Encyclopaedie der heilige Godgeleerdheid

door Dr. A. Kuyper


Derde deel. Bijzonder deel

Tweede, herziene druk

Kampen — J.H. Kok — 1909



Voorwoord

Bij dit derde of Bijzondere deel gelieve men in het oog te houden, dat de geschiedkundige overzichten der onderscheidene vakken, alsmede de bibliographische toevoegselen, opzettelijk zijn weggelaten. Reden hiervan is gegeven in §§ 74, 75 en 76, weshalve hier met verwijzing naar deze paragraphen kan volstaan worden.

Hiermee hangt tevens het niet geven van een Register saam. OOk Von Räbiger liet dit weg. En wie uit de registers op Hagenbach (12e ed.) en Heinrici uitschiet wat op de geschiedkundige overzichten slaat, zal zelf inzien, dat hetgeen daarna overblijft, hoogstens een arenlezing, nauwelijks een schoof biedt. Hier, waar die geschiedkundige overzichten uitvielen, verviel alzoo voor het geven van een register de ratio sufficiens. In wat systematisch geordend is wijst de oeconomie van het sytsteem van zelf den weg, zonder de hulp van een alphabetisch register te behoeven.

*

Aan mijne hooggeachte ambtgenooten Prof. Dr. F.L. Rutgers, en Prof. Dr. W. Geesink, die de goedheid hadden hetgeen over de door hen onderwezen vakken in deze Encyclopaedie geschreven werd, na te lezen, en er mij hun instemming mede betuigden, bied ik voor de genomene moeite mijn vriendelijken dank. Een dank, die in niet minder mate geboden zij aan mijn hooggeschatten ambtgenoot Prof. Dr. J. Woltjer, voor de bereidwilligheid, waarmee |VI| hij het grooter deel van dit werk doorlas, en voor menige belangrijke opmerking, waarvan hij mij veroorloofde partij te trekken.

Van recensiën, die deze Encyclopaedie mocht uitlokken, mag door den schrijver van dit werk wel beleefdelijk toezending worden gevraagd.


Kuyper.

Amsterdam, 17 Juni 1894.




§ 1. Inleiding

Gemakshalve neigt men er toe, om de onderscheidene Disciplinae theologicae, die saam het geheel der Theologische wetenschap uitmaken, met den naam van Theologische vakken te bestempelen of als deelen en onderdeelen van de Theologie aan te dienen. Dit spraakgebruik kan ook hier niet geheel gemeden worden; en juist daarom behoort vooraf een zacht protest tegen de onjuistheid deze wijze van uitdrukking te worden ingediend. Immers de uitdrukken van vakken of deelen past niet bij wat organisch leeft. Een organisme heeft leden en functionneert door levende membra, terwijl de uitdrukking vakken wijst op een indeeling, door het inzetten van schotten of het trekken van strepen verkregen, en evenzoo de uitdrukking deelen denken doet aan een mechanisme, dat door de bijeenvoeging van de samenstellende deelen tot stand kwam. Deelen wordt daarom ook gebezigd, waar sprake is van de anorganische natuur of van een organisme dat te niet ging. De chemie scheidt vaste stoffen, vloeistoffen en gassen in hun samenstellende deelen. Ook een lijk wordt door het ontleedmes in deelen uiteengelegd. Maar het levend organisme eischt, althans in de hoogere sferen, eigenlijk de uitdrukking van membra. Zelfs op vereenigingen, hoewel deze niet organisch, maar mechanisch door de wilsuiting van zeker aantal personen tot stand komen, |2| wordt, omdat ze in de hoogere sfeer van het menschelijk leven optreden, de uitdrukking van leden toegepast, en de vereeniging zelve een corpus of corporatie genoemd. Ook spreekt men, hoewel minder juist van een zedelijk lichaam. Een lichaam, corpus of organisme, vindt ge in het huisgezin, in de familie, in den staat en in de kerk, maar juist niet in een vereeniging; en het is alleen om den mensch in zijn digniteit te eeren, dat desniettemin ook bij zulke vereenigingen van corpus en membra corporis gesproken wordt. Juist dit echter maakt het des te meer ongeoorloofd, om waar, gelijk bij de wetenschap der Theologie van een wezenlijk organisme, en van een organisme dat leeft, sprake is, de hierbij passende uitdrukkingen van corpus en membra te bannen, en er die van complex, aggregaat en deelen voor in de plaats te schuiven. Te minder mocht hiertegen het protest uitblijven, nadat Schleiermacher de opvatting van de Theologie, als ware ze slechts een complex of aggregaat van studiën, tot beginsel heeft verheven. Wat organisme is moet organisme blijven. Er is hier een kiem, opgekomen uit een sp™rma, dat werken ging, zoodra het de geschikte aard vond; en uit deze kiem zijn vanzelf de stengels, en even vanzelf aan deze stengels de sprieten en halmen uitgeloopen. Iets wat ten deele reeds bij elke wetenschap geldt, maar te meer nadruk erlangt bij de Theologie, omdat deze, als in het organisch leven der kerk ingeweven en als in haar ontwikkeling door den Heiligen Geest als Doctor et magister ecclesiae geleid, deze organische eenheid van leven, die elke wetenschap kenmerkt, nog accentueert.

