Tweede hoofdstuk.

En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het groote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als u zelven.

Matth. 22 : 37-39.


Dat de zondaar in diepten van ellende verzonk, komt van de Wet Gods. Lees en herlees Romeinen VII maar. Niet alsof de Wet zelve gif en verderf ware. Neen, de Wet zelve is goed en goddelijk en heilig. Maar, mij, omdat ik tegen die Wet inging, mij brengt ze verderf en dood.

Hoe dit nu in elkander zit, poogt de Catechismus toe te lichten door de vraag, wat deze Wet Gods dan wel van ons eischt; en waarop hij ten antwoord geeft, dat ons Christus dit „in eene hoofdsom leert” in Matth. XXII : 37-39.

Uit dit zeggen is misverstand geboren.

Velen toch hebben hieruit begrepen, dat de Catechismus het wilde voorstellen, alsof Mozes, voor eeuwen, een splinterige, uitwendige, min geestelijke wet had gegeven, en alsof eerst door Jezus, toen hij onder Israël optrad, het hoog gebod der liefde was afgekondigd. Men legde er dan het woord uit Johannes’ Evangelie bij: „Een nieuw gebod geef ik u, dat gij malkanderen liefhebt” (Joh. XIII : 34); en waande dan de oude valsche |25| stelling weer gered te hebben, alsof de zedeleer van het Oude Testament een andere en mindere ware dan de zedeleer van het Nieuwe.

Intusschen, dat de Catechismus dit niet bedoeld heeft en niet kan bedoeld hebben, blijkt op overtuigende wijze uit de plaatsen uit het Oude Testament die bij deze vraag worden aangehaald. Slaan we toch Deut. VI : 5 en Lev. XIX : 18 op, dan vinden we daar juist dezelfde woorden, die hier in Matth. XXII : 37 voorkomen als door Jezus gesproken. In Deut. VI : 5 toch lezen we:

„Zoo zult gij den Heere, uw God, liefhebben met uw gansche hart, en met uwe gansche ziel en met al uw vermogen”; en in Lev. XIX : 18: „Gij zult uw naaste liefhebben, als uzelven.” Zelfs de vijandsliefde wordt volstrekt niet pas in het Nieuwe, maar wel terdege reeds in het Oude Testament ingeprent. Reeds bij Horeb wierd het ten plicht gesteld: „Wanneer gij uws vijands os of dwalenden ezel ontmoet, zult gij hem het verloren dier wederbrengen, en zoo zijn lastdier neerviel onder de vracht, zult ge uw dier verlaten, om het zijne te helpen”. En in Spreuk. XXV : 21 heet het evenals in Matth. V: „Indien dengene die u haat hongert, geef hem brood te eten, en indien hem dorst, geef hem water te drinken.”

Heel deze verkeerde voorstelling moet dus op zij gezet. Ongetwijfeld is er ook in de Openbaring, die de Heilige Schrift op zedelijk terrein geeft, gaandeweg steeds rijker ontplooiing maar een ander beginsel komt er nooit. In kiem lag het eelste der zedewet reeds in de Wet van Horeb, en omgekeerd ligt het beginsel, waarin de vloekpsalm wortelde, nog evengoed in Jezus’ woord: „Uw huis worde u woest gelaten” — en in Paulus’ Anathema, als in de toornkreten en in het wraakgeroep van den Psalmist.

Zooverre is het er dan ook vandaan, dat de Christus hier een mildere zedewet zou gepredikt hebben, dat hij omgekeerd niets doet dan letterlijk de woorden uit het Oude Testament overnemen. Ja, dat hij in Luc. X : 25 v.v. dit prachtig antwoord niet eens zelf geeft, maar het laat geven door een onbekenden Jood, die als Schriftgeleerde op hem toetrad, om hem in woorden te vangen. Daar toch heet het, dat Jezus aan hem vroeg: „Wat is in de Wet geschreven, hoe leest gij?” en dat daarop niet Jezus, maar die booze Jood antwoordde: „Gij zult God liefhebben met geheel uw hart, en uw naaste als u zelven.”

