Tweede hoofdstuk.

Het zij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.

Rom. 14 : 7.


In de tweede plaats zij opgemerkt, hoe de Catechismus ons aanstonds noopt om ons leven en heel ons aanzijn op te vatten als één geheel.

Onze zin neigt altoos om te deelen; om het leven van de ziel apart te nemen en apart het leven van het lichaam; nu alvast voor dit leven te zorgen en eerst later voor ons leven hiernamaals. Zoo snijden we elk verband door. Men zorgt voor het lichaam zonder op de nooden van zijn ziel bedacht te zijn, of ook men is bedacht op zijn eeuwig heil, maar onder verwaarloozing van de eischen des stoffelijken levens. Men splitst wat bijeen hoort, en komt daardoor ongemerkt tot een veel te materialistisch opnemen van het aardsche leven en een veel te spiritualistisch opvatten van de zake der ziel.

En hiertegen nu is het, dat onze Catechismus terstond reeds door zijn eerste vraag protest indient. Zulk een onnatuurlijke scheiding mag niet. En daarom vraagt hij aanstonds: „Wat is uw eenige troost, beide in het leven en sterven?” en laat er op antwoorden: „Dit, dat ik met lichaam en ziel beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben.”

Hij neemt Gods kind dus zooals het is en bestaat, en als mensch naar den vollen omvang zijner nooden, voor hem treedt. We zijn nu eenmaal geen schimmen en geen zielen, maar levende wezens met een lichaam, dat ons gemeenschap geeft aan de zichtbare wereld, en met een ziel, die ons in verband stelt met de onzichtbare dingen. En evenzoo, we leven niet |8| maar nu, om straks in het niet van den dood te verdwijnen, maar we hebben als menschelijke personen een eeuwig bestaan. Vergaan kunnen we niet. Zij het dus al, dat wij vaak in overgeestelijke oogenblikken onze ziel, of in ongeestelijke tijden ons lichaam vergeten; of ook dat we geheel opgaande in de zorgen voor den dag van heden, onzen eeuwigen toestand uit het oog verliezen; toch doet dit niets af aan het feit, dat we als menschen naar ziel en lichaam beide bestaan en eeuwig bestaan zullen.

En omdat we zoo bestaan, spreekt de Catechismus ons nu ook als zoodanig toe, en verbiedt ons vrede met eenige religie of eenige vertroosting te hebben, die niet op eenmaal voor ons geheele wezen (naar ziel en lichaam beide) en dat wel in ons gansche bestaan (d.i. voor nu en voor eeuwig) de volkomen zaligheid biedt.

Geen valsch spiritualisme dus, als ware het geloof alleen voor de ziel en als had de godzaligheid alleen maar een belofte voor het toekomende leven. Tegen zulk een opgeschroefde en onware voorstelling van het heil des Heeren, staat de kalme, nuchtere belijdenis van onze Christelijke Religie lijnrecht over. Een religie, die in de opstanding des lichaams Christi roemt; roemt dat hij lichamelijk ten hemel voer; en nu nog in ons vleesch leeft om voor ons te bidden; en dus op alle manier, naar luid onzer Confessie, leert, „dat onze zaligheid ook aan de waarheid zijns lichaams hangt” moet zulk een spiritualisme uit beginsel bestrijden. De „wederopstanding des vleesches” werpt heel deze valsche theorie dan ook omver. Ook het lichaam heeft wel terdege eeuwige beteekenis. Ook verheerlijking van dit zoo diep gevallen lichaam zal wel terdege eens het deel van Gods kinderen zijn. En in de zalen des eeuwigen lichts zal niet een vaal, onwezenlijk schimmenrijk, maar wel terdege een Paradijs Gods en een Nieuw Jeruzalem ons menschelijk besef verrukken.

