Zondagsafdeeling III

Vraag 6. Heeft dan God den mensch alzoo boos en verkeerd geschapen?

Antwoord. Neen Hij; maar God heeft den mensch goed en naar zijn evenbeeld geschapen, dat is: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen.

Vraag 7. Vanwaar komt dan zulk een verdorvene aard des menschen?

Antwoord. Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen, Adam en Eva in het paradijs, waar onze natuur alzoo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.

Vraag 8. Maar zijn wij alzoo verdorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad?

Antwoord. Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.


*

Eerste hoofdstuk.

Den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.

Ephese 4 : 24.


Zooals thans ons geslacht door de zonde wierd, is een mensch dus niet enkel boos, maar ook verkeerd. Hij is een „boos” mensch, omdat hij nalaat te doen wat zijn God hem in zijn Wet, die geestelijk is, gelast, maar ook bovendien „verkeerd”, omdat zijn hart hem juist het tegenovergestelde ingeeft. Immers waar de Wet „liefde” eischt, komt er uit zijn hart, zoodra het uit zijn natuur werkt, „haat.”

Hiermee komt echter de uiterst gewichtige vraag te berde, of dit aan den Schepper ligt, die den mensch schiep, dan wel of dit buiten Gods |38| oorzakelijke werking en tegen zijn heiligen wil, alzoo wierd. Van daar dat het in Vraag 6 heet: „Heeft dan God den mensch alzoo boos en verkeerd geschapen?” Tot deze vraag zou geen aanleiding zijn, zoo een klein kind rein, onzondig en onschuldig geboren wierd, en eerst op rijper leeftijd omsloeg en zondaar wierd. Dan toch zou een iegelijk weten, dat de mensch zijn leven onzondig van zijn God ontvangt en eerst daarna het rein en onzondig ontvangen leven besmette en vergiftigde.

Maar zoo is het niet.

Zelfonderzoek leert altoos weer, dat er nergens een oogenblik in ons verleden ligt, waarin de zonde als een vreemde macht in ons school. Eer een kind ooit van zonde hoorde, zien we het zondigen. En zelfs reeds een wicht, dat pas geboren wierd, kan op moeders schoot en nog wel tegen moeders borst, zoo moeder het niet vlot genoeg bedient, soms zoo kwaadaardig ingillen, dat men tast en ziet, hoe het kwaad er eigenlijk al in zat, toen dat wicht in het leven trad. En hierdoor nu komt het dat een vraag, die anders licht goddeloos en vermetel kon schijnen, thans zich zoo vanzelf naar onze lippen dringt, en dat een ieder die tot nadenken komt, zich vroeg of laat de vraag wel moet stellen: „Hoe kom ik toch zoo innerlijk slecht? Heeft God mij dan zoo boos en zoo verkeerd geschapen?”

Zelfs is het goed, dat die vraag niet gesmoord wordt, maar er uit komt en er uit komt met iets van dien tartenden moed, dien ge in Job steeds bewondert; want nu, juist door die vraag, komt er kans, om eens voorgoed uit uw hart die vruchtbare kiem van zondige zelfontschuldiging uit te rukken, die er anders altoos overblijft, als ge heimelijk toch aldoor voortgaat te denken: „Ik heb toch mijzelven niet gemaakt? Kan ik het gebeterern dat ik zoo ben? Dan had de Heere mij maar anders moeten scheppen!”

Vooral onder de Gereformeerde belijders komt die vraag van den Heidelberger zeer ter snede. Immers overmits juist de Gereformeerden er sterk op staan, dat niets aan Gods bestel en niets aan de aldoordringende almogendheid des Heeren zal onttrokken worden, en zij dus van een Pelagiaansch product van ’s menschen vrijen wil niets hooren willen, heeft men hun juist onophoudelijk verweten, dat zij God tot „een Auteur van de zonde” maken. En tegen dit verwijt nu dient juist deze vraag van den Heidelberger zulk een krachtig protest in. „Neen, God is geen auteur noch van uw zonde noch van eenige zonde, want God heeft den mensch juist omgekeerd en naar zijn evenbeeld geschapen, en dat wel opdat hij Hem recht zou kennen, van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.” |39|

Tegenover de vraag: Schiep God den mensch zoo laag? staat dus het antwoord over: „Neen, God schiep hem integendeel zoo onbeschrijflijk hoog. Z hoog zelfs, dat Hij hem schiep naar zijn eigen goddelijk beeld.”


