§ 2. Uitgangspunt

Alvorens de vier groepen van studievakken, waarin de Theologie uiteenvalt, afzonderlijk te bespreken, behoort hier kortelijk uit het Tweede Deel dezer Encyclopaedie geresumeerd, hoe het subject aan de eerste groep, t.w. aan de Bibliologische, toekomt. Logische orde eischt, dat de eerste groep u brenge op het punt waar de tweede begint, de tweede u den weg ontsluite voor de derde, en de derde u inleide in de vierde. Maar aan de eerste groep gaat geen andere vooraf, en hier ter plaatse dient alzoo aangetoond, hoe we toekomen tot de eerste groep. Dit is nu wel in het Algemeene Deel dezer Encyclopaedie volledig uiteengezet, maar dient hier in korte saamvatting herinnerd te worden.

Evenals elke wetenschap, zoo moet ook die der Theologie, haar starting-point in het subject bezitten. Eerst uit dit subject komt men tot het object k der Theologische wetenschap, en het is in de eerste plaats door de relatie, die tusschen dit subject en dit object bestaat, dat het onderzoek wordt beheerscht. Subject nu der Theologische wetenschap is de mensch, ook hier genomen als representant der menschheid. Niet het individueele bewustzijn van A of B treedt hier op, maar het communale bewustzijn als zoodanig. Dit subject nu komt hier voor in een bepaalden modus maar in een modus, waardoor zijn grondtrek niet te loor gaat. Die grondtrek bestaat hierin, dat er in dit subject is een semen religionis, een sensus divinitatis, levensgemeenschap met den immanenten God. Deze grondtrek, gevoegd bij den drang naar helder bewustzijn, die in alle bewust subject is, drijft uit, om van dien immanenten God kennisse te zoeken; een kennisse die echter het subject zich zelf niet verschaffen kan, maar die aan dit subject moet worden geopenbaard. Deze grondtrek erlangt nu intusschen een bepaalden modus door de palingenesie. De noodzakelijkheid voor dezen bepaalden modus is het gevolg van de verstoring door de zonde, zoowel in den grondtrek van den sensus divinitatis, als in het overige bewustzijn van het subject aangericht. Deze modus der palingenesie heeft ten gevolge, dat de sensus divinitatis weer tot kracht komt, en dat er licht valt in de skota |5| van het bewustzijn; voor alle weten, dat hier reel zal zijn, een onafwijsbare voorwaarde.

Door de palingenesie wordt echter de grondtrek van den sensus divinitatis niet eenvoudig in oorspronkelijken vorm hersteld. De palingenesie kan noch buiten het zondig verleden, noch buiten den actueelen toestand van het subject om gaan. Ze is geen nieuwe schepping, maar herschepping; enting, geen nieuwe planting. Vandaar dat ze potentieel zich te midden van eene met haar wezen strijdige actualiteit openbaart, en alzoo op die actualiteit berekend moet zijn. Dit nu geschiedt door de inwoning van den Heiligen Geest, die het ideale subject is, in tegenstelling met het actueele. Maar dit is niet genoeg. Immers de herstelde sensus divinitatis, die door den inwonenden Heiligen Geest geleid wordt, dringt opnieuw naar kennisse van God; en ook nu kan deze aan het subject niet toekomen dan door Openbaring; ook deze Openbaring moet alzoo een modus aannemen, die met den aard van het subject der palingenesie overeenstemt. Ze moet daartoe tweeledig zijn: ten eerste een reele Openbaring, die, in onderscheiding van de actueele realiteit, waarin het subject leeft, hem een realiteit biedt, die bij zijn nieuwen toestand past. Deze is centraal in de incarnatie van den Logos gegeven, en wel in organischen samenhang met wat aan die incarnatie voorafgaat en er uit volgt. Maar ze moet in de tweede plaats ook een Openbaring aan het bewustzijn, d.i. een aankondiging van het te incarneeren, straks gencarneerde Woord zijn, en dus een Openbaring van waarheid. Zelf toch kan het subject uit de ideale realiteit, die zich voor ons ontsluiert, de kennisse Gods niet opmaken. Vandaar het lalen van God, ter openbaring van zijn gedachten. En ook, overmits het subject een historisch proces van eeuwen doorloopt, en toch n de openbaring van deze realiteit n deze lali to Qeo in een bepaalden tijd afloopen, moet n deze realiteit en deze lqeia geconserveerd en gedistribueerd. Vandaar de Heilige Schrift.

Aan deze Heilige Schrift nu ligt het subject gebonden door het Testimonium Spiritus Sancti. De Geest in het subject herkent den Geest in de Schrift in zijn identiteit. De in die Schrift |6| geboden andersoortige realiteit spreekt het subject in zijn andersoortigen modus van palingenesie toe; en de in die Schrift geboden lqeia over den mensch, past en sluit op den aldus tot stand gekomen vorm van het menschelijk bewustzijn. Het rechtstreeksch verband tusschen het subject en de Heilige Schrift klemt alzoo in het geestelijk centrum der Heilige Schrift. Het subject grijpt de Heilige Schrift in haar kern aan, zonder nog iets te weten omtrent de peripherie. En eerst doordien in die Heilige Schrift organisch al meer alles tot in den buitensten omtrekt met dat centrum blijkt saam te hangen, voelt het zich ten slotte onlosmakelijk gebonden aan die Schrift als Schriftuurlijk geheel. Tot wetenschappelijk onderzoek overgaande kan het subject dus niet anders dan met het onderzoek van deze Heilige Schriftuur beginnen. Vandaar dat de Bibliologische groep vooropgaat.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001