Derde hoofdstuk.

Daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God: want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet.

Rom. 8 : 7.


Vraag 4 toonde, dat de Wet geestelijk is. Niet in dien laffen zin, waarin men zegt, dat het niet op de daad maar op de gezindheid aankomt; maar opgevat, zooals Oud en Nieuw Testament het eischen, t.w. dat er achter de uitwendige handeling ook een inwendige daad moet werken; iets wat èn Mozes èn Jezus noemen: werken uit een liefde die heel het hart, heel de ziel en heel het verstand in gloed zet.

„Geestelijk” is de Wet in zulk een beteekenis, dat haar volbrenging op moet bloeien uit den geestelijken wortel van ons innerlijk bestaan. Zóó geestelijk, dat onze uitwendige daad alleen door die geestelijke werkzaamheid van onzen verborgen mensch waarde verkrijgt. En dat geestelijk karakter kleeft aan de Wet altoos, overal en onder elke omstandigheid. „Geestelijk” in dien hoogen zin, was de Wet op Sinai; maar geestelijk óók de wet, gelijk ze Adam in zijn oorspronkelijken staat was ingeprent: en geestelijk evenzeer bleef die Wet in al haar ceremoniëele en politieke ontplooiïng bij Israël. Als God, de Heere, op zedelijk terrein in zijn Wet eischen komt, blijft die eisch nooit bij het opus operatum 1) |31| staan, maar dringt altoos tot in de bronwel van ons hart door. Niet slechts de uitstorting van de wateren onzer ziel in den oceaan van het leven, maar ook de afvloeiïng dezer wateren van de bergen van ons hart moet volkomen zuiver, helder en doorzichtig wezen. Kortom, de Wet des Heeren is dáárom „geestelijk” omdat ze geheel onzen persoon opeischt, en onze daad slechts helpen laat, voorzooverre ze uiting is van wat in dien persoon leeft.

Doch nu gaat Vraag 5 nog één schrede verder, en toont nu aan, hoe het doel van de Wet voor den zondaar niet anders dan de ontdekking zijner ellende zijn kan. Hier toch wordt gevraagd: „Kunt gij dit al volkomenlijk houden?” en op die vraag geantwoord: „Neen ik, want ik ben van nature geneigd, God en mijn naaste te haten.”

Doel van deze vraag en dit antwoord is niet, om tot de belijdenis van „de verdorvenheid onzer natuur” te komen. Immers de bespreking hiervan volgt eerst in Vraag 8; en predikers, die verkeerdelijk hier reeds over de verdorvenheid spreken, raken òf bij Vraag 8 in de war, òf wel hunne behandeling loopt dubbel.

Neen, het doel van deze vraag is een geheel ander. Nu het geestelijk karakter van de Wet des Heeren in het licht is gesteld, ligt namelijk het denkbeeld voor de hand, dat deze Wet ook nog voor den zondaar de bedoeling zou hebben, dat hij er door tot het doen van al wat zij gebiedt, zou worden aangedreven. Ware dit zoo, dan zou de Wet dus ook nog tot den zondaar komen, als middel en beweegoorzaak om hem tot Wetsvolbrenging te doen geraken. Het zeggen: „Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met heel uw hart, heel uw ziel en heel uw verstand” zou dan instrument en prikkel zijn, waardoor hij bekwaamd wierd, om het ook alzoo te doen.

Tegenover de Wet staande en voelende dat de Wet op hem aankwam, zou een zondaar dan pogen, trachten en streven moeten, om haar eisch ook daadwerkelijk te vervullen, en de Wet zou op hem blijven aandringen, in de verwachting dat het hem gelukken zou.

En deze gronddwaling nu snijdt de Catechismus op eenmaal juist met deze vijfde Vraag af. Neen, prikkel tot Wetsvolbrenging kan het voorhouden van de Wet aan den zondaar niet zijn; om de eenvoudige, maar tevens alles afdoende reden, dat het met een zondaar tegenover die Wet volkomen desperaat staat.

Zoomin ge water kunt dragen in een gescheurde kruik of vuren kunt met een stuk geschut dat stuksprong, even volstrekt onmogelijk is het voor de Wet, om met een zondaar gereed te komen in de volbrenging. Een voerman, die zijn paard ziet neerstorten en drie van de vier pooten tegelijk breken, denkt er niet aan met de zweep, van de bok van dàt |32| paard op dàt oogenblik nog de voortstuwing van de zware karrevracht te zullen verkrijgen. En precies evenzoo nu kan de Wet des Heeren, als ze den zondaar met gebroken beenen en handen ziet nederliggen, niet bedoelen van den zondaar gedaan te krijgen, dat hij op dat oogenblik al den last der wet torse en op den berg van Gods heiligheid drage.

