare kiem of baccil. Ze kan niets positiefs zijn. Dan immers had God ze moeten scheppen, of wij zouden scheppers in eigenlijken zin naast God zijn. Maar daarom is ze volstrekt nog niet een bloote ontstentenis. Neen, de zonde grijpt onze natuurlijke krachten aan, en die „krachten” kan ze wel niet dooden, maar die poogt ze om te zetten in richting, en op die wijs misbruikt ze dan wat God aan den mensch gaf om Hem te dienen, ten einde hij alsnu tegen God in woelen en strijden zou.

En dat is Gods bestel zoo.

De mensch moet het maar weten. Hij kon bij zijn God blijven. Hij moest bij zijn God blijven. Er was niet één enkele oorzaak, waarom Hij niet bij zijn God zou blijven. Maar bleef hij niet en viel hij af, dan zou de vonk ook in hem voortgloeien. Uit zonde zou altoos zonde komen, tot hij er zelf bang van wierd: Dit komt van den vloek, waaraan de meesten thans zeggen ontwassen te zijn, en dien ze met hun „goede voornemens” en met hun „edelaardig streven” bannen willen, maar God die rechtvaardig is, blaast in hun edelaardigheid, en bedekt met die voornemens en strevingen, gelijk onze ouden zeiden, niet hun vloek, maar de hel.


Zoo gaat de schuld dus door. Het is een oploopende reeks. Er is |69| geen stuiten aan. En het wordt alles één schuld, een ontzettende schuld waaronder de mensch bedolven raakt.

Schuld niet enkel voor zijn werkelijke, maar evenzoo voor zijn aangeboren zonde. Ge zijt met heel de menschheid uit éénen bloede, en ge staat dus aansprakelijk, o, let hier toch wel op, volstrekt niet alleen voor wat gij zelf zondigt, maar evenzeer aansprakelijk voor de gemeenschappelijke zonden van heel uw geslacht. God stelt zijn eisch niet alleen aan elk persoon persoonlijk, maar Hij heeft buitendien nog een machtigen levenseisch aan heel uw geslacht als één genomen. En die laatste schuld rust op allen saâm, en dus ook op u. o, Als Christus alleen maar een verzoening ware voor onze (persoonlijke) zonden, waar zouden we blijven?

Maar, God zij lof, Hij is niet alleen een verzoening voor onze (persoonlijke) zonden, maar ook voor de ons gemeenschappelijke zonden met de geheele wereld.

Ook een kind in de wieg dat zoo wegsterft, gaat dus niet vrij uit, maar ligt evenzoo in de schuld, en wordt evengoed alleen behouden door genade.

Erger nog, ook wat uw gezin zondigt, ook wat uw geslacht, ook wat uw land, ook wat uw kerk zondigt, dat gaat allen en dus ook u aan.

Zoo omringt u de schuld van alle zijden. Ze nijpt u de keel dicht. Ze doet u den levensadem in de longen terugkrimpen. Er is geen ontkomen.

En dan komen nog pas onze werkelijke zonden, en wacht u ook hierbij, lezer, voor misverstand. Want zie, daarover hoorende, denken vele menschen: „o, of ik nu al zonde in mijn hart uitdacht en voorhad, als ik het maar niet deed, dan wordt dat toch geen werkelijke zonde!” Maar dit is geheel valsch geredeneerd. Onder werkelijke zonde wordt alle zonde bedoeld, door u persoonlijk begaan, geheel daargelaten, of ge die zonde begingt op uw kantoor, op straat, in huis, of dieper nog in uw verbeelding, in uw overleggingen, met uw tong of met uw hart. Ja, „werkelijke” zonden zijn zelfs tal van onnoembare zonden, waaraan gij nooit dacht, en die ge dagelijks zonder de minste aanklacht van uw conscientie herhaalt. En dat in tweeërlei opzicht: vooreerst doordien er zooveel dingen zijn, waar gij geen zonden in ziet, en die gij acht dat er wel door kunnen, en die God toch zonde noemt. En ten tweede, al de breede reeks van zonden door onderlating, als er allerlei was wat uw hart en tong en hoofd en hand had moeten doen, en ge deedt het niet. |70|

