Derde hoofdstuk.

Dat gij uws zelfs niet zijt.

1 Cor. 6 : 19.


Wat is dan nu het machtige besef, wat de wereld van zalige gedachten, wat de heilige verkwikkende zekerheid, die als éénige troost voor heel uw aanzijn, naar lichaam en ziel beî, voor nu en voor eeuwig, u te midden van de vervaarnissen van dit leven toekomt, om u te verlossen van bedruktheden en u te doen jubelen in uw God? Uw éénige troost, waarin bestaat die dan nu? |13|

En op die vraag geeft de Heidelbergsche Catechismus nu het zoo aangrijpende en overschoone antwoord, dat deze eenige en algenoegzame troost enkel maar hierin ligt, „dat ik, als verloste, niet meer mijzelven toebehoor, maar het eigendom ben van Christus.”

Dat ééne, dát is het.

Want wel volgt er in het teedere en overrijke antwoord nog meer, maar al wat er meer in ligt, is slechts de uitlegging en toelichting van dat ééne en éénige: „Niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers eigen.”

Klanken en woorden, hoe schoon en boeiend ze ook verder in dit antwoord voorkwamen, mogen hierbij onze aandacht niet afleiden noch ons op een dwaalspoor lokken. Al het zalige, dat in de verzoening onzer zonde ligt, is slechts gevolg van dat ééne, dat ik Jezus toebehoor. Al het heerlijk bewustzijn, dat Satan niets meer tegen mij vermag, vloeit slechts voort uit het zalig feit, dat ik Jezus’ gekochte ben. Al de ruste, die het mij biedt te weten, dat geen hair van mijn hoofd zonder Gods wil kan gekrenkt worden, is slechts vrucht van mijn staan onder Jezus. En zoo ook, al de moedgevende zekerheid, dat Hij door zijn Heiligen Geest mij er zal doen komen, is wederom slechts een welriekende geur, die uit dien éénen bloesem, dat ik Jezus’ eigen ben, mij tegenademt.

Al het vorige is dus slechts gevolg, uitvloeisel, vrucht, en dus afgeleid en bijkomstig, maar hoofdzaak, wortel van het wezen, en dus in heel den omvang op den voorgrond dringend is hier slechts dit ééne machtige feit, dat er een zondaar was, die voor eigen rekening stond, en dat deze zondaar nu kind van God is en dus nu ligt voor rekening van Jezus.

Denk u een kleinen jongen, die eenzaam afzwierf, en een boozen hond op zich ziet aankomen. Zoolang nu die jongen niemand om zich ziet en het zelf met dien boozen hond moet afdoen, is hij in doodsangst. Want hij kan dien grooten bandrekel niet aan. De kwade hond loopt hem om en zal hem bijten. En wat zal hij daartegen doen? Als hij tegenslaat bijt de hond hem maar in zijn hand. Maar merkt nu die kleine knaap op eenmaal, dat zijn vader met een dikken, stevigen knuppel in de hand achter hem staat, zie dan slaat opeens de angst van dien kleinen jongen in lachende vreugd om. Want niet alleen dat die hond hem dan niets meer doen kan en vader den hond wel toe zal takelen; maar nu slaan opeens de rollen om. Nu is er geen gevaar meer voor hem, dat hij van dien hond zal krijgen, maar wel gevaar voor den hond, dat hij zal krijgen van zijn vader. In plaats van druk en benauwdheid nu dus een gevoel van verlossing en meerderheid. Eerst bang, nu triumfeerend!

En dit nu zit in dat eerste antwoord van den Catechismus, en daarom toovert het zulk een stille vreugd in ons hart. |14|

Het troost u niet maar, doordien het u een kans opent om te ontkomen, maar omdat het u opeens een gevoel geeft van onverwinlijkheid en onaantastbaarheid, ja, van triumf en zegepraal over uw vijand.

Het beeld is niet eigenlijk aan de slavernij, maar aan het leenstelsel en het denkbeeld van souvereiniteit ontleend; een verschil, waar scherp op dient gelet.

Nooit zou een Ursinus of Olevianus de verlaging van onze menschelijke natuur hebben aangewild, om te zeggen: „Mijn troost is, dat ik niet vrij, maar een slaaf van Christus ben!” en nooit zou ons van Spanje vrijgevochten volk in zulk een beeld van geestelijke slavernij de uitdrukking hebben begroet van den besten en eenigen troost in leven en in sterven.