Dit zou zoo zijn, bijaldien de zondaar de geestelijke Wet nog geestelijk kón volbrengen. Maar dat kan niet zoo zijn, indien het uitgemaakt is, dat de zondaar voor de Wet als een gescheurde kruik voor den waterdrager ligt.

Daarom onderzoekt de Catechismus dan nu, hoe het hiermee gelegen is, om uit de eigen betuiging van des zondaars onmachtigheid de overtuiging te wekken, dat dan ook de Wet des Heeren op hem aanhoudt met een geheel ander doel. T.w. niet met de valsche illusie, als zou ze het van den zondaar nog wet met hangen en worgen gedaan krijgen, maar omgekeerd, om den zondaar de verdorvenheid van zijn staat te ontdekken en hem alzoo een tuchtmeester tot Christus te zijn.

Nu laat de verklaring van den zondaar op dit punt geen zweem van twijfel over. Zijn antwoord luidt zoo beslist mogelijk, dat hij het niet kan; en wel niet kan, in stelligen zin, dat hij omgekeerd van nature geneigd is om juist het tegendeel te doen van wat de Wet eischt.

Dit antwoord wordt natuurlijk niet gegeven door een onwedergeborene, maar door een wedergeborene. Wel vindt men in meer dan één Catechismusverklaring het tegendeel beweerd, maar ten onrechte. Een onwedergeborene zou nimmer zulk een antwoord gegeven hebben; en bovendien, in heel den Catechismus antwoordt één en dezelfde persoon, en ook hier spreekt dus dezelfde persoon die op Vraag 1 zijn heerlijke belijdenis van den eenigen troost in leven en sterven had afgelegd. Let er, om u hiervan wel te ovèrtuigen, vooral op, dat hier niet, gelijk in Antwoord 8, staat: „Want wij zijn van nature geneigd” maar: „ik ben van nature geneigd”. In Antwoord 8 moest dat, omdat daar expresselijk van den onherboren staat gehandeld wordt; maar hier kon dat niet, omdat hetgeen hier gezegd wordt tot op den dood toe de betuiging blijft ook van Gods teederste kinderen.

Sprak een onwedergeborene (stel hij kon zoo spreken), die zou ook niet zeggen: „Ik ben van nature geneigd God te haten”, maar kortaf: „Ik ben geneigd om God te haten”.

Nu daarentegen spreekt hier een kind van God, dat betere dingen kennen leerde en straks nog zong:

God heb ik lief, want die getrouwe Heer

Hoort mijn gebed, mijn smeekingen, mijn klagen,

maar, en dàt is het, waar het hier op aankomt, die op hetzelfde oogenblik |33| zich er van bewust is, dat deze liefde niet uit hem is opgeweld, maar in hem is ingestort, en dus niet uit zijn geest, maar uit den Heiligen Geest herkomstig. Vandaar dat juist zulk een kind van God uitnemend voelt; „Zoo die liefde mij niet wordt ingestort, heb ik ook niet lief, en zoo ik niet uit dien Heiligen Geest, maar uit mijn eigen geest adem, is zelfzucht meer dan zucht naar God, drijfveer van mijn doen.” Ja, hij bekent nu én uit zijn verleden én uit wat er nog aan lava gloeit onder den bodem van zijn hart, zeer wel te beseffen, dat hij in stede van tot liefde veeleer tot haat neigt. En op grond van die zelfkennis nu betuigt en belijdt hij: „Voorzooverre ik, ook als kind van God, mij nog buiten den invloed van den Heiligen Geest denk en dus nog midden in den dood lig, weet ik gewisselijk, dat ik, wat mijn natuur aanbelangt, nog steeds geneigd ben, God en mijn naaste, niet lief te hebben maar te haten. Dat ik nu wel neig en hel, maar toch niet in dien haat val, is niet mijn doen, maar Gods ophoudende goedheid. De weg waarop ik sta, helt wel schrikkelijk, en zoo God de Heere mij losliet, zou ik wel terstond naar beneden glijden; maar Hij laat mij niet los, en daarom kan die haat tegen Hem niet tot zijn werking komen en leef ik niet zelden zelfs uit de mij voor Hem ingestorte liefde. Maar rekent ge daar nu buiten, bedoelt ge niet te vragen naar hetgeen genade in mij wrocht en nog werkt, maar neemt ge mij in mijzelven, dan, o, Wet des Heeren, dan neen, dan is er geen sprake van dat ik u volkomenlijk zou kunnen houden, want dan ben ik eer tot haat dan tot liefde geneigd, en gaat de neiging van heel mijn inwendig bestaan eer lijnrecht tegen u in.”

