E Voto Dordraceno

Toelichting op den Heidelbergschen Catechismus

door Dr. A. Kuyper


Eerste deel.

J.A. Wormser. — Amsterdam. 1892



Voorwoord

E voto Dordraceno beteekent: In overeenstemming met den wensch, die op de Dordtsche Synode is uitgesproken.

Kenners van de Acta der Nationale Synode van 1618/19 gevoelen terstond, waarop deze eenigszins vreemde titel doelt.

Op 30 April 1619 is men er namelijk, blijkens die Acta, in de 146e zitting toe overgegaan, om het oordeel der Buitenlandsche Godgeleerden te vragen over de Leer der waarheid, gelijk die door de Nederlandsche Gereformeerde kerken beleden werd.

Deze, hieraan voldoende, hebben toen allereerst, eenpariglijk, verklaard, dat in deze leer niets was, „met de waarheyt in de H. Schrifture uytgedruckt strijdende”, maar dat zij „ter contrarie in alles met deselvige waarheyt en met de confessiën van andere Gereformeerde kerken accordeerde”.

Maar hierbij lieten deze representanten der buitenlandsche kerken het niet.

Ze voegden aan hun verklaring een wensch, een ernstige bede toe.

Immers, vlak na dit oordeel, lezen we in de Acta der Synode dit:

„Daarenboven zijn de inlandsche vermaent van de uytheemsche theologen, in deze rechtsinnighe, Godsalighe ende eenvoudige confessie des geloofs standvastelick te willen volharden, deselve den nacomelinghen onvervalscht te willen naar laten, ende tot de comste onzes Heeren Jesu Christi, onvervalscht te willen bewaren.”

Dit nu is de bede, die door de Gereformeerde wereldkerk op de Synode van 1619 tot onze Nederlandsche Gereformeerde kerken gericht is, en waarop de titel van dit werk doelt.

Onze vaderen hebben toen te Dordrecht de belofte afgelegd, dat ze na zouden komen wat van hen begeerd werd. Er volgt toch in de Acta: „Hebben oock de inlandsche eendrachtelick verklaert, dat haar voornemen was, in de professie deser rechtsinnighe Leere, standvastelick te volharden, ende deselve in deze Nederlandsche Provinciën suyverlick te leeren, naerstelick voor te staen, ende voorts onvervalscht door de ghenade Gods te bewaren.”

Geen uitvlucht baat hier dus.

De bede was: „Bewaar deze leer onvervalscht tot de wederkomst van Christus op de wolken.” En op die bede is de daartoe strekkende belofte door onze kerken afgelegd. |ii|

Die bede, met de belofte daarop afgelegd, had indruk op mijn hart gemaakt.

Het waren toch ook mijne vaderen, die deze belofte op zich namen. Het waren de kerken, waartoe ik zelf behoor, tot wie die bede gericht was.

En al sloot nu die plechtige handeling geen nadere theologische ontwikkeling uit, voor wat den vorm en de wijze van uitdrukking aangaat, toch laat ze niet toe, dat onze vaderlandsche kerken de waarheid zelve, die te Dordrecht beleden was, prijsgeven.

Meer dan twee en een halve eeuw zijn sints verloopen, en althans de laatste honderd jaren klagen zoowel ons als onze kerken bitterlijk aan van gepleegde trouwbreuk en geschondene gelofte.

Maar juist dit drong te sterker, om, nu door de trouwe onzes Gods de liefde, voor wat onze vaderen te Dordrecht beleden, weer algemeener werd, eens kalm en rustig uiteen te zetten, hoe te doen beleden waarheid thans nog in het bewustzijn van een kind der negentiende eeuw leeft.

Ik gevoelde bij het lezen dier Acta, dat God de Heilige Geest op dat plechtig oogenblik in het midden dier zoo overrijke vergadering was; dat Hij die bede aan de buitenlandsche godgeleerden in het hart gaf, en dies, in weerwil van de ontrouw onzer kerken, haar verhooring bezegeld heeft; en dat het heerlijk geloofsleven, dat onze kerken thans weer genieten, vrucht is van wat toen ter tijd in het hart van Gods volk is doorworsteld.

Moge daarom de Toelichting op den Heidelbergschen Catechismus, die ik hiermede afzonderlijk in het licht geef, in verband beschouwd worden met wat destijds te Dordrecht plaats greep.

