Derde hoofdstuk.

Voorwaar, voorwaar zeg ik u: tenzij iemand wedergeboren worde uit water en geest, hij kan het Koninkrijk van God niet zien.

Johannes 3 : 3.


Toegekomen aan vraag 8 maakt menig Catechismusuitlegger en Catechismusprediker zich gereed, om alsnu te handelen „van de wedergeboorte”. Omdat er in het antwoord o.a. staat: „tenzij wij door den Geest Gods wedergeboren worden”, vergeet zulk een, dat de Catechismus hier nog altoos aan het bespreken van des menschen ellende is, en glijdt zoo op den klank af en zonder het zelf te bespeuren, naar een geheel ander onderwerp over. Zoo rukt men den Catechismus uit zijn verband en misbruikt hem als motto. Deze fout dient dus gemeden, en ook de 8ste Vraag uitsluitend opgevat als nog steeds licht spreidende over de ellende, waarin onze natuur door de zonde viel. Van die ellende handelde Vraag 6 bij tegenstelling, toen ze het heerlijke licht van het Beeld Gods liet schitteren, opdat de donkere schaduw van onze ellende er te dieper door zou uitkomen. Van die ellende handelde Vraag 7 door aan te wijzen, hoe onze natuur uit die heerlijkheid uitviel. En van diezelfde ellende handelt nu evenzeer nog Vraag 9, door ons te zeggen, hoe diep de zondaar door dien val wel zonk. Het gaat hier dus over de mate, over den graad, over de hoegrootheid van de verdorvenheid onzer natuur. Immers er wordt gevraagd: „Zijn wij dan alzoo verdorven, dat wij onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad?” en hierop geantwoord: „Ja wij, tenzij we door den Geest Gods wedergeboren worden.”

In deze droeve erkentenis ligt een der hoofdpunten van zuivere belijdenis. Wie dit ontzettende antwoord in al zijn strekking beaamt en in al de noodwendige gevolgen, ook in de toepassingen, die er uit voortvloeien, gelden laat, die is een goed Gereformeerd Christen; terwijl omgekeerd in de kleinere of grootere afwijking van dit zuivere en rechte spoor de oorzaak van alle stelselmatige en practische ketterij onder Pelagianen en Arminianen ligt. |51|

Het komt hier namelijk aan op een juiste kennis van den mensch, gelijk hij door de zonde wierd, en wel bepaaldelijk op de uiterst gewichtige vraag, of er in een zondaar al dan niet nog eenige macht overbleef om uit zijn val weer op te staan. God de Heere schiep hem in den hoogen staat der rechtheid; uit dien staat viel hij uit; in dien val mag bij niet blijven liggen; en zoo komt het er dus maar op aan om te weten, of hij zelf, door eenige macht die zijns bleef, uit dien val zich weer kan oprichten. Of om het korter te zeggen: „Bleef er in dien zondaar nog een vrije wil over om zich weer tot God te bekeeren?”

Op deze vraag nu moet, naar luid van Gods Woord, in beslist ontkennenden zin geantwoord. Zoolang een zondaar nog in zijn val ligt, d.w.z. zoolang hij niet wedergeboren is, ligt hij in zijn ellende ter neder, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, en moet hem dus alle macht en elk vermogen, om zich uit zich zelf weer op te richten, in volstrekten zin ontzegd worden. Maar dit antwoord is hard. Het stoot af. Het schijnt zelfs aan alle opvoeding en vermaan den bodem in te slaan. En omdat het bovendien op schriklijke wijs ’s menschen hoogmoedigen aard steekt, is er letterlijk geen vondst onuitgedacht gebleven, en is men voor geen enkele verdraaing van den zin der Heilige Schrift uit den weg gegaan, om toch maar, op wat manier dan ook, iets op die volslagen failliet-verklaring van den zondaar af te dingen. Niet alles, o neen, maar iets kon de zondaar dan toch nog wel. Niet zelf uit het water weer op het droge komen. Verre van dien. Zeer stellig moest er een Verlosser zijn die aan den drenkeling zijn hand toestak. Maar roepen om hulp, en als de Redder kwam en zijn reddende hand toestak, die hand met zijn hand omklemmen, en er zich zoo laten uittrekken, dat kon de zondaar toch nog wl. o, Men wilde zoo veel, bijna alles aan den Verlosser laten, alleen maar dat ne kleine iets, dat moest voor den mensch zijn.