Had de Catechismus alleen gevraagd: Kunt ge de Wet van Sinaï houden? dan ware misschien nog zelfmisleiding mogelijk geweest; want afgoderij, beeldendienst, enz. ligt in dien ruwen vorm niet op ieders weg; vooral niet in Gereformeerde landen. Maar nu de Catechismus eerst die Wet van Sinaï door Vraag 4 in haar geestelijken wortel heeft opengesneden, aantoonende hoe ze het zuiverste liefdewerk van heel uw persoon en wezen eischt; en nu daarna vroeg: „Kunt gij deze Wet tot in haar geestelijken wortel d.i. volkomenlijk houden?” — nu bezwijkt natuurlijk deze belijder; nu is alle pas ter ontwijking hem afgesneden; en antwoordt hij cordaat, hoe desperaat het met zijn natuur ook gelegen zij: „Van nature geneigd om God en mijn naaste te haten. Niet: „Ik haat ze”, dit ware leugen. En ook niet: „Ik neig om ze te haten”; want ook dat mag en kan een kind van God niet zeggen, of hij vloekt tegen de genade in. Maar wel: „Ik neig van nature om te haten.” Evenals een die duizelig wierd toen hij voor een afgrond stond, zeer goed weet en voelt: „Ik neigde om neer te storten”, en hij ook neergestort zou zijn, zoo zijn gids hem niet met sterken arm had gehouden. |34|

Dit antwoord verzwakke men dan ook niet. Het moet staan blijven in volle kracht. Dus zegge men nooit: „Haten” beteekent wel eens: „niet genoeg liefhebben”, of „minder liefhebben” dan eisch was. Zoo toch kan men van alles alles maken en glijdt de oprechtheid uit ons woord weg.

Neen haten is hier haten, d.w.z. die doodelijke neiging van onze natuur, die ons doet begeeren, dat een ander weggenomen en vernietigd mocht worden. Wie iemand haat is in zijn hart al bezig om hem te dooden. En nu moet men hiertegen natuurlijk niet aanvoeren, dat een man toch zijn vrouw, een moeder haar kind niet haat; want zulk zeggen berust op misverstand. Niet van de natuurwet, maar van de zedewet is hier sprake, en de zedewet doet zich uitsluitend gevoelen, als er zich strijd openbaart. Zoolang dus de liefde voor andere personen in ons gevlei komt, o, natuurlijk, dan merkt ge van dien haat niets. Maar laat tusschen diezelfde personen, die nu, o, zoo lief en vriendelijk saam zijn, eens een strijdig belang opkomen, en zie maar eens hoe dan bij kleine kinderen zelfs opeens de klauw van de hyena uit het hart schiet. Op een zeeboot varen de passagiers, de heeren en dames, o, zoo allerliefst saam, en spelen en keuvelen en bereiden elkaar niets dan beleefdheid en genot. Maar hoor, daar stoot het schip op de klip; door het lek dringen de wateren binnen; de boot zinkt, en nu vliegt alles naar de raderkassen, en men maakt de sloepen los, en ieder wil er het eerst inspringen; en opeens wroet en vecht en grist het nu als een wilde hoop onder elkander; en het is wel gezien, dat die zelfde deftige heeren en dames in zulk een oogenblik elkaar de stukken vleesch uit het lijf krabden.

En zoo nu ook staat het met dat haten van God. Zoolang de conscientie buiten moeilijkheid blijft, is er geen nood. Maar zóó komt God de Heere niet in uw zondig leven tusschenbeiden, om u dit te verbieden en dat te ontzeggen, of die God die u dat verbiedt en belet, hindert u, staat u in den weg, en onmiddellijk is de diepste gedachte uws harten, om uw God weg te hebben. Dan haat ge God in zulk een oogenblik. En als dan straks de kalme wijsgeer God wegloochent en wegredeneert, d.i. den levenden God door zijn denken doodt, wat doet deze schuldige man in zijn waanwijsheid dan anders, dan dienzelfden haat tegen God, die practisch bij u uitkwam, nu in theorie brengen en uitstallen als een systeem?

Lijnrecht staat dus de levensuiting van een zondaar tegen de Wet over. Die Wet des Heeren eischt den dood voor elken mensch, die van nature niet tot enkel zuivere liefde voor God en den naaste neigt, en diezelfde Wet vindt omgekeerd een mensch die van nature neigt om God en zijn naaste te haten.

