HET EERSTE DEEL

Van des menschen ellende

*

Zondagsafdeeling II

Vraag 3. Waaruit kent gij uw ellende?

Antwoord. Uit de Wet Gods.

Vraag 4. Wat eischt de Wet Gods van ons?

Antwoord. Dat leert Christus in eene hoofdsom. Matth. 22 : 37-40: Gij zult liefhebben den Heere, uwen God, met geheel uw harte, met geheel uwe ziele, met geheel uw verstand en met geheel uwe kracht. Dit is het eerste en groote gebod. En het tweede, dit gelijk is: Gij zult uw naaste liefhebben als u zelven. Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten.

Vraag 5. Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

Antwoord. Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.


*

Eerste hoofdstuk.

Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods.

Rom. 7 : 23.


Het eerste stuk van den Catechismus, dat, terstond na de inleiding, reeds in de tweede Zondagsafdeeling aan de orde komt, bespreekt „des menschen ellende”, en dat wel in drie Zondagen of wilt ge in negen vragen. Zondag II handelt van de kennisse, Zondag III van den oorsprong en Zondag IV van de onafwendbaarheid onzer ellende.

„Ellende” is het hier zoo schoon gekozen woord, dat eigenlijk „ballingschap” beteekent, en door die beteekenis zoo juist het wezen van onze rampzaligheid uitdrukt, als daarin bestaande, dat we door de zonde ons zelven uit onzen oorspronkelijken gelukstaat, uit ons paradijs en het voor ons bestemde vaderland gebannen hebben. Vandaar dan ook dat de Catechismus, na gevraagd te hebben: „Waaruit kent gij uwe ellende?” ons |19| terstond wijst op de Wet Gods. Immers die Wet Gods, dát is juist de Wet, die den levensregel in het betere vaderland aanduidt, en waartegen wij met den onheiligen levensregel van ons ellendig aanzijn nu overstaan.

Van deze Wet Gods wordt hier nu niet gehandeld in hare deelen, maar als geheel. Als regel des levens voor Gods toegebrachte kinderen wordt ze in hare bijzonderheden van de XXXIIIste tot XLIVste afdeeling besproken, en het zou dus verwarring stichten en er toe leiden om tweemaal hetzelfde te zeggen, indien we nu reeds bij dezen Zondag het stuk der Wet in zijn geheel gingen afhandelen.

Neen, de Wet komt op andere manier in Zondag XXXIII en op andere manier hier ter sprake. Is ze in Zondag XXXIII een staf, waarop we bij ons wandelen leunen, hier is ze juist omgekeerd een staf, die ons slaat en neerwerpt en ons het voortgaan op den weg belet.

Om deze laatste beteekenis van de Wet wel in te zien, doet ge best met u een oogenblik in te denken in een toestand, dat gij feitelijk over uzelven hadt te beschikken, aan geen levend wezen verantwoording van uw leven schuldig waart, en dus ongedeerd en ongehinderd naar eigen gril en wil leven kondt. Immers in zulk een toestand zou er van ellende voor u geen sprake zijn. Niets zou u stuiten of in den weg staan. Al uw lust zou u toekomen. En zelfs de wetenschap, dat er een hooger en reiner geluk denkbaar ware, zou u geheel ontbreken. Het zwijn, dat in het slijk wroet, weet van geen ellendigheid, maar zoekt het slijk op. En zoo ook zou een mensch, die van geen hoogere wet afwist, voor wien geen hoogere wet bestond, en die zich zelf dus ten wet was, evenmin van eenige ellende ook maar het minste bespeuren.

Want zegt ge, dat zulk een toch krank zou kunnen zijn, toch verliezen zou kunnen lijden, toch onbevredigde neigingen zou kunnen hebben, dan is dit ten volle waar, zoolang ge altoos nog eenige wet Gods voor hem laat bestaan; zoo dan al niet voor zijne ziel dan toch voor zijn lichaam; en zoolang ge dat zoo laat, natuurlijk dan is er wer ellende.

Maar juist dat alles wilden we daarom, dat ge zoudt wegdenken. Geen wet Gods voor de ziel, geen wet Gods voor het lichaam, geen wet Gods voor de natuur, geen wetsbepaling des Heeren zelfs voor zijn levenslot, maar bij, de mensch zelf, machtig en bekwaam, om zelf de wet voor zijn ziel, zelf de wet voor zijn lichaam te stellen, om allen werstand der natuur te breken, en zelf den gang te bepalen van zijn levenslot.