Eens vooral hoede men zich dus, om het Nieuwe Testament als het Evangelie der liefde tegenover het Oude Testament als het verbond der wrake en der hardheden te stellen. Deze voorstelling toch is door en door onwaar. Wat om wrake roept en hard is, dat is de Wet Gods tegenover den zondaar, en deze is en blijft even onverbiddelijk hard in Oud én Nieuw Testament, en blijft ook van Jezus’ lippen met een onuitblusschelijk vuur |26| en knersing der tanden dreigen. Maar wat troost en verkwikt en opheft, is het verbond der genade, dat volstrekt niet pas bij de kribbe van Bethlehem kwam, maar reeds wierd opgericht in het Paradijs, bevestigd aan Abraham en Israël, en bezegeld in het bloed des Nieuwen Testaments.

Zoo blijft dan het harde even onverbiddelijk hard, al de boeken der Heilige Schrift door, want door heel de Schrift eischt de Wet voor den zondaar, oordeel en rampzaligheid, maar ook de liefde is en blijft door heel de Heilige Schrift leidend en bezielend beginsel. Want èn de Wet is nooit van een ander beginsel uitgegaan èn de genade heeft zoomin in het Oude als in het Nieuwe Verbond ooit in iets anders geworteld.

Alzoo bedoelde dan ook de Heidelberger deze zaak. Want immers van de Wet Gods op Horeb had hij gezegd, dat ze ons onze ellende toonde, en van diezelfde Wet, dus van de Wet op Horeb, verklaart hij thans dat ze geen anderen inhoud heeft, dan den eisch dat we lief zullen hebben den Heere, ons zelven en den naaste.


Dit op den voorgrond stellen nu van de liefde in de Wet verzacht het voor den zondaar niet, maar onderwijst hem juist op nog veel schriklijker wijze zijne ellende.

Bedoelde toch de Wet des Heeren, dat we met het doen van de daad als daad er af waren, zoo kon een zondaar er nog aan gaan staan. Want, ja, waarlijk het doen en bedrijf van zoo menig onbekeerd Stoïcijn heeft het bewezen; een zondaar kan het, ook buiten alle geloof om, zeer verre brengen in ingetogenheid, in tenonderhouding van lust en in zelfbedwang. Was men er daarmee dus van af, dat men de prijslijke werken als werken deed en de onheilige dingen als dingen liet, zoo ware er nog mogelijkheid, om aan de Wet te voldoen. Maar dit nu is niet het geval. Het uitwendige werk heeft voor God geen waarde. En hetgeen de Wet in een hoofdsom van u eischt is volstrekt niet enkel, dat ge eerlijk en ingetogen voor God en menschen leven zult, maar er bij dat ge dit en zooveel meer doen zult uit liefde.

En voor dien eisch nu juist bezwijkt elkeen, die uit zondige ouders geboren, krachtens die afstamming zelf zondig in het hart is.

Want immers liefde, dat hangt niet aan wat ge doet, maar dat hangt aan de neiging van uw hart, aan de aandrift uwer ziele, aan de gevoelens die in u opwaken, aan de gezindheid die in u bovendrijft, en wat zondaar heeft die in zijn macht?

o, Gewisselijk, ge hebt tegenover die neiging en lust en zin ook als zondaar een roeping, om, zoo ze u ten kwade willen leiden en lokken, ze te weerstaan. Maar over dat weerstaan gaat het hier niet. Als ik wraakzucht in mijn hart heb en mijn vijand wel zou willen benadeelen, kan ik mij |27| voorzeker aanpreeken, dat dit slecht is, dat zulks niet mag, en kan het mij zeer goed gelukken, dat ik die booze aandrift weersta. Maar als ik mij niet wreek, heb ik daarom dan nu mijn vijand liefgehad? Neen, dan welde er toch haat uit mijn binnenste op, en het eenige wat ik deed, is aan dien haat niet botvieren, maar dien bedwingen.

De wortel der zaak ontbrak dus. Er was geen liefde, maar van liefde welde het tegendeel uit het hart op, en wie nu heeft over die opwellingen van het hart macht? Macht niet, versta dat wel, om, als ze opgeweld zijn, ze te bedwingen, neen, maar om te maken dat ze niet opwellen. Meer nog om te maken dat er goede dingen opwellen in plaats van booze.

En daarom als we zóó de zaak bezien, dan voelt ieder, die bij zijn ziele leeft: „Neen, hier is ’s Heeren werk, dat kan God alleen in mij teweegbrengen. Mijn hart omzetten kan ik niet.”