Heel het denkbeeld van slavernij moet dus weg, en dat er staat: „Jezus heeft voor mij betaald” zegt wel dat hij den schuldeischer voor mij stilde, maar volstrekt niet, dat er nu een slavenband ontstond.

Uitgangspunt is hier het „geweld van den Duivel” wat zeggen wil dat de zondaar buiten Christus in de macht van den Duivel is.

In de Middeleeuwen heerschte hier het leenstelsel, en ook onze Hervormers waren onder den invloed van dit leenstelsel opgegroeid. Naar luid van dit stelsel nu woonde de gewone man op het erf van een machtig heer, en deze heer had nu aanspraak op zijn dienst en toewijding, maar nam dan ook de verplichting op zich om zulk een leenman tegen alle geweld van vreemden te beschermen.

Stond men op zich zelf of bezat men zelf een kleine macht, dan stond men voor eigen hoofde, en als er dan een machtiger kwam, dan stond men weerloos, en nooit ontbrak het aan booze geweldenaars, die zulke weerloozen aanvielen en opslokten.

In zulk een verlegenheid deden deze weerloozen dan meest aanzoek bij een machtig heer of hij hen onder zijn gebied en onder zijn bescherming wilde nemen. En nam zulk een machtig heer dit aan, en woonden ze dus voortaan op zijn erf, en wist ieder buiten af: „Zoo ge aan deze lieden raakt, neemt die machtige heer het voor hen op”, dan was opeens alle angst voor deze eerst weerloozen verdwenen, dan dorst niemand hun meer kwaad doen en woonden ze in rust en vreÍ.

En hiermeÍ nu vergelijkt de Catechismus den toestand van een zondaar buiten Jezus en onder Jezus’ hoede.

Een zondaar buiten Jezus is een vrijgeërfde, die op zichzelf staat, die uit eigen macht leeft, die voor eigen rekening zaken drijft, en als er ongeval komt, zelf moet zien, hoe hij zich redt.

En dit nu bekomt aan den zondaar bitter zuur. Want naast hem woont een machtig geweldenaar. Die geweldenaar heet Satan. En wat hij er ook |15| tegen doe, hij kan dien duivel niet aan. Diens geweld is hem te machtig. Slag op slag, keer op keer legde hij het dan ook af. En gevolg was dat hij allengs geheel onder de hoogheid of het „geweld”, zooals men destijds van dien boozen Satan gekomen was.

Vandaar nooit rust, maar altoosdurende angst.

Nooit en nergens is hij veilig, en zoo kan Satan zich niet weer vertoonen, of hij beeft reeds weder, want hij kan hem toch niet aan, er moet toch weer nederlaag volgen; en de harde striemen voelt hij reeds vooruit.

De wonden hebben zelfs geen tijd van genezing; eer de eene wonde een roof kon zetten, is de tweede wonde er reeds naast.

Maar wat gebeurt nu?

Opeens doet zich in zijn leven nu een machtig Heer aan hem voor, wiens naam zoo geducht is, dat geen enkel geweldenaar tegen hem maar iets vermag, en die ook dien geweldigen Satan aangegrepen en den kop verbrijzeld heeft; ja, die opzettelijk kwam, om de werken van Satan te verbreken.

En die ongelooflijk machtige Heer nu, waar elk geweldenaar voor vreest, die Zone Gods, die Immanuël, Christus Jezus, die heeft nu opeens aan dien schriklijken toestand van gestadigen angst en vrees een einde gemaakt door hem over te zetten op zijn erf.

En nu is hij opeens volkomen getroost en jubelt hij in heiligen vrede. Want zie, nu die machtige Jezus zijn leenheer wierd, nu durft niemand meer iets tegen hem beginnen. Voor dien Jezus deinst alle macht terug, en wie zich nog aan hem waagt, ondervindt op schrikkelijke wijze zijn toorn.

Slechts één ding kon nog zorg baren. Hij was in schuld, en door die eens gemaakte schuld kon er een band liggen die straks weer zijn geluk bedierf, maar ook dat krenkt hem niet meer, want die machtige Jezus wilde geen beschermelingen onder zijn hoede nemen, die in schuldbanden lagen, en heeft daarom eer hij hen op zijn erf overzette, alle schuld voor hen afbetaald, betaald volkomenlijk, betaald met zijn dierbaar bloed.