Dan, maar ook dan eerst, ware er geen wet Gods voor hem, en dan ware er ook geen ellende denkbaar, in wat toestand hij zich ook bevond.

En werpt ge nogmaals tegen, dat de in dierlijkheid verzonken mensch, ook al bespeurde bij er zelf niets van, dan toch feitelijk en in de werkelijkheid |20| ongelukkig en ellendig zou zijn, dan is ook dit weer misgesproken, want ook de zake zelve, dat godzaligheid hooger adel verleent, zou, zoo er geen God en geen wet Gods ware, niet gekend zijn noch bestaan.

Nu echter is de toestand niet alzoo, maar geheel omgekeerd.

De Heere leeft, en er is van Hem uitgegaan een Wet. D.w.z. er is van Hem, die alle ding schiep, voor alle ding, dat Hij schiep, ook tevens een levensbepaling uitgegaan.

Hij is Heere, en omdat Hij aller dingen Schepper is, is Hij ook aller dingen souverein; en deze souvereiniteit des Heeren over alle ding is volstrekt en zonder perk.

Niets kan zijn, gelijk het zelf wil wezen, maar alle ding moet wezen, gelijk Hij wil.

Zijn wil beslist en is voor alle creatuur levenswet.

Gij kunt dus niet geboren worden op uw manier, of met een lichaam gelijk gij dit liefst verlangd hadt, maar eeniglijk gelijk Hij u schiep. Reeds daarin ligt een wilsbepaling voor u van den Eeuwige, die u levenslang den eisch van uw lichaam en de nooden van uw lichamelijk aanzijn bepaalt.

Ge kunt niet optreden in een wereld, die zijn zal gelijk gij wilt, maar ook in die wereld om u stuit ge overal op de wilsbepaling van uw God. Ge vindt een natuur, maar met de wetten door Hem aan die natuur ingeprent. Ge vindt een dierenwereld, maar met een levenswet door Hem haar gegeven. Ge vindt menschen, maar met een stuur en gang, die, ’tzij ten goede, ’tzij ten kwade gaande, in zijn ontwikkeling aan de Wet Heeren gebonden ligt. En in welk deel der wereld ge ook ingaat met uw geest, altoos stuit ge weer op diezelfde Wet des Heeren. Zijns is de wet, die ons denken beheerscht; Zijns de wet, die de tonenwereld regeert; Zijns de wet, die de kleurenpracht regelt. Kortom niets is, wat het is, bij geval, noch ook overgelaten aan de wet der menschen, maar voor alle ding en alle creaturen ligt de levenswet in de zaak zelve, naar oorsprong en wezen, gegeven door God.

Deze Wet des Heeren in haar vollen omvang en uitgestrektheid is de band, die alle leven omsluit en omklemt, en nu maakt, dat er zeer zeker geluk, dat er vreugde en zaligheid voor het creatuur bestaat, maar alleen dan, wanneer het naar die Wet des Heeren leeft en loopt. Want doet het dat niet en loopt het tegen die Wet des Heeren in, dan is het onvermijdelijk gevolg, dat het creatuur zich tegen die Wet des Heeren stuk wringt en juist door die Wet ongelukkig wordt.

De Wet van onzen souvereinen God is een levenswet, een wet, die levend en gelukkig maakt, zoo ge loopt in haar spoor, maar ook een wet |21| die doodt en ellendig maakt, zoodra ge van haar spoor afwijkt of er tegen ingaat.

Immers in die Wet is de Heere zelve; wie haar hoort, hoort Hem, en zich inzetten tegen die Wet, is dus tegen Hem gaan staan, d.i. Hem den almachtigen God tegen zich krijgen. En hoe zou nu een bloot schepsel anders dan ellendig worden en onder den dood raken, als het den Heere onzen God tegen zich in krijgt.

Zoo nu staat het op elk gebied.

Een brasser en dronkaard, een wellusteling en dienaar der zinlijkheid stoort zich niet aan de Wet, die God voor zijn lichaam gaf; maar gaat tegen die wet in; en het gevolg is dat God, de Heere, hem in allerlei pijn en ongesteldheid en slapheid komt ontmoeten. En zulk een voelt zich dan ellendig en jammerlijk en ongelukkig, en de geneesheer, die tot hem komt, verkondigt hem in het zeggen: Gij moet sober leven, gij moet matig en ingetogen zijn, — de wet van zijn God voor het lichaam.

