Tweede hoofdstuk.

Daarom, gelijk door nen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.

Rom. 5 : 12.


Als dan God de Heere den mensch in zoo hoogen stand schiep, hoe komt het dan dat hij feitelijk zoo laag staat? De heerlijke, heilige God schiep hem naar zijn eigen goddelijk beeld, en zie, hoe dieper ge in het hart van den mensch indringt, hoe meer alles u overtuigt van een innerlijke verdorvenheid. Vandaar de zoo voor de hand liggende vraag: „Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard des menschen?” Er bestaat nu eenmaal op aarde onder menschen schrikkelijke ongerechtigheid en zonde; dat kan niet uit God zijn; vanwaar is dit ontzettend kwaad dan?

En hierop nu antwoordt de Heidelberger niet met bespiegeling, maar met de verwijzing naar een historisch feit. Houdt dit vast, en ziet wel toe, dat ge u door de ethische dwaling niet verlokken laat, om het historisch karakter van dit feit prijs te geven. Men stelt het u zoo verleidelijk voor. „Vrees niet”, zoo fluistert men u in de ziele, „dat we ook maar eenigszins afbreuk zouden willen doen aan de waarachtigheid van deze zaak. Integendeel ook wij belijden van harte, dat er een val moet geweest zijn. Ook ons is deze gebeurtenis dus historie. Alleen maar voor ons is ze hoogere historie. Een historie te hoog om in het kleed van zulk een kort verhaal gehuld te worden. En dus, wij gelooven wel niet, dat deze Adam er zoo was, en dat die boom er zoo stond, en dat die slang bekoorde, en dat toen in verstaanbare woorden alzoo tot Eva gesproken is, maar overigens de zaak als zaak wordt er ons slechts te vaster door!” En dat zoo hoorende laat meer dan n zich mesleepen. Ook bij prijsgeving van den vorm behoudt hij dan immers de zaken toch. Maar zie toe, deze ethische begoocheling is niets dan toepassing op de geschiedverhalen des Bijbels van een valsch-wijsgeerige opvatting van het verband tusschen idee en werkelijkheid. Eens dien weg op, raakt ge af van alle historie, en eens van de historie af, spatten straks ook deze schoone mythen als zeepbellen voor u uiteen.

Torn er dus zelf niet aan, en duld niet dat uw leeraars er aan tornen. Wat in Genesis III verhaald wordt moet u werkelijk feilloos verhaal van alzoo gebeurde zaken blijven, of ge zijt weg. |45|

De oorzaak van het kwaad dat in de wereld kwam ligt dus voor wat ons menschen aangaat in twee personen, die voor lange eeuwen geleefd hebben, en die u met name genoemd worden, in een man die Adam en eene vrouw die Eva heette. Over de schuld spreken we nu nog niet. Die komt pas in Vraag 9 aan de orde. Hier wordt nog alleen naar de oorzaak onderzoek gedaan. En als vrucht van dat onderzoek belijdt nu de Catechismus, op grond van Gods Woord, dat de oorzaak niet in God en ook niet pas in ons, persoonlijk, ligt, maar dat de oorzaak in den mensch valt aan te wijzen, en dat wel reeds in den eersten mensch. De mensch kwam zuiverlijk uit de hand die hem schiep, maar, nauwlijks geschapen, is reeds de eerste mensch de beste terstond van zijn God afgegaan.

Of er nog eenige aanmerkelijke tijd tusschen zijn schepping en zijn val verloopen zij, weten we niet. Vermoed mag, dat er althans gedurende eenige dagen genieting van paradijs-zaligheid zal geweest zijn, opdat de keuze die te doen stond, met heldere bewustheid zou plaats hebben. Maar ook, dat het tijdverloop slechts kort is geweest, en nog tot geen bevestiging in eigen staat geleid had. Eenige tijd dus; want ook de schepping van Eva ligt er tusschen; en toch een korte tijd, want aanstonds gaat het verhaal verder.


Wat nu bij Adam en Eva plaats greep was een val. Hoe dit met het beeld Gods samenhangt hoort weer niet hier, maar bij een latere Vraag. Thans komt alleen de val als zoodanig ter sprake.