Van Wetsvolbrenging kan dus geen sprake komen. Misschien wel van |35| namaak, die uitwendig opgeschilderd is, maar dat nut tot niets. De Wet is „geestelijk” en neemt dus ook met niets minder vrede dan met een zuiver „geestelijk” werk. Op den wortel der liefde geteeld, of als nutteloos kaf verworpen. En zie, die wortel der liefde is nu niet in het hart; eer tiert er de wortel van den haat. En die giftige, die bittere wortel van den haat is in dat hart zoo krachtig en groeizaam, dat hij, hoe dikwijls ook afgesneden, altoos weer opkomt. In dat hart zijn de oorsprongen des levens. En uit dat hart komen voort, zegt uw Heiland, dieverijen, doodslagen, en al wat er boos wordt genaamd.

En dit is nu het punt, waarop de Wet u raken moet, om u de onmogelijkheid van heel uw persoon en staat voor God den Heere, als een strop die u de keel uwer ziel toenijpt, in den angst van duizend dooden te doen gevoelen.

Niet, dat behoeft er ternauwernood bijgezegd, alsof de Wet ook niet door genade een ophoudende kracht had, om den zondaar bij zekere mate van uitwendige rechtschapenheid en rechtvaardigheid te houden. Dat doet ze zeer zeker, én in streken én bij volken, waar de Wet weg is, ziet men het verschil in uitwendige eerbaarheid des levens maar al te duidelijk. Voor dit aardsche leven en voor ons huislijk en burgerlijk bestaan danken we aan den regel dezer Wet, o, zoo veel; en weet men niet wat men aan zijn volk ontrooft, indien men de klem van die Wet des Heeren er van wegneemt. Maar daarvan wordt thans niet gehandeld. We zijn thans aan de Wet in haar geestelijk bedoelen voor God en voor de eeuwigheid. En dan komt de Wet altoos, tot een ieder, en onverbiddelijk met te zeggen: Het moet al uit enkel zuivere liefde zijn!, en blijft het de ervaring van een iegelijk, die licht over zijn hart kreeg, dat het van nature vlak tot het tegendeel neigt!

En zoo stuit het dan.

De wigge van die Wet dringt al scherper op u toe en laat zich noch omwoelen noch afstompen. De majesteit des Heeren Heeren weet van geen loven en bieden. Zijn eisch is en blijft volstrekt.

En daartegenover ligt nu immers uw natuur, die evenzoo zich in geen windselen laat wikkelen, maar onverbiddelijk altoos weer met haar aard voor den dag treedt.

En als nu die geestelijke Wet eischt, en uw ongeestelijke natuur zich uitgeeft, dan staan die twee vlak tegen elkaar over. En dan wordt het een worstelen, van u om die Wet weg te krijgen, en van die Wet om u open te rijten en innerlijk te verscheuren.

o, Gij zoudt die Wet nog die Wet willen laten, als ze van u maar afliet en u gaan liet. Maar dat juist gedoogt die wet niet. Ze ontslaat niet |36| één enkelen mensch. Haar wigge richt zich op ieders hart. En ook uw hart moet aan haar bekend worden.

En daarom rijt ze ook u open, en werpt u neer en doorvlijmt u.

En of ze u dan ook niet troost?

Neen, lezer, dat doet de Wet nooit. Zij doet bij een zondaar, zoolang hij zondaar blijft en onherboren is, niets dan hem ellendig en hem zijne ellende bekend maken.

Zooals de pijn in uw lichaam, naar Bilderdijks heerlijk lied, de alarmklok in uw bloed of zenuwen of spieren is, dat ge krank zijt, zoo komt ook de Wet over uw ziel, om het u aan te zeggen, dat het niet goed met uw ziele is.

En dan zijn er nog bedienaren van het Evangelie wreed genoeg, die zeggen: „De Wet moet ge niet meer prediken!”

En dan komen daarvoor in steê de zeepbellen, om zoo maar tot Jezus te lokken.

En als een zeepbel glanst dat dan ook prachtig in purperen en azuren kleuren.

Maar zie toe, straks spat die bel van sop uiteen, en als een waterspet druipt al zulk geloof weg.

Neen, neen, tot de Wet en het Getuigenis, en het zal zijn, zoo ze niet alzoo spreken zullen, zegt de Heere Heere, dat ze geen dageraad zullen hebben.




1. Het werktuigelijk werk.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001