Maar geheel datzelfde geldt nu, en in nog sterker mate voor de Wet des zedelijken en des geestelijken levens, die er de keerzij van vormt.

De wet is tweeërlei. Een wet voor ons uitwendig en een wet voor ons inwendig leven, en die twee hangen samen.

Had nu de mensch in het paradijs de Wet van zijn God voor zijn inwendig leven ontzien, dan zou ook de wet voor zijn uitwendig leven voort zijn gegaan hem te zegenen. Maar nu hij de wet voor zijn inwendig leven brak, nu vloeide hier ook vanzelf uit voort, dat hij de wet van zijn inwendig leven tegen zich kreeg. Zonde en straf hangen alzoo op ’t innigst saam. Zonde is het breken van de geestelijke wet, en is niets, straf is de noodzakelijke krenking, die ons in ons uitwendig leven wordt aangedaan door de wet, die God voor ons uitwendig leven gaf, zoodra wij de inwendige wet breken.

Dit toch is het geheel bijzondere van de wet des geestelijken levens, dat ze tot ’s menschen wil komt, en niet anders dan door ’s menschen wil kan volbracht worden. Een daad, die geheel buiten onzen wil omgaat, draagt geen zedelijk karakter. Een steen valt naar het gebod van de natuurwet, of hij wil of niet, en geheel buiten den wil, dien een steen zelfs niet bezit, om. Het water daalt van de bergen af, omdat het moet, en het kan niet terug tegen de bergen opstuwen. Dat alles moet, dat gaat vanzelf. Daarbij komt ganschelijk van geen wil sprake. Maar anders is het op zedelijk terrein. Zedelijk leven bedoelt juist: den persoon des menschen zelf als instrument in de ten uitvoerbrenging van de wet te laten optreden. Meer dan instrument is de mensch ook met zijn wil niet. Als er eenige daad van barmhartigheid geschiedt, gaat die altoos uit van God, |22| en nooit van den mensch zelf. Van boven, van den Vader der lichten komen alle goede gaven, uit die Fontein en uit haar alleen vloeit alle goed. Maar, en hier dient wel op gelet, dat zedelijk goed vloeit altoos door het kanaal van ’s menschen wil, en deze wil van den mensch is nu een zoodanig kanaal voor Gods goede gaven, dat de mensch zelf in het werk Gods meewerkt; niet als iets dat bij Gods werk bijkomt; dan toch zou er weer een deel goeds niet uit Hem, maar uit den mensch komen; doch zóó, dat het werk Gods deze wilswerkzaamheid des menschen onderstelt en gebruikt.

En hiervandaan nu komt het, dat een mensch in tweeërlei positie tegenover de zedelijke Wet des Heeren kan staan. Hij kan namelijk zijn wilswerkzaamheid in het spoor van die Wet des Heeren laten loopen, en dan is zijn wil instrument en kanaal voor het invloeien van Gods geestelijke gave. Of ook hij kan zijn wilswerkzaamheid uit dat spoor laten uittreden en dan is zijn wil een dam, een weerstand, een verhindering, die maakt dat de geestelijke gave uitblijft.

Ook uw geestelijk leven is niet uwe schepping. De Heere heeft ons gemaakt en geenszins wij. Ook de aard van ons geestelijk aanzijn is dus door Hem bepaald, en alleen dan wanneer ons geestelijk leven leeft naar den levenswil, dien God, de Heere, er voor gaf, kan het tieren en bloeien. Leeft het naar die wet niet, maar gaat het er tegen in, dan verdort en verschrompelt het en gaat dood.

Het wordt dan zwak, slap, krank en ontsteld, en reeds dit ontaard en ontwricht zijn van ons inwendig leven, is op zichzelf diep ellendig.

Doch hier blijft het niet bij.

Immers, ook al gaat de mensch tegen de Wet des Heeren in, toch blijft die Wet hem achtervolgen; en waar hij meende op zijn zondigen weg halt te kunnen houden en zijn zonde te kunnen beperken tot een gedeeltelijk kwaad, stuwt de innerlijke kracht van die Wet des Heeren, die in ons inwendig aanzijn ligt, ons op dien zondigen weg voort en voort, en dwingt ons om van de ééne ellende telkens onwillens en ongemerkt in nog dieper zedelijke ellende af te glijden.