Wat zegt dit nu, dat God den mensch „naar zijn beeld” schiep? Stellig niet, dat Hij hem schiep naar het beeld van den Christus, gelijk thans velen er van maken. Het zijn toch Vader, Zoon en Heilige Geest, die elk voor zich en de drie sam in het eeuwige Wezen betuigen: „Laat ons menschen maken naar ons beeld!” Bedoeld is alzoo; naar het beeld van het Eeuwige Wezen, naar de gelijkenisse van den Drieenigen God. En ook mag dit niet uitgelegd, alsof er stond, dat deze Drieenige God den mensch schiep in zijn beeld, gelijk de Neo-Kohlbruggianen thans drijven. Want ook al geven we toe, dat er ook bij deze vertaling een goede zin te denken valt, toch misleidt zij en strekt vooral op hun lippen, om de gereformeerde belijdenis van „den Beelde Gods” geheel te vervalschen. Zij toch bedoelen dit, alsof het Beeld Gods een heilige lichtsfeer ware, waarin de mensch, evenals een bloem in het zonlicht, tijdelijk in ware gezet. Zoolang hij in dien stand bleef, heet het dan, viel de schaduw van dat Beeld Gods op hem; maar ook, toen hij viel, raakte hij uit dat licht weg, en spiegelde zich het Beeld Gods niet meer op hem. Een voorstelling die er toe strekt, om het te doen voorkomen, alsof het Beeld Gods niet in den mensch, maar den mensch in dat Beeld ware geschapen, en dus dat Beeld niet wezenlijk in hem, maar buiten hem ware geweest. Deze hoogst bedenkelijke dwaling, die omtrent het wezen van den mensch een geheel onschriftuurlijke voorstelling ingang poogt te verschaffen, hangt bij de Neo-Kohlbruggianen samen met hun eveneens onschriftuurlijke voorstelling, alsof ook de wedergeboorte den mensch niet wezenlijk veranderde, maar hem slechts weer stelde in de beschijning van datzelfde licht, waar hij door den val in zonde van onder weg was geraakt.

Al zulke opvatting nu, alsof het Beeld Gods niet tot het wezen des menschen zou behooren, maar er van buiten bij zou komen, is in den grond der zaak een terugkeeren tot de Roomsche dwaling. Roomsch toch, en niet gereformeerde, is de dus genaamde leer de nudis naturalibus, of om het ook voor wie geen Latijn kent, verstaanbaar te maken, de leer, alsof God eerst een mensch schiep, die alstoen nog niets dan zijn „blooten natuurstaat” had, en alsof God de Heere daarna eerst, als iets dat er bijkwam, en dus niet tot ’s menschen wezen behoorde, dit zijn Beeld er aan had toegevoegd. En hierin nu gaan de Neo-Kohlbruggianen met de Roomschen op eenzelfden weg, want dit belijden ze alzoo beiden. |40| Vandaar dat ook beiden in de leer der zonde tot de belijdenis kwamen, dat de zonde wel dit later toegevoegde roofde, maar het wezen des menschen ongedeerd liet.

Tegen deze diepingrijpende en waarlijk niet onschuldige dwaling heeft de Gereformeerde kerk zich dan ook altoos sterk aangekant. Niet om zich te verdiepen of te verliezen in de vernuftspelingen, waarin eertijds de Scholastieken en nu veel Ethischen zoo bijster groot behagen toonen, om in des menschen lichaam en persoon allerlei trekken van gelijkheid en overeenkomst met het Goddelijk Wezen op te sporen; maar om in de kennisse van den mensch vast te houden aan het heiligst ideaal en tegelijk aan den hoogsten en gescherptsten zedelijken ernst. Want wel ontkennen de Gereformeerden niet, dat er zeer zeker tot diep in ’s menschen wezen ook allerlei wonderbare trekken van gelijkheid met ’s Heeren Drieenig Wezen vermoed mogen worden, maar ze houden staande, dat wij menschen in het onderzoek hiervan niet verder gaan mogen, dan God zelf ons in de Heilige Schrift onderwijst; alsook dat zulke bespiegelingen zelfs schadelijk worden, zoodra ze de aandacht afleiden van de zake der oorspronkelijke gerechtigheid, die hier op den voorgrond moet blijven staan.


Op grond nu van de Heilige Schrift beleden onze vaderen steeds, dat als de mensch naar Gods beeld geschapen is, hij in zijn wezen ook het beeld Gods in zich moet dragen, ja zelf beeld van God moet zijn. Spreekt toch Gen. I : 27 over den mensch als geschapen „naar den beelde Gods,” Gen. V : 3 verklaart evenzoo van Adam zelf, dat hij, honderd en dertig jaren oud zijnde, een zoon gewon „naar zijne gelijkenis en naar zijn evenbeeld.” Staat het nu vast, dat dit laatste aanduidt, dat Seth op Adam geleek, en het beeld zijns vaders in zijn eigen wezen en verschijnen droeg, dan dwingt de Heilige Schrift zelve om ook in Gen. I : 27 deze woorden in gelijken zin te verstaan.