En aan dit alles nu kleeft schuld. Want zonde zonder schuld is er niet, ook niet in het allergeringste. Dit gaat zelfs bij een kind van God door. Want wel mag een kind van God zeggen, dat al zijn zonden verzoend zijn, en het is onwaar wat Rome beweert en velen gedachteloos nazeggen, dat ook een kind van God nog wel straf zou lijden. Zulk zeggen richt de aflaat weer op, en is volstrekt ondragelijk. Een verzoend persoon kan geen straf meer lijden. Zoo min nu als eeuwig. Alle lijden voor hem is beproeving of kastijding. Maar, en dit vergeet men vaak, daarom kleeft ook aan zijn zonde nog wet terdege schuld. Onze ouden noemden dat „schuld die stikt,” omdat ze niet uit kan werken. Dat belet de Immanuël haar. Maar schuld is ze niettemin. Vandaar dan de zelfaanklacht, en vandaar dan tevens dat een kind van God in zijn lijden zoo vaak buiten het geloof raakt en zijn lijden weer als straf gaat voelen.

Die schuld, die aan alle zonde kleeft, is zelfs zoo doordringend en onuitwischbaar, dat reeds ééne kleine zonde door haar inklevende schuld heel een leven van heiligheid ontmunten zou.

Denk u, wat niet kan, we weten het wel, maar stel het eens; en denk u iemand die zeventig jaren oud geworden, al de dagen zijns levens in volkomen zuiverheid en onzondigheid had gewandeld, maar één enkele maal één kleine leugen had gezegd, — en die ondenkbaar vrome man zou door die ééne leugen toch voor eeuwig gemoord liggen.

„Die al de wet volbrengt, maar struikelt in één gebod, is schuldig aan alle geboden.” „Vervloekt is wie niet blijft in al wat de wet vraagt!”

Hecht dan ook niet te zeer aan het verschil tusschen „groote” en „kleine” zonden. Want ongetwijfeld bestaat dat verschil. Judas die Jezus verraadt en Petrus die hem verloochent, zondigen beiden, maar niet even zwaar. Zoo is ook nu nog moord erger dan diefstal, echtbreuk gruwelijker dan wellustzonden buiten echt. En de Heilige Schrift leert ons dan ook duidelijk, en het lot der volken toont ons, dat de „rechtvaardige Rechter”, gelijk de Catechismus zegt, „een rechtvaardig” oordeel zal vellen, toemetende schrikkelijker straf bij meerdere schriklijkheid van zonde.

Maar zoo iemand denken ging: „Nu, dan zal mijn lot nog altoos draaglijk genoeg zijn. Ik doodde niet en stal niet en brak geen echt. Onberispelijk is mijn wandel. En al mijn zonden zijn zoo van die kleine zondetjes!”, — wete zulk een dan wel, dat de lichtste straf voor de minste zonde, áltoos begint met een geworpen te worden in de buitenste |71| duisternis, en dat het zwaardere wat er voor erger zondaren bijkomt, altoos van dat naamlooze af rekent. 1)




1. Een getrouw lezer maakt de zeer juiste opmerking, dat in ons voorlaatste artikel ten onrechte gezegd wierd, dat de natuur van een nieuw ontvangen mensch door zijn ouders verdorven „wierd”. Bedoeld was, dat de overdracht der onreine natuur van elk kind door zijn ouders plaats heeft; en dit zou juister uitgedrukt zijn, zoo we geschreven hadden: „dat zijn natuur verdorven uit zijn ouders voortkwam.” God de Heere schiep de ziel rein en onzondig, maar om onzen val en schuld in Adam, kan deze ziel niet anders dan in onreine natuur uit onze ouders voortkomen. Daarentegen is het niet juist, dat eerst van de erfschuld en daarna eerst van de erfzonde had moeten gehandeld worden. Wie een Catechismus uitlegt is niet vrij, maar moet de orde van den Catechismus volgen, en in den Catechismus nu wordt in de Vragen 7 en 8 over de erfzonde, eerst in de Vragen 9 en 10 over de erfschuld gehandeld. Men lette hierop, wijl velen ten onrechte deze orde omkeeren. Wie buiten den Catechismus spreekt, is allicht helderder zoo hij de genetische orde volgt, maar onze Catechismus doet dit nu eenmaal niet.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001