Laten we dus het werk der Wedergeboorte, d.w.z. hetgeen God doet er buiten, en blijven we voorshands bij hetgeen de Wet van ons eischt, d.i. bij hetgeen de mensch moet doen, dan is het, gelijk men hieraan tast en voelt, juist deze diepgaande eisch der liefde die voor den zondaar niet de hardheid uit de Wet wegneemt, maar juist die hardheid zoo ontzettend en onoverkomelijk voor hem maakt. Want wat hij ook nog kunne of vermoge en waartoe hij met de uiterste inspanning van eigen krachten ook wellicht nog in staat ware, tot dit in zich brengen van den wortel der liefde komt hij nooit. Over zijn hart, waar de oorsprongen zijns levens zijn, mist hij juist de zoo onmisbare macht, om het uit liefde te laten werken.


Zoo heft dus deze eisch der liefde onze ellende niet op, en hij legt er geen sluier over, maar integendeel juist doordien de Wet volstrekte liefde eischt, werpt ze den zondaar in de onafwendbaarste ellende neer.

Immers er wordt hier in den Catechismus, niet gelijk onder onze zoetsappige lieden, met de liefde gespeeld, maar die eisch der liefde wordt in hoog ernstigen zin genomen.

„God liefhebben” dat noemt de beuzelende zoetsappigheid zekeren gemoedstoestand, waarbij ge wel zoo goed en vroom zijt, om veel aan Hem te denken, gevoelens van genegenheid voor uw God te hebben, en desnoods eenige offerande te offeren op zijn altaar.

Maar hiermee heeft de Wet Gods in het allerminst geen vrede. Hier wordt een liefde van u geëischt, die niet zekere neiging of gemoedsstemming is, maar een liefde, die de allesbeheerschende drijfkracht in den wortel zelf van uw leven zal zijn, en dientengevolge leiden zal tot een „liefhebben met uw gansche ziel, met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht.” |28|

Blijkbaar duidt de Wet hier op de onderscheidene uitingen van ’s menschen geest, op wat wij noemen de uitingen van zijn hart, van zijn bewustzijn en van zijn handel, en van al deze uitingen nu wordt de eisch gesteld, dat al de levensbeweging, die er in plaats grijpt, geheel haar oorzaak en richtsnoer zal vinden in de liefde.

Niet een gemoedelijke liefde naast onze neigingen, overdenkingen en handelingen, neen, maar een liefde, die achter alle deze drie schuilt, in al deze drie werkzaam is, en door elk dezer drie levensuitingen spreekt.

Alle zin, alle besef, alle daad in u mag geen andere aandrift of stuwkracht of oorsprong hebben dan in de allerzuiverste toewijding van heel uw persoon en aanzijn aan den Heere uwen God.

En deze eisch wordt u zoo gesteld, niet dat ge allengs en van lieverleê tot dezen hoogen trap van volmaaktheid komen moest; neen, maar in dezen onverbiddelijk gestrengen zin, dat ge, klein kind of groot man, man of grijsaard, nu en elk oogenblik van uw leven, uit geen der deelen van uw wezen ooit eenige andere beweging zult laten uitkomen, dan die geheellijk en eeniglijk voortkomt uit liefde tot God. Ja, sterker nog, die Wet Gods is derwijs onverbiddelijk, dat ze ook voor uw verleden u denzelfden gestrengen eisch oplegt.

Nooit, geen enkel oogenblik, waart of zijt ge goed voor de Wet of kunt ge voor die Wet bestaan, tenzij al uw levensweg en heel uw persoon tot in de diepste en verborgenste roerselen van uw hart, enkel door zuivere liefde voor den Heere worden bezield.

Dit ligt in dat liefhebben met uw gansche hart, uw gansche verstand, en al uw kracht.

Geen beproeven, geen pogen, geen streven dus. Voor de Wet Gods moet een ieder onmiddellijk en zonder ophouden gansch volmaakt zijn.

„Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al wat geschreven is in het Boek der Wet, dat hij dit doe!”

En ook: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.”