Voeg hier nu bij, wat we straks reeds aanstipten hoe dit weerstaan van „de Wet voor ons inwendig leven”, ook uit „de wet van ons uitwendig leven” ons tot een vijand maakt, en dan vanzelf allerlei krankheid, ongemak en levensverwoesting na zich sleept, en ge zult gevoelen, hoe die wet des Heeren, zoodra ge haar schendt en aanrandt, letterlijk een onweerstaanbaar machtig werktuig wordt, dat u van alle zijden met zijn raderen en haken aangrijpt, meesleurt waar ge niet wezen wilt en vernielt. |23|

En dat ontzettende nu, dat de Wet des Heeren een schrikkelijke vijand is, die vernielend aankomt op ieder die haar krenkt en breekt, dit ligt daaraan, dat het de Wet Gods is.

Was het niet de Wet van God, maar b.v. de wet van het noodlot of de wet van de natuur, of van het gevoel, het zou nog zoo schriklijk niet zijn; dan toch kon de vernieling nooit verder gaan dan de natuurlijke werking dier wet strekt.

Maar nu het de Wet van den levenden God is, nu wordt die Wet voor een iegelijk, die haar aanrandt, een verterend vuur. Want nu zit achter die Wet almacht, achter die Wet oneindigheid, en stuit niets in hemel noch op aarde de talloos doordrijvende en voortstuwende mogendheid van haar vaart.

Durft ge eens de hand tegen haar opheffen, dan grijpt ze u aan en dringt u terug en laat u niet los, en rust niet, eer ge het alleruiterste van haar doodelijke werking tot den einde toe, naar ziel en lichaam beide ervaren hebt.

Daarom zegt de Heilige Schrift dat in die Wet God zelf een verterend vuur is, waarbij niemand wonen kan.

En zoo is het dan diep en innig waar, wat de Catechismus ons zegt: Uwe ellende, ja die kent ge enkel en alleen uit de Wet Gods.

Niet in dien matten, flauwen zin, alsof bedoeld ware: Die Wet geeft u een beeld van uw eigen wezen, hoe ge zijn moest, schoon en heerlijk, en daarmee nu uw werkelijk wezen vergelijkend, bespeurt ge hoe verminkt ge zijt.

Wie zoo spreekt, kent de Wet des Heeren niet als een levende Wet, die denkt nog meer aan een stuk papier, waarop eenige woorden staan, en heeft nog nooit gevoeld wat die ontzaglijke macht is, die in de Wet des Heeren tegen hem inkomt.

Maar kwaamt ge daartoe, ziet ge die Wet des Heeren als een zwarte onweerswolk steeds boven uw ziele en boven heel uw aanzijn drijven, ja, waarlijk, dan zult ge het uitnemend beseffen, dat al uw menschelijke ellende van die door u gehoonde Wet komt; dat, als die Wet maar weg kon, ook u opeens een pak van het hart zou vallen; en dat al uw ellende feitelijk u door die Wet wordt toegebracht; ja, dat die Wet u voor eeuwig zal dooden.

o, Die Wet des Heeren is zoo lieflijk voor wie een Verzoener voor zijn zonden vond. Dan jubelt de ziel in die Wet des Heeren, want dan is ze liet rijkste en heerlijkste dat zich denken laat.

Maar juist omdat die Wet u zoo heerlijk maakt, als ze u ten vriend is, juist daarom is ze ook zoo schriklijk en ontzettend voor hem, die ze ten vijand kreeg. |24|

Want dan is die Wet schrikkelijker dan een verscheurend dier, dat met opgesperden muil en uitgeslagen klauw op u aankomt, en dan is er geen erbarmen.

Ging nu voor die Wet uw oog niet open, natuurlijk dan kreegt ge ook nog geen oog voor het schriklijke van uw ellendigen toestand. Ge sliept dan nog rustig in de hut van een stoomschip, dat midden in den oceaan reeds halverwege zonk.

Maar zoo ziet ge die Wet des Heeren niet, ziet ge haar niet met haar ontzettendheid en macht tegen u gekeerd, of schriklijk slaat het besef van uw ellende over u.

Ge wordt wakker, ge vliegt naar het dek, en nu opeens is diezelfde zee, die gisteren nog uw vriend scheen en u droeg en voortstuwde, zonder zelve ook maar eenigszins te veranderen, opeens, plotseling in uw schriklijksten vijand verkeerd, nu ze haar golven opsplijt om u te verslinden.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001