Intusschen zou het een overdreven purisme zijn, indien hier deswege van leden in plaats van over vakken of deelen gesproken werd. In het Latijn zou dit nog gaan. Membra corporis theologia heeft niets dat afstuit. Ook onze Duitsche naburen beschikken over het schoone woord „Gliederung,” en vinden in „Gliedmass der Theologie” niets, dat hun taalgevoel kwetst. Ging men daarentegen in het Nederlandsch van leden of ledematen van het lichaam der Godgeleerdheid spreken, dan zou de bijsmaak van pedantisme moeilijk te loochenen zijn. Het gebruik heerscht in zulke quaestiën nu eenmaal despotisch. „Verba valent usu, quem penes arbitrium |3| est et ius et norma loquendi”, en ook wij zullen ons wel wachten, ons ten deze aan majesteitsschennis schuldig te maken. Ons protest strekt dan ook uitsluitend, om door de min juiste uitdrukkingen van vakken of deelen geen schade te laten toebrengen aan het bezielend besef, hoe de Theologie als één organisch geheel metterdaad leeft, en naar den drang van haar innerlijke levenswet haar ontwikkelingsproces doorzet. Alleen wie er zich van bewust is, dat niet hij met anderen de Theologie maakt, en dat dus zoomin hij als die anderen naar willekeur over haar te beschikken hebben, maar dat de Theologie vanzelf ontkiemt en opspruit als gevolg van eene door God in het menschelijk bewustzijn veroorzaakte actie, neemt als theoloog tegenover de Theologie de juiste verhouding in.

Nog een ander belang hangt hiermee samen. Ook bij het nauwkeurigst opsporen en vaststellen van de grenzen, die het ééne membrum theologiae van het andere afscheiden, stuit men telkens op de bedenking, dat toch de ééne disciplina gedurig op het erf eener andere disciplina overtreedt, zoodat beide schijnbaar ineenloopen. Kerkgeschiedenis en Kerkelijke oudheidkunde, Dogmatiek en Dogmengeschiedenis, Ethiek en Dogmatiek, en zooveel meer, laten u telkens in verlegenheid, zoo ge, in stede van centraal, in de peripherie de grenzen, die deze disciplinae vaneenscheidt, wilt afpalen. Dit nu heeft, zoo ge de Theologie als een levend organisme opvat, niets dat u verwonderen kan. Veeleer mag gezegd, dat deze onmogelijkheid, om in de peripherie de juiste grens tusschen membrum en membrum aan te wijzen, een bewijs is voor het organisch karakter van het geheel dat ge onderzoekt. Ontvangt ge daarentegen door de uitdrukking van vakken en deelen te zeer de voorstelling van een mechanisch ineengezet compositum, dan maakt dit gedurig ineenvloeien van vak en vak allicht den indruk van iets gebrekkigs. Wie toch zeker geheel door strepen of schotten in vakken indeelt, levert slecht werk, zoo hij zijn lijnen onzuiver trekt; en zoo ook wie met het ontleedmes en lijk onzuiver in zijn deelen ontleedt, schiet in de praestatie van goeden anatomischen arbeid te kort.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001