Val nu duidt niet aan „afval”, maar een val van boven naar beneden, van hooger naar lager, en ziet dus op den stand waarin de mensch eerst stond, en van waar hij nersloeg. Hij was door zijnen God ontzaglijk hoog geplaatst, op den hoogsten stand onder alle schepselen, en uit dien stand viel hij nu uit. Hij stond, viel en lag machteloos neder. Er is dus geen sprake bij Adam van een enkele, op zichzelf staande en ras voorbijgaande overtreding, maar van een grond-overtreding, een wortel-zonde, een zich vergiftigen in zijn levensbeginsel. Hij kon niet zoo eens even een enkele zonde begaan, en dan zijn loop in heiligheid weer voortzetten, maar zoodra hij ook maar n enkel oogenblik zonde beging, was het gaan in heiligheid opeens en voorgoed uit. Ge kunt een bloem niet eens even, een oogenblik, van den tak afknippen, om er die terstond daarna weer op te zetten en ze dan te laten voortbloeien. Eens er af is altoos er af, en de bloem is voor altijd weg. En evenals die bloem nu, zoo bloeide ook de mensch niet uit zichzelven, maar al zijn kracht en levenssap en tint optrekkend uit zijn God. En |46| zoodra de mensch nu ook maar heel even de bloem zijner ziel afsneed van den wortel dien hij in zijn God had, kn hij niet een oogenblik daarna er die bloem zijner ziel weer opzetten, maar was en bleef die er af en moest die voor altoos verdorven. Een eens afgesneden bloem moet, ook al houdt gij ze nog een tijdlang in uw hand, ook al plaatst ge ze nog een tijdlang in een vaas, in het eind toch op den grond terecht komen. Als de verwelking zich openbaart werpt men ze weg.

Adams val beduidt dus, dat God Adam schiep opdat hij, vast aan zijn God verbonden, geen oogenblik van Hem af zou gaan, om eeuwig op den wortel van het goddelijk leven te bloeien; maar dat Adam het nu onderstaan heeft, om eens n enkel oogenblik op zichzelf te willen staan; dat hij om dat te kunnen, zich afsneed van zijn levenswortel; en nu onmiddellijk en op hetzelfde oogenblik van het leven in den dood viel, ook al bleef hij evenals een afgeknipte bloem, nog een tijdlang geuren.

Over de hoegrootheid of kleinheid van Adams zonde behoeft dus geen geschil te ontstaan. Of ik een bloem met veel geweld van haar tak rk, of, o, zoo fijn en met een gepolijst mes zacht afsnijdt, doet niets aan den val af. Hoe ook afgesneden, is een afgesneden bloem toch altoos dood. En zoo nu was het ook bij Adam. Grove of fijne zonde kan hier het verschil niet maken. De eenige vraag was maar, zondigde hij of niet?

Daarom wijst de Catechismus in de tweede plaats op Adams ongehoorzaamheid. Ongehoorzaamheid toch, dt en dt alleen is de zonde. „Zonde,” zegt de heilige apostel Johannes, „is de ongerechtigheid”, d.w.z. God heeft als souverein Gebieder voor alle ding een wet gesteld. Zulks te doen is zijn recht, en zals Hij dat doet of deed is het recht. Gaat men daartegen in, dan gaat men dus niet alleen in tegen dat recht, maar tegen den Heere zelven en tast Hem in zijn Souvereiniteit, d.i. in zijn Godzijn aan. Nu God eenmaal ingesteld had: „Van die vrucht zult gij niet eten”, nu hing aan die ne boomvrucht al de majesteit des Heeren Heeren. Bleef Adam er van af, dan liet hij aan God zijn majesteit; maar ook onderstond hij het, er toch de tanden in te zetten, dan schond hij met dien beet, willens en wetens en ontzettelijk de eigen majesteit van den Heere zijn God, en schoot er uit die boomvrucht op het eigen oogenblik in zijn hart een doodelijke vonk die hem vernielde.

Zonde is dus niet een lagere ontwikkeling, maar een stellen van zijn ik tegen God, van eigen hoovaardij tegen zijn majesteit, van eigen wilsbeschikking tegen zijn raaad en wet en recht. De eerste zonde de beste was derhalve: opeens heel God den Heere op zij dringen, en daarom moest de zonde terstond gestuit en de zondaar terstrond bij de keel gegrepen, of God ware geen God geweest. |47|