Die eenheid mag dus niet gebroken. Ons lichamelijk en geestelijk bestaan maken saam ons wezenlijk bestaan uit. Onlichamelijk te zijn is het eigenaardig bestaan van een engel. Mensch, en dus niet engel, maar meer dan engel te wezen, eischt de lichamelijkheid er bij.

Deze eenheid nu ligt voor het geloof daarin geheiligd, dat een kind van God zoo voor zijn lichamelijk als voor zijn geestelijk bestaan, een zelfden troost bezit. Het is niet: Christus de troost voor de ziel en voor het lichaam een andere troost. Neen, maar voor lichaam en ziel saam één zelfde troost. Beide malen de Christus. En ook dit niet weer zoo, dat Christus op andere wijs en door tweeërlei verlossingswerk de eene maal de Verlosser van uw lichaam ware en de andere maal de Verlosser van uw ziel. Ook dit zou weer de eenheid breken. En daarom heet het zoo kernachtig, dat „voor |9| lichaam en ziel beî” de eenige troost beide malen in ditzelfde ligt, dat ik, zooals ik ben en besta, mijns Heeren ben.

Dit nu strekt zich natuurlijk tevens uit tot de levenssfeer, die én voor ons lichaam én voor onze ziel gegeven is. Ook ons lichaam staat niet op zichzelf, maar leeft in verband met al het zichtbare. Door dit nadruk leggen op „ons lichaam” neemt de Catechismus dus terstond geheel ons zichtbaar en uitwendig leven tevens in onze godzaligheid op. Kloosterachtige laatdunkendheid tegenover de zichtbare wereld is hiermee dus afgesneden, maar ook afgesneden alle slordigheid en achteloosheid, die, mits men maar Gods verborgen omgang had, plichtsverzuim wilde vergoelijken of nalatigheid in het aardsche leven verontschuldigen. Is eenmaal mijn lichaam evengoed als mijne ziel, in het genadeverbond opgenomen en daarmee ook heel mijn uitwendig leven geheiligd, dan volgt hieruit vanzelf, dat ook de zorge voor de reinheid van het lichaam en de gezondheid van mijn lichaam, en de voeding van mijn lichaam, en de kleeding van mijn lichaam onmiddellijk onder de beademing des geloofs komt, en dat evenzoo het zorgen voor de huishouding, het volijverig zijn in ons goddelijk beroep, het deelnemen aan de zaken van den burgerstaat, het uitgaan op de paden der wetenschappen, en het belangstellen in alle uitingen van ons maatschappelijk leven, rechtstreeks door den zuiveren drang des geloofs beheerscht wordt. „Wie zijn huisgezin niet verzorgt, is erger dan een ongeloovige!” zegt de heilige apostel, en juist aan deze zuiverder opvatting van den eenigen troost des levens dankte eens ons Calvinistisch volk zijn roep van zindelijkheid en netheid, zijn rein en rijk huiselijk leven, zijn voorspoed in nering en bedrijf, zijn naam in kunsten en wetenschappen, en ook de macht, die het over de volken kreeg. Onze vaderen verstonden het, dat ook „onze lichamen leden van Christus zijn,” en wisten profijt te doen met de zeldzame kracht, die school in de heerlijke belijdenis: „Hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heeren!”

Deze algemeene gezichtspunten nu zijn voor een volk kostelijker dan goud van Ophir, en niet te berekenen zijn de uitnemende stoffelijke en geestelijke voordeelen, die aan een volk te beurt vallen, zoo het van meet af in deze zuivere paden en gangen geleid wordt, door uitzuivering uit zijn religie van elke principiëele dwaling en een reformeeren van de uitgangen van zijn bewustzijn.