Ik kan onder geen woorden het gevoel van dankbaarheid brengen, in mij gewekt door de vastheid waarmee ik nu nog, met heilige vreugde in mijn God, belijden mag, wat men toen beleed.

En als ik dan met smarte zie, hoe in de Zwitsersche, in de Paltzische, in de Nassausche, in de Engelsche en Schotsche kerken, het goud van onze Gereformeerde belijdenis verdonkerd is, terwijl wij in Nederland ons nog in zijn glans verheugen mogen, dan gevoel ik, hoe ons die zegen e voto dordraceno overkomen is, en sta ik in het vast geloof, dat er nog bij de wederkomst des Heeren op onze Nederlandschen martelaarsbodem Gereformeerde kerken zullen bloeien, die de volle belijdenis van Gods vrijmachtige en souvereine genade voor alle volk zullen uitroepen tot aan de voleinding der wereld.


Amsterdam, 1 Juni 1892.

KUYPER.




DE HEIDELBERGSCHE CATECHISMUS

Zondagsafdeeling I.

Vraag 1. Welke is uw eenige troost, beide in het leven en sterven?

Antwoord. Dat ik met lichaam en ziele, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met zijnen dierbaren bloede voor alle mijne zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft, en alzoo bewaart, dat, zonder den wille mijns hemelschen Vaders, geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja, ook dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door zijnen Heiligen Geest des eeuwigen levens verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.

Vraag 2. Hoe vele stukken zijn u noodig te weten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?

Antwoord. Drie stukken. Ten eerste: hoe groot mijne zonde en ellende zij. Ten andere: hoe ik van al mijne zonde en ellende verlost worde. En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.


*

Eerste hoofdstuk.

Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen.

Jesaia 40 : 1.


Op veler aandrang — zoo schreven we op 26 September 1886 — zal in de Heraut achtereenvolgens een verklaring van den Heidelberger Catechismus verschijnen.

Een inleiding laten we hieraan niet voorafgaan, daar de geschiedkundige bijzonderheden omtrent het ontstaan van dit leerboek overbekend zijn, en herhaling zonder doel afmat.

Ook laten we de vraag, of zulk een in eere houden van den Catechismus de eere van Gods Woord niet te na komt, stil slapen. Deze spijtige |2| tegenwerping tegen het Catechismusgebruik ligt juist hun het meest in den mond bestorven, die, waar ze slechts even kunnen, ook tornen aan de autoriteit der Heilige Schriftuur. Zoo blijkt dan, dat allerminst bezorgdheid voor de eere der Schrift, maar meest weerzin tegen de waarheid dit verwijt ingeeft. Bovendien, wie de grondige weerlegging van deze tegenwerping zoekt, kan ze vinden bij Ursinus zelven, in den aanhef van zijn kostlijk Schatboek. En voor wie ze niet zoekt, maar liefst ontgaat, baat het toch niet, of ge ze hem opdringt. Zelfs zonder naar u te luisteren, herhaalt hij zijn laffe tegenwerping, met hetzelfde schijnvrome gelaat, toch telkens weer.

Elk minnaar en liefhebber der Heilige Schriftuur daarentegen zal zich in het hergeven van beteekenis aan den Catechismus steeds dankbaar verheugen. Hij toch weet, dat de Catechismus niet een boek naast den Bijbel, veel minder een schriftuur boven de Heilige Schrift wil zijn, maar dat al zijn bedoelen is, den hoofdzakelijken inhoud der Heilige Schrift in geregeld verband saâm te vatten. Niets dan echo der Schriftuur bedoelt de Catechismus te wezen. Zelf niets dan een ledige beker, ontvangt hij uit die Schriftuur elken druppel van zijn inhoud. Wat hij u te genieten geeft, is louter Schriftuur. Uit de Schrift spreekt hij en tot de Schrift leidt hij u. En gelijk slechts kwaadwilligheid of verregaande onnoozelheid ooit het beweren zou kunnen staande houden, dat ge met een plattegrond van Amsterdam uit te geven, het eigenlijke Amsterdam door een papieren stad van eigen maaksel verdringen woudt, evenzoo is er altoos òf domheid òf boos opzet in het spel, als men het bestudeeren van dien plattegrond der Heilige Schriftuur, dien we in den Catechismus bezitten, als een plaatsen van een menschelijk boek naast het Goddelijk Getuigenis afkeurt.