En zoo leeft hij dan nu onder die hoogheid en hoede en bescherming van zijn machtigen Jezus. Alle schuld is afgedaan. Van onder Satans vreeslijke overmacht is hij uit. En voor mogelijke nieuwe aanvallen bewaart hem zijn Heer en Heiland. En dat met zulk een bewaring, dat zelfs geen hair van zijn hoofd zonder den wil van zijn hemelschen Vader kan gekrenkt worden. Ja, dat wat hem ook wedervaart, de uitkomst altoos heerlijk moet zijn, en het eind van alle wederwaardigheid goed. |16|

Nog één angst kon intusschen zijn ziel bekruipen en die is, dat hij van dien Heer weer af zou raken, en zijn gunst weer zou verliezen.

En dan ware het natuurlijk nog vreeslijker. Want na het zoet van vreê en rust gekend te hebben, terugvallen in het geweld van Satan ware om de ziel van doodsangst te doen ineenkrimpen.

En toch hiervoor bestaat gevaar.

Gevaar in tweeërlei opzicht.

Vooreerst doordien het kon zijn, dat deze Heer slechts besloten had hem voor een tijd te beschermen, en ten tweede doordien hij als leenman verplichtingen van dienst tegenover zijn leenheer heeft, en nu te kort kon schieten in het presteeren van wat hij schuldig was.

Daarom is het hem niet genoeg te weten: „Ik woon op Jezus’ erf. Jezus deed alle schuld voor mij af. Jezus brak Satans geweld. Jezus bewaart en behoedt mij”, — maar moet hij ook nog weten, dat deze toestand duurzaam is en dat hij zijn verplichtingen kan nakomen.

Volkomen wordt die eenige troost dus pas door wat de Catechismus er aan het slot bijvoegt: „Die machtige Jezus is zulk een Heer, die u door zijn Heiligen Geest de stellige verzekering geeft, dat ge nooit weer van zijn erf af gaat, en bovendien zelf u van harte willig en bereid zal maken, om hem met goede mannentrouw te dienen.” Dit toch en geen ander is de beteekenis van de slotwoorden: „Waarom Hij mij ook door zijn Heiligen Geest des eeuwigen levens verzekert en hem voortaan te dienen van harte willig en bereid maakt!”

Zoo voelt men den troost, zoo leeft men zelf in de zalige wetenschap van in alles en voor altoos gered en geholpen te zijn, en zoo valt heel onze ziel er bij, als het kind van God in dit aan Jezus toebehooren en onder Jezus’ hoede en bescherming staan, een troost zoo eenig en zoo zalig en zoo algenoegzaam vindt, dat hij het uitjubelt tegenover den vijand zijner ziele.

Ziedaar dan de rijke wereld vol zalige gedachten, die deze Troost u biedt.

Maar juist opdat deze Troost er nu bij u in zou gaan, en telkens dieper door u zou gevat en ingedronken worden, is het nu noodig, dat ge niet bij dit beeld en bij den algemeenen indruk ervan staan blijft, maar dat ge u inspant om met een klaar en helder bewustzijn in deze kostelijke vertroosting in te gaan.

Van uit de hoogte, van den top des bergs is deze zaligheid u gekomen, maar bij dien blik uit de verte moogt ge niet rusten. Ge moet den berg af het dal in, om van nabij de heerlijkheid van deze schoonheden te bewonderen. |17|

Traagheid van geest ware hier zonde. De kennisse moet voort en verder dringen. Deze zalige vertroosting moet steeds rijker en voller, ook met ons bewustzijn, verstaan.

Vandaar de vraag: „Om nu dezen troost wezenlijk te genieten, wat weg moet dan ingeslagen?” of zooals er staat: „Hoeveel stukken zijn u noodig, om zaliglijk te leven en te sterven in dezen troost?”

En nu luidt het antwoord even zinrijk als natuurlijk: 1º. u rekenschap geven van de schrikkelijke ellende en den pijnlijken toestand waarin ge, voor eigen rekening staande, verkeerdet; 2º. klaar inzien, hoe ge uit dien toestand overgezet wordt op het erf van dien machtigen Jezus; en 3º. wel indenken, op wat wijs gij nu voor dien machtigen Heer leven en in dank Hem zijn hoede vergelden zult.

En zoo dringt de onderwijzer Gods kinderen om niet stil te zitten, maar zich steeds klaarder en helderder bewust te worden van hun staat en toestand voor God.

En daarom een blik in de diepte en in het verleden, t.w.: De kennisse hoe zondig en dies hoe ellendig ik ben.

Een blik op al het sieraad van Gods heilig Woord, namelijk: De kennisse van den Eénige, dien onze ziet als haar Verlosser begroet.

En dan een blik op den weg, die voor u ligt: De kennisse hoe uw God in dank en trouwe te dienen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001