En daartegen nu komt de Gereformeerde belijdenis in dit Antwoord op, en zegt niet andere woorden: Neen, het is niet zoo, een zondaar in zijn val roept niet om een Redder, maar stopt omgekeerd zijn ooren dicht als zijn Redder tot hem roept, en wel verre van de hand, die hem wordt toegestoken aan te grijpen en te omklemmen, slaat hij die af, als ze hem bij het kleed grijpt, om hem op te trekken.

Niets, volstrekt niets geeft de Catechismus u van zulk een iets dat de zondaar nog hebben zou dan ook toe; maar integendeel belijdt hij, dat de zondaar in zijn val veeleer elke poging tot zijn redding zoekt te verijdelen. Als hij wedergeboren is, o, natuurlijk dan wordt alles geheel anders. Maar zoolang dit niet het geval is, dan werkt hij noch voor noch mee, maar onverbiddelijk tegen. Tot alle goed onbekwaam, terwijl hij tot |52| alle kwaad geneigd is. En al wat men bazelt van aspiratin en neigingen en verzuchtingen, het moet al vallen voor het stellige aoostolisch zeggen: „Daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der Wet Gods niet; want het kan ook niet.”


Intusschen hoe stellig de Heilige Schrift ons van Godswege deze volstrekte dood en verdorvenheid van onze natuur ook betuige, toch rijzen er tegen dit schriklijke en ontzettende stuk allerlei bedenkingen, waar men niet over heen mag loopen. Of erkent dan, zoo vraagt men, niet n onze Confessie n zelfs de Synode van Dordrecht in haar leerregels, dat er toch nog wel iets goeds in den mensch is overgebleven, en is door onze Gereformeerde vaderen, niet juist op grond der Heilige Schrift, steeds ten ernstigste geprotesteerd tegen de Luthersche voorstelling, alsof de zondaar in zijn val als „een stok of blok” voor den grond lage. En natuurlijk dit stemmen we voetstoots toe. De Confessie spreekt in Art. 14 van „eenige kleine overblijfselen” en de Dordsche leerregelen gewagen evenzoo van „eenig licht der natuur dat ook na den val in den mensch is overgebleven,” en de Luthersche dwaling, die enkele Neo-Kohlbruggianen thans wer ten onzent deden insluipen, als waren we door de zonde als stokken en blokken geworden, kan op grond van onze belijdenis niet ernstig genoeg weerstaan. Als ik een „stok” of „blok” wil aangrijpen, kan zulk een „stok” of „blok” zich niet tegen mij verzetten, en juist dat doet een zondaar, als de Heere hem aangrijpt, wel.

Om dit nu recht te verstaan moet men teruggaan op het Beeld Gods en zich recht duidelijk maken, in hoeverre dit Beeld Gods wel en in hoeverre het niet te loor ging. Toen God de Heere ons naar zijn Beeld schiep, schiep Hij ons werkelijk naar zijn Beeld, en drukte Hij niet, na ons eerst buiten of zonder dat Beeld geschapen te hebben, er later dat Beeld op. Neen, ons wezen zelf is naar Gods Beeld geformeerd en tot aanzijn geroepen, en naar datzelfde Beeld is aan ons menschelijk wezen ingeschapen onze menschelijke natuur. Nu heeft de zonde wel die natuur, maar niet dat wezen aangetast. Ook de zondaar is mensch gebleven, en van de grondtrekken van het menschelijk wezen is er niet een enkele door den val te loor gegaan, en zal er zelfs in de het nooit n enkele uitslijten. Ook de rampzaligen in de plaats der verdoemenisse zijn en blijven menschen. Ontaarde, verbasterde, geheel verdorvene menschen; maar menschen dan toch; menschen van gelijke beweging als Adam was. Gelijk ge in een vergiftigd mensch, die aan de gevolgen van een zware vergiftiging onder de vreeselijkste verwringingen stierf, nog evenals bij het gezondste mensch dat ge u denken kunt, een lever en een hart en longen en een |53| milt en nieren, hoe ook verwrongen weervindt, — zoo zijn ook in een zondaar nog altoos al de deelen van een menschelijk organisme overgebleven. Het wezen en de grondtrek is er nog, en evenzoo werken in hem nog al de krachten die er oorspronkelijk in hem gelegd waren. Maar, en hier komt het nu op aan, die werking van krachten in den zondaar, of korter gezegd, zijn natuur, die is geheel verdorven en in haar tegendeel omgezet, precies evenzoo als bij zulk een vergiftigden mensch de werking van het vergiftigde bloed hem niet behield, maar juist verdierf.