Wie zoo, naar het woord van onzen Catechismus, zijn aanzijn en bestaan als mensch in de volstrekte eenheid van zijn lichaam en zijn ziel, van zijn tijdelijk en eeuwig leven mag opvatten, die heeft wat aan zijn religie, die is rijk in zijn geloof, die behoeft geen oogenblik uit het schoone heiligdom zijns Heeren uit te treden, maar die woont metterdaad in den |10| tempel zijns Gods. En valt zoo door deze reformatie van ons bewustzijn de scheiding tusschen leven en godsdienst weg, tevens wordt er de moed, de wilskracht, de persoonlijke ontwikkeling machtig door gesterkt. Wie niet gedeeld en geslingerd als een bare der zee, maar in de volstrekte eenheid van zijn bewustzijn wandelt, in dien komt karakter, die weet waar hij op af gaat, die kan de krukken wegwerpen, die trekt voort in vrome zelfstandigheid, met een onverwinbren dorst naar vrijheid in het hart.

Zoo lag dan bij onze vaderen hun schoone historie niet naast hun Catechismus. Neen uit hun historie was de Catechismus en wederom uit dien Catechismus is hun historie voortgekomen.

Omdat God ze vrije mannen had gemaakt, ging hun oog voor de heerlijkheid der gereformeerde religie open, en toen ze die gereformeerde religie door Gods genade ontvangen hadden, drong die zuivere, heldere, echt menschelijke belijdenis hen op heilige levenspaden en wist hun de geesten te onderwerpen.


Maar bovendien die kloekheid en beslistheid wierd eveneens bevorderd door wat de Catechismus in de derde plaats sterk uit doet komen, t.w. de geheel eenige uitnemendheid en het absolute of volstrekte karakter van onze Christelijke Religie.

Hij drukt dit uit door het woordeke éénige.

Niet een religie naast andere religiën, noch ook een religie, die als de hoogste, alle overtreffen zou, maar een religie die alleen en eeniglijk de ware is en tegen welke alle andere als valsche nabootsingen of verzonnen geloofsvormen overstaan.

Ook dit punt is van gewicht, omdat juist deze absolute beslistheid aan onze vaderen zulk een onverwinlijke kracht instortte, om én den strijd vol te houden, én in dien strijd de geesten te boeien en niet minder omdat juist het gemis van deze beslistheid de kanker is, die ons tegenwoordig geslacht ontzenuwt.

Nooit hebben onze vaderen gezegd (en ook onze Catechismus beweert dit ganschelijk niet) dat alleen de Gereformeerde Religie kan zalig maken. Integendeel, steeds hebben ze erkend, dat er volken en kerken zijn, die ook bij minder licht en met minder talent toch wel terdege den Heere dienden. De waarheid kan ook „onder een deksel” en dus ook ten deele nog met onware gedachten vermengd liggen. Vandaar dat ze nooit hebben geaarzeld, om ook de Luthersche broederen en later de Doopsgezinden en zoo vele anderen, als deelgenooten van het Rijk Gods te erkennen. Wel hebben de Lutherschen te Leipzig Calvinisten, omdat ze Calvinisten waren, ter dood gebracht en aan arme bannelingen, die heil in Hamburg en |11| Denemarken zochten, met vrouw en kroost te midden van een barren winter herberg geweigerd; maar steeds is van gereformeerde zijde het trekken van zoo onzuivere grenslijn afgekeurd.

Ook „onder een deksel” moet de predikatie der waarheid wel terdege geëerd worden, niet om het deksel, maar in weerwil van het deksel, dat er op ligt, om de waarheid, die er onder schuilt. Zelfs het meer aanmerkelijk deel van waarheid, dat nog in de belijdenis der Roomsche kerk ligt, is door onze beste en vroedste mannen steeds gewaardeerd; mits op twee conditiën, en het is op de conditiën dat het hier aankomt.