Van deze onbeduidende aanmerkingen kan dus gezwegen worden, en beter doel treft, wie aanstonds tot de verklaring zelve van den Catechismus overgaat.


De eerste Zondagsafdeeling, waarmee die Catechismus het kort summier van de Bijbelsche waarheid opent, mag daartoe uit haar aard niet van deel tot deel ontleed. Deze fout, meermalen bij Catechismus-predicatie of in Catechismus-uitlegging begaan, dient voortaan gemeden.

Immers, wie reeds bij Zondag één zich tot een volledige ontleding van den inhoud opmaakt, verliest zich òf in eenige banale algemeenheden, òf kan, als hij Zondag één af heeft, zijn boek veilig dicht doen. Heel de Catechismus toch zit reeds in het antwoord op de eerste vraag in.

Ordelijke behandeling eischt dus, dat gelijk bij elke volgende |3| Zondagsafdeeling, zoo ook hier, slechts datgene ter sprake kome, wat (op die wijs althans en in dit verband) niet ter sprake komt in eenige volgende Afdeeling. Elke Zondag had in Ursinus’ plan een eigen bedoelen. En van dat oorspronkelijk plan en logisch bedoelen mag niet afgegaan.

Kennelijk hoofddoel nu van deze eerste Zondagsafdeeling is, dat ge de Christelijke Religie zult opvatten, als brengende u den eenigen waarachtigen troost, dus als brengende u een geheel eigenaardige levensopvatting. Zoo ge wilt een wereldbeschouwing en een vulling van uw bewustzijn, die lijnrecht tegen de voorstelling, die ge van nature hebt, overstaat.

Uit dit oogpunt moet de eerste Zondag bezien worden. Alleen zóó bezien, heeft ze reden van bestaan bij den ingang van het schoon geheel, dat in de volgende Afdeelingen voor u staat opgetrokken. Eerst zoo vat ge, waarom hier summierlijk is saamgevat, wat straks in zijn deelen staat ontvouwd te worden.

Maar dan is het ook volstrekt noodig, dat we het denkbeeld van „troost” hier niet ziekelijk noch sentimenteel vervluchtigen, maar in zijn oorspronkelijke kracht staan laten, d.w.z. dat we „troost” opvatten als een overlegging in ons verstand.

Dit spreken we juist daarom zoo duidelijk uit, omdat men van ethische zijde ons dit „verstandelijk” karakter van de Gereformeerde Belijdenis steeds als iets, waarover we ons te schamen hadden, verwijt, terwijl wij juist omgekeerd met onze uitnemendste vaderen uit den bloeitijd der Reformatie in dit eigenaardig karakter van onze gezuiverde Belijdenis onze eere stellen.

Ursinus zelf, de hoofdopsteller van den Catechismus, kan hier onze getuige zijn. Immers in zijn Schatboek verklaart hij zelf, aan de uitlegging van dit woord troost toegekomen: Onder troost versta ik hier: „een overlegging in het verstand, waardoor wij zulk een groot goed komen te stellen tegenover een dreigend of drukkend kwaad, dat het onze droefheid kan verzachten.”

Dat hier nu volstrekt niet mee bedoeld is, wat de ethischen ons ten leggen, spreekt wel vanzelf. De gedachte reeds, alsof ooit de verstandelijke overlegging of redeneering, bleef het daarbij en hing die de lucht, ook maar het wicht van een stroospier in de weegschaal der vroomheid zou bezitten, is voor den man van ernst de moeite zelfs der wederlegging niet waard, en elk kenner van de heiligheden Gods weet wel, dat geen hunner ooit aan iets anders dan aan de levenskracht der godzaligheid en het wezenlijk werk des Heeren waardij heeft toegekend. We kunnen er dus niets aan doen, dat de ethischen goedvinden, ons ten deze steeds een caricatuur van ons bedoelen na te zenden. Op tegenspreken |4| letten ze niet. Wat ge verre van u werpt, wrijven ze u toch weer aan. Zoo blijft niet anders dan de onderstelling, dat zeker cataract op het oog hun onmogelijk maakt, u met den besten wil zich anders voor te stellen.

Zien wij slechts toe, dat we niet te kwader ure op het valsche beeld, dat ze ons voorhouden, gelijken gaan, en rake geen onzer in het dwaalspoor verdoold, om ooit bloot geheugenwerk of verstandsgymnastiek met de zake des geloofs te verwarren.