En hierop nu kan niet ernstig genoeg gelet. Als iemand met een stoomzaag werkt en die zaag trekt goed, dan geeft die zaag hem brood; maar springt die stoomzaag plotseling uit de schroeven, en treft ze hem, dan brengt ze hem den dood. Had hij, op het oogenblik dat ze lossprong, de machine maar tot stilstand kunnen brengen, dan ware het zoo ver niet gekomen. Maar dat kon hij niet. De machine liep toch door. En in dat toch doorloopen van de machine, drin juist lag zijn dood. En zoo nu ook is het bij den zondaar. Had hij, op het oogenblik dat hij viel, de „machine van zijn natuur,” als we zoo zeggen mogen, maar tot stilstand kunnen brengen, dan ware het zoo ver niet met hem gekomen. Maar dat juist kon hij niet. Zijn natuur bleef (nu in verkeerde richting), toch aldoor werken, en nu was het juist deze niet te stuiten werking van zijn eigen natuur die hem al schrikkelijker verdierf. Als iemand sterft, schijnt het wel dat zijn lichaam nu alle werking verliest. Maar dit is niet waar. In het lijk beginnen op staanden voet zeer ontbindende krachten te werken, en die giftige gassen en het wriemelend gedierte in het lijk brengen straks het vreeslijkst bederf te weeg. En zoo nu ook ging het bij den zondaar toe. Ook hem overkwam de dood, niet alsof hij nu opeens een blok steen of een marmeren beeld wierd. Neen, neen, maar de werking van zijn natuur bleef aldoor ook in dien dooden zondaar werken, en daardoor wierd het bederf en verderf zoo schriklijk.

Dit nu echter, dat de mensch ook na zijn val zijn wezen als mensch en dus ook in dat wezen een schaduw van Gods Beeld behield, is door de Pelagianen en Arminianen aangegrepen, om hieruit weer zekere macht tot vrije wilskeus in den mensch op te bouwen. o, Wat ze zich niet op die „vonkskens” en die „kleine overblijfselkens” geworpen hebben! En dat deden ze vooral zoo ze te doen hadden met lieden die overigens in de Confessie vreemdelingen waren, en die dus niet wisten, hoe er in de Confessie bij staat, „dat de mensch in al zijne wegen goddeloos, verkeerd en verdorven is geworden en al zijne uitnemende gaven verloren |54| heeft”, en hoe in de Dordtsche leerregels wierd beleden: „dat de mensch door dit overgebleven natuurlicht nooit tot zaligmakende kennisse van God of tot bekeering van zich zelf kan komen”; terwijl omgekeerd met zoovele woorden verklaard wierd, dat deze vonkskens alleen bestonden: „in eenige kennisse van God en van natuurlijke dingen, van onderscheid tusschen eerlijk en oneerlijk, en van eenige betrachting tot de deugd en uiterlijke tucht.”