De eerste conditie is, dat men nimmer zal ophouden dit deksel deksel te noemen, en niet zal aflaten van de poging om het van de waarheid af te nemen. Dus niet zeggen zooals thans: „Och, Luthersch of Gereformeerd, Mennoniet of Remonstrant, Roomsch of Grieksch, dat doet er niet toe!” maar rusteloos zijn protest herhalen tegen alles, wat in deze belijdenissen onwaar is. Deels omdat de waarheid zelve te heilig en te heerlijk is, om bedekt te mogen blijven. Deels omdat liefde voor de Luthersche en andere broederen niet gedoogt, dat we hen drabber water drinken laten, waar ook voor hen zuiverder wateren vloeien konden. En ook en niet het minst, omdat aflaten van zulk ernstig protest tegen de dwaling, uzelven en uwe kinderen aan het gevaar blootstelt, om er zelven mee te worden behept.

Maar er is een conditie en deze is hier wel hoofdzaak; en die is, dat we noch met, noch zonder deksel ooit als religie erkennen zullen, wat geen geopenbaarde waarheid is.

Een Lutheraan (mits hij het met Luther houde en anders draagt hij zijn naam valsch) wil van niets anders dan van geopenbaarde waarheid weten en verwerpt alle redevondsten. Een Mennoniet (mits hij Menno’s volger zij) staat op geheel hetzelfde standpunt, zij het ook dat het bevindelijke hem soms parten spele. Een Griek moge allerlei overlevering en kerkelijke vondst naast de Schrift leggen, maar toch ook hij wil niet uit de menschelijke wijsheid putten, maar zich laven aan de wateren des heils. Ja, zelfs een Roomsche, hoeveel onwaars hij ook bij zijn waarheid menge, houdt toch altoos staande, dat de waarheid, die een Christen belijden zal, op bovennatuurlijke wijze van God moet zijn geopenbaard.

Maar de dwalingen, die thans ingang vinden, laten juist dit alles beheerschend grondbeginsel varen en tasten de Openbaring zelve in haar geheel eenig karakter aan.

Men zegt nu, dat de afgoderijen der Chineezen en der Hindoe’s, der Grieken en Romeinen, der Celten en Germanen, wel minder rijpe godsdienstvorrnen waren, maar toch bloesems, ontloken aan denzelfden stam, waaraan onze Christelijke Religie is opgebloeid. Verschil in graad wil men |12| aannemen, maar in soort niet. Moloch en Jehovah, Baäl en Immanuël, het moet al één oorsprong hebben, slechts in trap van religieuse volkomenheid onderscheiden.

En om dit aannemelijk te maken, wordt het wezen der Openbaring dan in zijn hart aangetast, en tusschen de Openbaring Gods en de uitspraken eener zondige rede een overgang getooverd, die de Rede steeds in autoriteit klimmen, de Openbaring in goddelijk gezag steeds dalen doet, en ten slotte beide zoo ineen doet vloeien, dat er gansch geen zekere Openbaring meer bestaat.

Zoo wordt dan alle waarheid betrekkelijk, alle vastheid gaat waggelen, op niets kan men meer vast en stellig aan.

En zoo is men er dan toe gekomen, om geheel een reeks van wijsgeerige stelsels uit te stallen, die men ’t zij in nuchter heidensch kleed hulde, of ook nog in een Christelijk gewaad aandiende, en die stelsels heeft men naast de Christelijke Religie of in haar naam als even bruikbare vertroosting aan de kinderen der menschen aangeboden.

Zoo heette het dan: „Ge kunt ook troost uit de Christelijke Religie putten. Voor de armeren naar de wereld is die troost allicht nog wel de bruikbaarste. Maar vooral voor beschaafde, rijke en ontwikkelde menschen hebben wij dan toch andere vertroostingen. Vertroostingen, die reeds de wijsgeeren onder de Heidenen gekend hebben, en die wij doen herleven!”

En zie, daartegenover nu stelt de Catechismus klaar en kras zijn „éénige” vertroosting.

Een éénige vertroosting voor arm en rijk, voor geleerden en voor ongeleerden, en naast die geheel éénige vertroosting, al het andere, dat onder dien naam zich aandient, slechts geestelijke of kerkelijke kwakzalverij.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001