Van alle eigendunkelijke spitsvondigheid afziende, dient derhalve beleden, dat de mensch in den staat der rechtheid, naar Gods beeld geschapen was, d.i. in ware gerechtigheid en heiligheid. Niet slechts van zijn bijkomstige of tijdelijke hoedanigheden, maar van het wezen zelf des menschen dient alzoo erekend, dat zijn wezen zelf in aanleg en vermogen en strekking, of wil men, wat hetzelfde is, in natuur, levenskracht en bestemming geboetseerd was naar de trekken en deugden van het Eeuwige Wezen. Zelfs het lichaam mag hier niet ganschelijk buitengesloten, want er staat niet, dat ’s menschen ziel, maar dat de mensch, d.i. de geheele mensch naar Gods beeld geschapen was. Ten overvloede staat er |41| zelfs bij: „en naar zijn gelijkenis.” Een punt, dat met het oog op de Vleeschwording des Woords en op de Wederopstanding des vleesches niet mag worden losgelaten.

Practisc als onze Catechismus is, bepaalt hij zich echter tot de bespreking van wat in dit beeld zedelijke klem op onze conscientie bezit, en zegt ons dan aan dat het niets beduidt dan: goed. Dit woord is ontleend aan het scheppingsverhaal: „Hij schiep, en zijn schepsel aanziende zag Hij dat het goed was.” „Goed” beduidt hier dus, dat de mensch gaaf beantwoordde aan wat God hem hebben wilde. Er ontbrak niets aan. Er was niet een eenig gebrek in. Er was in hem niets gebrokens. Want er is geen bepaling van wat goed is ergens buiten God, zoodat God er zich bij zijn schepping naar zou gericht hebben. Het denkbeeld van de bepaling, hoe de mensch zijn moest, was door God niet aan iets anders ontleend, maar door Hem zelf in zijn Besluit gevormd en vrijmachtig gemaakt. En niet omdat de mensch aan eenig afgetrokken begrip van ons menschelijk wezen beantwoordde, maar omdat hij was, zooals God in zijn besluit bepaald had, dat de mensch zijn moest, daarom en daarom alleen was hij goed. „Goed” drukt dus niet den inhoud van het beeld Gods uit, maar zegt alleen dat het Beeld gaaf was.


Dringen we nu dieper in den kostelijken inhoud van dit beeld door, dan zegt de Catechismus dat in dit beeld aan Adam oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid wierd toegedeeld. Ook hierbij echter dient misverstand tegengegaan, opdat de zin en beteekenis van deze woorden niet verzwakt worde. Dit nu geschiedt het best, zoo men duidelijk op den voorgrond stelt, dat hetgeen in het Paradijs te loor ging, nooit terugkeert. Nooit erlangt het kind van God wer oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid. Wel wer gerechtigheid en heiligheid, maar beide van een andere natuur. Wat Adam oorspronkelijk bezat, was een eigen schat, iets eigens en hem toebehoorende, terwijl al wat een kind van God erlangt, in Christus is, en slechts uit Christus en in de mystieke gemeenschap met den Middelaar zijns is, en bij onderwerpelijke (subjectieve) ervaring steeds meer wordt. Ge kunt dus nooit een besluit uit den toestand van een kind van God tot den toestand van Adam trekken. Want wel is de gerechtigheid en heiligheid van een kind van God even waarachtige gerechtigheid en heiligheid als die in Adam bestond, maar ze is anders ontstaan, ze werkt anders en staat in ander verband. En juist om dit anders-zijn van het Beeld Gods in Adam aan te duiden, spreekt men niet bij een verlosten zondaar, maar alleen bij den nog onzondigen Adam, van een gerechtigheid en heiligheid die oorspronkelijk was. Wat een kind van God bezit, is verworvene, toegerekende |42| en geschonkene gerechtigheid; de gerechtigheid van Adam daarentegen was niet verworven, maar ingeschapen; niet toegerekend, maar uit zijn wezen volgend; niet geschonken, maar met zijn schepping zelve ontstaan; en dit alles nu ligt in de heerlijke belijdenis van een oorspronkelijk gerechtigen mensch.

Zoo schiep de Heere dan een wonderbaar kunststuk in zijn schepping, toen Hij den mensch schiep, want (om van de engelen nu te zwijgen) ontstond door de schepping van den mensch dat aardsch juweel dat, begonnen zijnde uit het stof van deze aarde gevormd te worden, in de voleinding van zijn schepping bekwaam was om, in zijn mate en op zijn wijze, het leven der heiligheid, dat God zelf leeft te leven in zijn eigen ziel.