Dat deze zonde aan een proefgebod uitbrak, bracht dit tot nog zuiverder beslissing. Immers Adam stond van het eerste oogenblik zijner schepping af met God in verbond. Hij was maar niet in het paradijs geplaatst om lustwandelingen in den hof van Eden te gaan houden en zich te baden in idyllisch genot. neen, bij zijn schepping zelve le de Heere op Adam een band, en verbond Hij zich wederkeerig aan zijn schepsel. Dit was het Werkverbond; waarme niet bedoeld is zekere vormelijke verbondssluiting, gelijk dit onder menschen geschiedt; maar ’t welk aanduidt, dat de mensch onder een rechtstreeksch verband en toch vrij tegenover zijn God stond, en deze positie aanvaardde. Vrij onder verband staan is nu wat wij menschen een verbond noemen, en overmits er nu van „genade” bij den nog onzondigen mensch uiteraard geen sprake kon vallen, zoo moet dit wel een „Werkverbond” genaamd; een verbond om uit eigen ter beschikking ontvangen kracht te werken, en als loon voor dit streven den prijs te verwerven van een leven dat eeuwig zou zijn. Wel terdege stond Adam dus onder een zedewet en was hem alle wet en recht des Heeren ingeprent, loopende naar geheel dezelfde lijnen, die straks op Sina getrokken werden in de tien geboden van de Wet. En ware er dus geen proefgebod bij gekomen, dan zou Adam vermoedelijk langen tijd kunnen geleefd hebben, zonder ooit in botsing te komen, zoodat toch het eigenlijke fijne puntje, waar het tusschen zijn God en hem op aankwam, nog altoos onuitgemaakt bleef. Dit voelt men toch immers wel, dat een kind zeer lang met zijn vader of moeder kan verkeeren, zonder dat het vooralsnog tot een punt komt, dat zijn vader voor hem of hij voor zijn vader moet buigen. Zoolang toch de bevelen van zijn ouders hem aanstaan, in zijn gevlei komen, en hem vrucht dragen, ontbrandt zulk een innerlijke strijd nog niet, en die strijd openbaart zich eerst dan, als er een bevel komt, dat hem in de nieren prikkelt. Ware het dus bij de zedewet gebleven, dan zou n om het loon des levens, n uit eigen aandrift, lang door Adam naar de wet kunnen geleefd zijn, en dat hij toch nog niet op het beslissende punt betoon van trouw aan zijn God had gedaan. En daarom nu komt er dit proefgebod. Hier stond geen loon op. Dit was niet ingeprent. Dit prikkelde wel om er tegen in te gaan. En zie, nu moet, nu eerst kan het uitkomen, of Adam voor God zwicht of wel verlangt, dat God zal zwichten voor Adam. En nu valt hij, en nu is daarom juist zijn val tevens principiele afval van en opstand tegen de souvereiniteit des Heeren.


Doch hierbij blijft het niet. Toen Adam viel en zijn hand tegen God ophief, zegt de Catechismus, deed dat iemand die ook u aanging, want die man, die dat deed, was uw voorvader, en wel uw eerste voorvader. Toen |48| hij viel, vielt dus ook gij; want die eerste voorvader had van God een wezen en in dat wezen een natuur ontvangen, en nu bleef dat wezen wel onaantastbaar, maar die natuur was de levensaard in hem, en die moest natuurlijk terstond een wijziging ondergaan, zoodra hij zijn God losliet en dies viel. In een afgesneden bloem gaan de sappen opeens anders werken. Wat eerst deed bloeien doet thans verdorren, wat geurde geeft thans stank. En zoo was het ook hier. Adam kon niet zeggen: Ik zal zondigen en er mijn natuur buiten houden; want die zondige daad was een keer dien hij aan zijn leven gaf, en zooals dat leven liep, liep zijn natuur. Zoo wierd dus zijn natuur zelve door dit zondigen anders gekeerd, anders gewend, en begon het leven anders in haar te werken. En overmits nu ook deze verandering van den loop van het leven in hem, op verwelking en verdorring en versterving ging, zegt de Catechismus dat zijn natuur (niet zijn wezen) wierd verdorven. Dat had Adam natuurlijk niet bedoeld. Hij achtte dat het mogelijk zou zijn, om zijn natuur niet alleen te houden zooals ze was, maar zelfs ng krachtiger en rijker te maken. Hij had gedroomd van een als God wezen! Ng heerlijker dan God hem schiep, of zooals hij anders eerst na een lang aanzijn van inspanning door Wetsvolbrenging in het eeuwige leven worden zou. Maar dat alles was schuldige illusie geweest, en eer integendeel sloeg Adams natuur in verderf om.

Een menschelijk lichaam moet aan de ziel verbonden zijn. Deze twee moeten n zijn. Dan leeft het lichaam en bloeit. Maar snijdt ge dien band die het lichaam aan de ziel bindt door, dan, valt opeens het lichaam plomp neder. En dat niet alleen, maar ook het gaat nu aanstond anders werken; niet meer organisch, maar dynamisch; en voor gezondheid en bloei krijgt ge verderf en ontbinding. Het lichaam wierd lijk. Het is dus niet zoo, dat het lichaam, afgesneden van de ziel, wel niet meer bloeit, maar dan toch blijft wat het was. Neen, dat kan niet. De krachten die er in zijn blijven toch aldoor voortwerken. Alleen maar nu die krachten van de ziel zijn afgesneden, werken ze anders, en doordat ze anders werken, vernielen ze nu, ontbinden ze, brengen ze verderf.