Op geestelijke, goddelijke realiteit komt het voor elk kind van God aan, en zoo de Heilige Geest niet met onzen geest getuigt, wat bate heeft onze ziele dan?

Toch zie een iegelijk onzer even scherp toe, dat hij niet, uit zucht om dit hechten aan redeneervorm te mijden, in het tegenoverliggend dwaalspoor overga, en met de ethischen het leven van ons bewustzijn benevele, om in onbewuste aandoeningen en voor weergeving onvatbare uitdrukken het eigenlijke steunpunt der godzaligheid te zoeken.

We ontkennen noch de waardij dier aandoeningen, noch de kostelijkheid dier indrukken, en gelooven vastelijk aan werkingen in den mensch, zonder dat de mensch zelf dit merkt, maar houden niettemin even vast staande, dat ons ik, zoolang dit onbewuste aanhoudt, er niet mee kan rekenen.

Rekenen kan de mensch alleen met datgene wat in zijn bewustzijn inging, in zijn bewustzijn zich afspiegelt en uit zijn bewustzijn hem toespreekt. Ware dit nu alleen het geval met onze verstandsbegrippen, zoo zouden we met de ethischen in het mystieke sentiment gaan duiken, ook al verdronk er de helderheid van ons geloof en onze belijdenis in. Louter, puur, bloot verstandsmensch te zijn, is versterven in een gedachten-skelet, waar God ons voor beware. Maar nu dit niet zoo is, nu in ons bewustzijn ook ons hart, ook onze conscientie, ook onze verbeelding, ook ons gevoel en wat al niet zich weerkaatst, nu vervalt elke vrees voor zulk een eenzijdigheid vanzelf. Zonder ons bewustzijn merken we niets en bespeuren we niets. Zonder zijn bewustzijn kan een ethische zelfs zijn nevelachtige mystiek zich niet voorstellen. De bewustelooze weet van niets en heeft aan niets iets. Door ons bewustzijn moet alles doorgaan, waar we als persoon mee rekenen zullen. En zoo ook zinkt en daalt onze religie beneden het menschelijk waardige, zoo te kwader ure in afscheiding van deze religie van ons menschelijk bewustzijn heil wordt gezocht.


Dit nu hebben ook onze vaderen in den besten tijd van het krachtigst geloofsleven, dit heeft ook Ursinus, en door hem de Heidelberger Catechismus, |5| begrepen, en daarop opent hij u het heiligdom der waarheid door u te vragen naar uw „troost”.

„Troost” gaat altoos in het bewustzijn in, en wat niet in het bewustzijn ingaat, is geen troost. Wel kan toegegeven, dat troost niet enkel in woorden tot ons komt. Er kan ook troost tot mij komen door den blik van iemands oog, door de deelnemende uitdrukking van zijn gelaat, door de warmte van zijn handdruk, door de deernis van zijn daad. Maar toch troost brengt én dat oog én die gelaatstrek én die handdruk én die daad mij dan eerst, als mijn bewustzijn er de beteekenis van greep. Ook de teederste liefdebetooning laat mij volkomen troosteloos en ongetroost, als mijn bewustzijn er de liefde niet in ontdekt heeft. En hoe bliksemsnel zulk een werking van het bewustzijn ook toega, toch moet ze er altoos zijn, zal er troost komen. Een slapende kan ik niet troosten, tenzij hij wakker worde. Een bewusteloos ingezonkene moet ik, om hem te kunnen troosten, eerst terugroepen tot zijn bewustzijn.

Al wat nu de wereld boven, f de wereld om, f de wereld in ons op de zilverplaat van ons bewustzijn neerschrijft, moet van die zilverplaat van ons bewustzijn afgelezen, en dat aflezen nu kan nooit omgaan buiten ons denken. Ook dit gaat meest met al de bliksemsnelheid van ons onmiddellijk besef, maar toch het denken is in dat aflezen van ons bewustzijn, hoe zwak ook, altoos werkzaam. Immers, zoolang dat denken nog geheel in ons sluimert, heeft ons bewustzijn ons bijna niets te vertellen, en naarmate het denken ontwaakt en rijker wordt, leest een iegelijk van ons in zijn bewustzijn al meer.