Maar hierme zijn we dan ook op het spoor van de rechte onderscheiding. Ware de mensch door den val een dood stuk steen, een stok of blok geworden, dan kon er van geen wedergeboorte of verlossing ooit sprake meer zijn. Ook uit steen kan God Abraham wel kinderen verwekken, maar dan zijn het nieuw geschapene, geen wedergeboren personen. En ook een stok of blok kan geen rampzaligheid dragen. Een blok heeft geen schuldgevoel. De worm die niet sterft en het vuur dat niet uitgebluscht wordt, raakt er het wezen niet van. Om den mensch alle verontschuldiging te ontnemen en om verlossing mogelijk te maken, schiep God hem dus alzoo, dat hij, zoo hij viel, toch deze „vonkskens” overhield. Maar zoo zeker als hij deze „kleine overblijfselen” in zich hield, even zeker is het ook, dat deze kleine overblijfselen nooit tot iets geestelijks of wezenlijks kunnen strekken.

Door de zonde sloot bij den hemel voor zich af en sloot hij zich op in deze wereld van het zichtbare, en in die wereld van het zichtbare, o, ja, daar brengt hij het met die kleine overblijfselen nog soms heel ver. Maar z waagt hij het niet, om uit die in zonde besloten wereld uit te komen, en weer verband met zijn God in die onzichtbare dingen te zoeken, of bot slaat alles terug. Dan kan hij niets, volstrekt niets meer. Over dien oceaan legt geen van de „kleine overblijfselen” van zijn scheepke hem een brug. Eens voer hij op dat scheepke naar de overzij. Maar nu dat scheepke stuk sloeg, doen de planken van het wrak hem nog wel dienst om over greppels en slooten te kruipen, maar over den Oceaan brengen ze hem niet meer.

Dat is afgesneden. En zoomin iemand met zijn handen naar den hemel kan reiken, kan hij dat onzichtbare meer grijpen. Tegenover dit geestelijk en onzichtbaar Koninkrijk staat hij volslagen machteloos.

„Goed” doet hij nog veel, op allerlei manier, maar zooals een hond ook goed doet, die een bijna verdronken kind nog uit het water haalt. Allerlei „goed” deden de heidenen. Wat prachtige voorbeelden van trouw en standvastigheid leverden ze ons niet. En nu nog wat ontmoet ge niet tal van lieve, vriendelijke, deugdzame menschen, aantrekkelijke modellen in hun soort! Maar, en dit is onze jammer, dit goed is altemaal een „goed” |55| zonder geestelijken wortel. Voor de aarde „goed” genoeg, maar niet „goed&#!48; voor God en naar de weegschaal van zijn heiligen hemel. Want zoodra het op zulk „goed” aankomt, dan ziet ge juist zulke „goede” menschen het vlijmendst bitter worden. juist bij „brave” zondaars vindt ge de sterkste vijandschap. De hoeren en de tollenaars, sprak de Heere Jezus, gaan hun nog voor in het Koninkrijk van God.


Tot al zulk „goed” dat als geestelijk goed waardij voor God heeft, is een gevallen mensch volstrekt onbekwaam. Onbekwaam om iets „goeds” in dien wezenlijken zin te bedenken, om iets „goeds” in dien geestelijken zin te doen, en zelfs om het te willen. Men moet dus niet zeggen: een gevallen mensch wil wel opstaan; maar hij kan niet. Neen, hij wil niet. Hij wil integendeel blijven liggen en nog dieper zinken, en als iemand hem op wil helpen, roept hij: Blijf van mij af.

En hierme is dan ook opeens de vraag van „den vrijen wil” toegelicht.

Heeft een zondaar geen wil? Zeer zeker. Maar evenals hij nog een verstand heeft, maar een bedorven verstand, zoo heeft hij ook nog wel een wil maar een wil die bedorven is. Bedorven niet in dien zin, alsof hij met zijn wil nu niet meer „willen” zou. o, Gewisselijk, als een boos mensch Gods volk lastert, tegenstaat en vervolgt, dan wil hij dat wel degelijk, dan is dat zijn toeleg en zijn doel. Maar hier zit het bedorvene in, dat hij nog wel met vrije wilsmacht het kwade kan willen en wil, maar dat hij de macht verloor om met dienzelfden wil, zoolang God hem niet wederbaart, evenzoo het geestelijk goede te willen. Dat kan hij niet meer. Van die gave is hij beroofd.