En zoo nu is het ook met de zonde. Evenals het lichaam aan de ziel behoort gebonden te zijn, zoo behoorde Adam verbonden te zijn aan God. Maar nu snijdt hij boo slijk dien band door. Gevolg is dat hij nu evenals een afgescheiden lichaam valt. Maar wel verre er vandaan dat nu de krachten in Adam stil zouden blijven, werken ze toch door. Zijn natuur kan niet stil zijn. Die werkt op. Maar terwijl die werking van zijn natuur nu eerst bloei en tier gaf, brengt diezelfde werking thans verdorring en verderving over hem; en de verdorven natuur in hem werkt 41 verdervend voort. |49|

Hadt gij, had ik, hadden alle nakomelingen van Adam, nu buiten hem om, opnieuw uit Gods hand, een nieuwe menschelijke natuur kunnen aannemen, dan natuurlijk zou onze natuur bij onze geboorte wer zuiver zijn geweest, en had het aan ons gestaan, om op onze beurt ook onze natuur te verderven. Ware het dus Godes bestel geweest om achtereenvolgens alle menschen, die Hij ten leven bestemd had, opnieuw, rechtstreeks, evenals Adam te scheppen, dan zou er geen overerving van zonde hebben bestaan. Maar dit was Gods bestel niet. Zijn bestel was, dat er niet een hoop op zichzelf staande wezens zoude ontstaan, maar een menschelijk geslacht; allen uit nen bloede; n menschdom; als men wil n stam der menschheid, waaraan alle volken als takken en alle gezinnen als twijgen en alle personen als bladeren zouden zijn. Zoo ontving dus elk mensch na Adam zijn menschelijke natuur niet rechtstreeks van God, maar van God door Adam. En overmits Adam nu geen reine natuur meer had, kon hij noch Eva meer een reine menschennatuur aan het geslacht medeelen. Adam was de eikel, maar heel de eikeboom inzat en uit op zou schieten, in den wortel benedenwaarts, en in stam en takken opwaarts. En daarom, zooals de natuur in Adam was, zoo ook kwam ze in „al zijn nakomelingen.”

Toch stelle men dit ook weer niet verkeerd voor. Wat de godgeleerden het Traducianisme noemen leidt ons op een dwaalspoor. De vraag is namelijk: Wordt ook de ziel (evenals ons lichaam) geboren uit de ziel van onzen vader en van onze moeder? En nu zeggen velen hierop ja; en stellen het voor, alsof dus uit die zondige ziel van vader en moeder ook niet anders dan een zondig zieltje in het pasgeboren wicht kan voortkomen. Met dit Traducianisme mogen we intusschen volstrekt niet meegaan. Vooreerst niet, omdat een ziel niet deelbaar is, en er dus uit de ziel van de ouders geen nieuwe ziel kan worden afgezet of ook uit een deel van vaders ziel en moeders ziel gemengd. God de Heere schept de zielen, en Hij doet het rechtstreeks, en juist omdat Hij dit rechtstreeks doet en dus elke ziel rein en onzondig schept, is elke ziel voor Hem verantwoordelijk; wat ze anders natuurlijk niet zou zijn. En ten tweede: zonde is geen giftstof, die als een vocht of stof of ether in een stoffelijken vorm over wordt geplant. Zonde is iets geestelijks, dat in de natuur post vat en alleen op de richting doelt van de levenswerking.

Onze vaderen hielden zich daarom bij wat men noemt het Creatianisme, d.i. bij de belijdenis dat een ziel niet door teling, maar door een scheppende daad Gods ontstaat; maar dan ook voorts dat deze rein geschapen ziel, niet eerst bij de geboorte, maar reeds in de ontvangenis zelve, terstond bij de eerste aanraking met de natuur van vader en moeder den |50| zondigen loop van de levenswerking uit die natuur der ouders overnam, en alzoo zelve in haar natuur verdorven wierd. b

Altezaam dit ontzettende dus, dat heel deze kostelijke stam der menschheid, waarme God de Heere heel zijn schepping gekroond had, door n steek in den wortel ganschelijk wierd verdorven.

Zien we in ons laatste artikel over dezen Zondag hoever dit gaat.




a.

b. Vgl. hierover nog pag. 71 noot.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001