En zoo dan ook, als er gesproken wordt van „onzen eenigen troost in leven en sterven,” dan verstaan we dat niet van een gevoelsbeweging, die zoo voorbijgaat, noch van een nevelachtige gewaarwording of onvasten indruk, die straks vervliegt, maar dan verstaan we daaronder met Ursinus, en met al onze even kundige als vrome vaderen wel terdege: een verstandelijke overlegging, d.i. een hoogst belangrijke overweging, die in ons bewustzijn ingaat, en door het denken weer uit dat bewustzijn kan worden afgelezen.


Wat wil, wat onderstelt dan die „troost”?

Hij wil, hij onderstelt, dat er in uw bewustzijn allerlei overwegingen en overleggingen omgingen, die u bedroefd en ongelukkig maakten. Menschen, in wier bewustzijn niets omging, voor die is deze troost niet. De Catechismus ziet voor zich personen, in wie het bewustzijn begint te ontluiken. Het spelen heeft dan opgehouden; er komt eenig nadenken; er is een begin van rekenschap geven van den toestand; op het spiegelvlak van het bewustzijn gaat |6| zich telkens meer afspiegelen; de gedachten vermenigvuldigen zich: hart en geweten, herinnering en verbeelding, wil en gevoel, kortom alle element in den mensch geeft hem indrukken en wekt gewaarwordingen in hem op, en in zijn bewustzijn worstelen die alle sam, om hem een inzicht te geven in zijn bestaan en wenschen te vormen voor zijn toekomst.

Diep gaat zulk een bewustzijn daarom lang niet altoos. Een kind van tien jaar, dat vader en moeder door een besmettelijke ziekte verloor, kan zeer goed zich bewust zijn van een ontzettend verlies, en dit indenken, zonder toch nog op verre na met bewustzijn al de diepte van dit ongeval te peilen.

En zoo ook kan een zondig mensch reeds op jeugdigen leeftijd zeer goed zich bewust worden van een breuke in zijn wezen en een donkerheid voor zijn toekomst, ook al verstaat hij nog de helfte niet van wat de schrikkelijke ellende der zonde eigenlijk is.

Als de Catechismus met zijn „troost” komt, onderstelt hij dus alleen, dat het bewustzijn in den mensch wakker wierd; dat deze mensch, tot zulk bewustzijn komende, zich rekenschap van zijn toestand en toekomst gaf; over zijn weg nadacht; en nu als vrucht hiervan overleggingen en overwegingen in zijn bewustzijn heeft, die hij niet van zich kan zetten, en die hem toch bedroefd en ongelukkig maken.

Teleurstelling kruipt over zijn hart; onvoldaanheid rooft hem de blijdschap zijner ziele; soms kent hij angst.

Zijn innerlijk bewustzijn, zooals het op allerlei wijs door het leven in en om hem gevormd is, maakt hem ongelukkig.

En wat doet nu de Christelijke Religie?

Dit, dat ze aan zulk een mensch in zijn bewustzijn een wereld van gansch andere overwegingen en gansch andere overleggingen indraagt. Juist zooals Ursinus het uitdrukt: „Overleggingen, waardoor tegenover een dreigend of drukkend kwaad zoodanige goede dingen komen te staan, dat er weer vrede is!”

Troost is dus het aanbrengen van een geheel andere wereld van gedachten in ons bewustzijn, natuurlijk met er in opgesloten de wetenschap, dat die wereld van gedachten geen hersenschim maar wezenlijk, wezenlijk ook voor ons, is.

Maar ook dit is zaak van het bewustzijn.

„Troost” verrijkt ons niet alleen door ons een geheel andere levensopvatting en levensbeschouwing in ons bewustzijn in te dragen, maar ook door aan datzelfde bewustzijn de zekerheid er van in te prenten. Edoch beide én die verrijking én die verzekering gaan in ons bewustzijn op.

Kort gezegd is dus de zake van den Catechismus deze.

Hij vindt een mensch, die aan het nazien van zijn levensboeken is, en |7| rekent, en al rekenende merkt, dat hij weg is. En nu komt tot dien mensch in zijn angst een ander, die hem de wetenschap van zeer aanzienlijke schatten aanbrengt met de verzekering, dat ze hem toebehooren.

Dit nu troost hem.

Niet nog de schat zelf, maar de wetenschap van dien schat, in zijn bewustzijn als de wetenschap van zijn schat ingedragen, is wat hem troosten komt.

En zoo heeft de onderwijzer een luisterend oor bekomen.

Wie er zoo aan toe is, die rust niet, eer men hem alles van dien reddenden schat heeft verhaald.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001