Juist in de Liefdewet ligt voor den eens gevallen zondaar dus, wijl zij hem voor een volstrekte onmogelijkheid plaatst, zijn diepste ellende; maar tevens ligt in deze diepe opvatting van de Wet toch ook de hoogste eere, waartoe God een mensch verwaardigt, en de machtige handgreep, waarmee God Almachtig ons gevallen geslacht ophoudt.

o, Ge hebt gelijk, het is een vreeslijke wet, die Wet Gods, die nooit aflaat, eer ik alles uit enkel liefde zon, bedacht en volbracht; een Wet die de wanhoop in de ziele stort en onmenschelijk zou zijn, zoo ze niet |29| verzeld van de aanbieding van het Genadeverbond, tot ons kwam; maar toch dank, dank er uw God voor, dat Hij nooit en nimmer iets, al ware liet ook maar het wicht van een haar, van die onverbiddelijke strengheid der Wet heeft afgelaten. Want bedenkt wel, een Wet, die met ook maar iets minder dan met de drijfveer der zuiverste en volkomenste liefde vrede nam, zou u als mensch verlagen en u doen zinken beneden het van God voor den mensch gestelde peil.

Ge zijt eenmaal zoo hoog als mensch door uw God gezet, dat ge een hart hebt, hetwelk op de zaligste en teederste liefde is aangelegd. Juist door dien aanleg van uw menschelijk hart is er inleven in het leven des Eeuwigen voor u mogelijk. En waar er ook maar eenigermate met het uitwendig volbrengen, met het opus operatum vrede kan genomen, zou de glans van uw menschzijn voor u ondergaan, het ideaal van goddelijke heerlijkheid voor u eeuwig verloren zijn, en kind van God wierdt ge nooit.

En daarom zij er dank, dank ook in ons zondig hart, dat God, de Heere, dit heerlijk en heilig ideaal niet dalen liet, dat Hij den bloemstengel niet afknotte, dat Hij de mogelijkheid van het kindschap niet voor u afsneed, en even daarom zijn hoog gebod onverbiddelijk liet, wat Hij het eens gemaakt had, een gebod, dat liefde eischt en liefde in den volkomensten en den allervolmaaktsten zin.


Vandaar dan ook, dat de „liefde voor den naaste” in die Wet des Heeren niet voorop staat, want dan zonkt ge nog.

Neen, voorop gaat de eisch, dat ge den Heere uw God, alzoo zuiver en volmaakt zult liefhebben. En er staat bij: dit en niet de „liefde voor den naaste” is „het groote gebod.” Wel is het gebod om den naaste lief te hebben, „aan deze gelijk” maar dit keerde toch de orde niet om. Liefde voor den Heere blijft toch het uitgangspunt, de drijvende en bezielende gedachte. Iets wat hierdoor uitkomt, dat ook de liefde voor uw naaste waardeloos voor de Wet Gods is, tenzij ook tot die liefde voor den naaste de liefde voor uw God u drijve.

Ge kunt het dus niet omkeeren. Niet, omdat ge uw naaste liefhebt, hebt ge God lief, maar omgekeerd, dan eerst hebt ge uw naaste naar den eisch van Gods bevel lief, zoo liefde voor God u tot liefde voor den naaste drijft.

Er is hier alzoo oorzaak en gevolg. De oorzaak ligt in het eerste en groote gebod om den Heere lief te hebben, en het gevolg ligt in het tweede, om deswege den naaste te minnen. Gevolg en oorzaak nu zijn, zoodra de oorzaak geheel heeft uitgewerkt, aan elkaar gelijk, maar |30| desniettemin blijft toch altoos de oorzaak de groote zaak en de eerste.

Niets heeft met Schriftuur of Wet of met den eisch Christi dus het doen en drijven en roepen derzulken gemeen, die zeggen: „Als ik voor mijn evenmensch maar in liefde alles over heb, dan zal God mij wel in genade aannemen”, of die, erger nog, spreken van een „zedelijk ideaal der liefde”, buiten alle geloof in God om.

Al zulk bedoelen looft de Schrift niet, maar ze weerstaat het. En alle liefde voor den naaste of voor den vijand, of ook alle menschenmin en barmhartigheid, die buiten den geest des geloofs om wil gaan, valt voor ’s Heeren Wet.

’s Heeren Wet was en is en blijft, en daar gaat in eeuwigheid niets van af: dat voor alle bloeien in den wortel onzer ziele staan zal de diepste en teederste liefde voor den Heere, onzen God, en eerst als daaruit afgeleid voortgebloeid de liefde voor menschen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001