Het is er even me als met het verstand. Een zondaar heeft nog zijn verstand wel; want dit missen alleen de krankzinnigen. Maar terwijl dit zijn verstand nog volkomen geschikt is om aardsche dingen in te denken, en vooral scherp is, om slechte dingen in te denken, wierd het onmachtig om in te denken of te bedenken eenig geestelijk goed.

Daartoe is hij te verdorven.

In den staat der rechtheid trok zijn verstand en zijn wil juist naar het geestelijk goed, en bezat hij alleen de bloote mogelijkheid, van ook het kwade te kunnen willen. Een wedergeboren mensch ontvangt den trek om het geestelijk goed weer terug te willen, al bestaat nog de mogelijkheid dat hij tegen zijn wil het kwade doet. In den hemel zal een kind van God alleen het goede willen en doen kunnen. Maar in den gevallen staat wil hij en kan hij alleen willen het kwade, terwijl het goede werktuiglijk en onwillens bij hem tot stand komt en dus hm niet nut.


En ten einde nu deze volstrekte onmacht om eenig geestelijk goed ook |56| maar te bedenken of te willen, recht sterk en duidelijk uit te drukken, zegt de Catechismus, dat het eenige, waardoor een zondaar uit deze verdorvenheid weer kan worden opgericht, bestaat in de wedergeboorte. Zoolang die er niet is, kan hij het Koninkrijk van God zelfs niet zien, laat staan er naar grijpen. „Zonder mij,” sprak de Heere Jezus tot een gevallen zondaar, „kunt gij niets doen!”

En overmits nu een kind volstrekt niets toebrengt of kan toebrengen aan zijn geboorte; en dus ook een zondaar in de wedergeboorte (niet in de bekeering) volstrekt lijdelijk is, zoo drukt juist dit zeggen: „tenzij we door den Geest Gods wedergeboren worden”, zoo scherp en beslist en volstrekt mogelijk uit, dat er in een gevallen mensch zelfs geen ritseling of beroering ten leven mogelijk is. Wie dood is, roert zich niet. En niet voor, maar eerst na het geboren of wedergeboren zijn komt de eerste kreet van het leven.

Hierme liggen de dusgenaamd drie staten dus onherroepelijk omver. Er zijn niet doode en levende zondaars en dan nog half-levende bovendien. Staten zijn er maar twee: f nog geheel en volstrekt dood, f reeds levend, al is het ook dat dit nieuwe leven nog slechts de bekommering in de ziel gaande maakt. Als een waarachtig bekommerde morgen den dag sterft, gaat hij regelrecht ten hemel in; en omgekeerd als het geen waarachtige droefheid naar God in hem was, zal al zijn bekommering hem zelfs geen kriezel gruis aan Sion geven, al kommert hij ook kommerlijk tot aan zijn dood.

Voorbereidende werkingen voor het geloof zijn in den persoon van den zondaar dan ook ondenkbaar. Die kunnen er in een zondaar niet zijn. Wel allerlei voorbereidingen om hem en over hem en buiten hem, maar niet in hem. Aan het zaad gaat niets vooraf. Zelfs geen vezeltje. Geploegd, gemest, besproeid, uitgesteend kan ja, de akker vooraf worden, maar eerst met het invallen van den zaadkorrel in de open voren komt de eerste mogelijkheid van leven.

Men misleide dus noch zich zelven noch anderen. Alzoo, in die mate, is onze menschelijke natuur verdorven geworden, dat er wel nog eenige geschikte werking van verstand en wil voor dit zichtbare in haar is, maar niet voor het onzichtbare; ja, dat de werking van verstand en wil, al verhoedt God veel door tegenhoudende genade, altoos neigt en helt naar het kwaad. Ja, z bedorven, dat, zal er iets voor den Heere uit worden, des zondaars bedorven geest juist geheel moet gebonden, opdat niet zijn geest, maar de Geest van God dit heerlijk werk in hem aanvange, doorzette en volbrenge.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001