Te zeggen dat de mensch een zedelijk wezen is, is te zwak, om die oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid uit te drukken. Zedelijk noemen wij ook al wat overeenkomt met den hoogeren regel van ons maatschappelijk leven. En hier is veel meer. Hier is uit de hand van den Eeuwige een schepsel voortgekomen, dat niet buiten zijn eigen goddelijk leven staat, maar op zijn manier en in zijne mate deel daaraan heeft. Niet een ander soort heilig leven naast en tegenover en onder het heilige leven Gods, maar een menschelijk leven dat uit Gods eigen heilig leven geleefd wordt. Een vonk uit de lichtzee van zijn goddelijke deugden. Een natrilling in dat kleine nietige schepsel, in dat stofje aan de weegschaal, van wat er trilt in het eigen hart van God.

Weg dus met ale gedrochtelijke voorstelling, alsof de eerste mensch een ruw ombolsterd wezen ware geweest. Een soort Boschjesman in de laagste opvatting. En alsof uit dit halfdierlijk wezen, allengs door een lange generatie van andere wezen, van lieverle een bewust mensch ware geworden. Maar ook even ver weg werpen we die schijnbaar minder schuldige en toch niets minder bedenkelijke voorstelling, alsof deze staat der rechtheid, alleen een staat van „onschuld” bedoelde; een nog niet gezondigd hebben, zoolang er verleiding tot zonde ontbrak. Nergens spreekt de Heilige Schrift van „onschuld”, maar altoos van rechtheid, gerechtigheid en heiligheid in den pas geschapen menschen, en deze openbaring der Heilige Schrift vervalschen en vernietigen we, door er geheel andere, vreemde begrippen voor in plaats te schuiven. Iets wat op ee averechtsche wijze gebeurt, als men zegt: Adam was wel heilig, maar in dien zin, dat hij allengs heilig zou worden. Dit alles toch gaat uit van de valsche onderstelling alsof God de Heere een ledigen mensch schiep, een hollen vorm zonder inhoud, een wezen dat nu voorts in dien ledigen vorm zelf heilig leven te ontwikkelen had. |43|

Neen, God de Heere schiep den mensch in ware gerechtigheid en heiligheid; z dus, dat deze gerechtigheid en heiligheid in Adam wezenlijk was. Iets wat natuurlijk niet beduidt, dat Adam, ware hij niet gevallen, niet eerst van lieverlede tot allerlei volzalige ervaring en bewustheid van eerst nog ongekende en hem niet bewuste heiligheden zou gekomen zijn. Immers wie dat stelt, heft n het Werkverbond op n de daarin gestelde Wetsvolbrenging, met het op die Wetsvolbrenging gestelde loon van eeuwig leven.

Dit evenwel raakt wel de uiting, de werking, de uitwendige daad van heiligheid, maar niet de heiligheid zelve. Heiligheid is het inwendig bestaan. En terwijl nu het inwendig bestaan van een zondaar diep onheilig is, omdat hetgeen in hem naar boven komt ne opborreling van onreine tegen God ingaande en den naaste hatende neigingen is, zoo was dit bij Adam juist omgekeerd. In hem was niet een leege put, waar nog eerst water in moest gegoten, maar een fontein van levende wateren, die altoos en ieder oogenblik vol en overvol en persend uit den Heere in hem opwerkte. En hetgeen nu uit deze fontein des harten bij Adam opwerkte en dron en perste, dat was niet onheilig, maar heilig; niet haat, maar liefde; niet onrein, maar in goddelijke reinheden.

De verfoeilijke dwaling van den leegen put in Adams hart zetten we dus op zijde, en maintineeren met onze vaderen de belijdenis van de heerlijk persende fontein in Adams hart; en op dien grond de belijdenis van zijn oorspronkelijke, zeer waarachtige, wezenlijke en zeer volkomende heiligheid.

Deze heiligheid raakt zelfs niet slechts zijn bedoelen en willen, gelijk weer andere dwaalleeraars zeggen, maar ook zijn bewustzijn, zijn heilig weten, hij had ook oorspronkelijke wijsheid. Niet alsof hij alle dingen wist, maar z, dat zijn gansche bewustzijn met al de kracht van het onmiddellijkheidsbesef de volle verzekerdheid der dingen greep.

Alzoo geschapen was Adam nu bestemd, om zelf dat profetisch, priesterlijk en koninklijk ambt te bedienen, hetwelk later om den val op den Messias ging. Vandaar dat onze Catechismus zegt: 1º. opdat hij God zijnen Schepper recht kennen zou, d.i. profeet zou zijn; 2º. opdat hij Hem van harte lief zou hebben, d.i. priester zou wezen; en 3º. opdat hij met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, d.i. koninklijke glorie zou bezitten.

En dit alles nu, juist wijl hij heilig was, niet om eigen glans of luister of genieting of vreugd, maar dit alles eeniglijk om den Eeuwige: om Hem eeuwiglijk te loven en te prijzen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001