§ 70. De schijnbare nederlaag.

In de 16e eeuw was het metterdaad aan de Reformatorische beweging gelukt den paganistischen geest, die in het Humanisme school, te bezweren. Welke vorderingen dit weeropleven van den paganistischen geest dan ook in de 15e en 16e eeuw in ItaliŽ maakte, het was hem niet gelukt bij de volkeren van Middenen Noord-Europa vasten voet te krijgen. En toen de strijd, dien het Humanisme, met de Reformatie in bond, tegen de Pauselijke macht ondernomen had, zijn einde naderde, kon zonder overdrijving gezegd, dat de Reformatie Herrin im Hause was geworden, en dat het Humanisme zich schikken moest in de prestatie van allerlei hulpdienst. Het paganisme was in zijn humanistischen vorm te zeer op het uitwendige gericht, en te weinig bezield en welbewust drager van een eigen levensbeginsel, om toen reeds een eigen levens- en wereldbeschouwing tegen die der Reformatie over te stellen. Maar al onderwierp men zich, die onderwerping ging niet van harte, en reeds vroeg ontwaarden de theologen, wat kinderen anderes geestes in de overige faculteiten met hen saamwerkten. Hoe meer nu het Protestantisme van zijn negatieve zijde werd opgevat, vrij onderzoek als onderzoek |625| zonder geestelijken band werd verstaan, en de vrijheid van conscientie, en allengs zelfs van de pers, het uitkomen, van wat men zon en peinsde, in de hand werkte, des te meer begon zich in alle reformatorische landen onder de welgestelde klasse een geest van vrijdenkerij te ontwikkelen, die enkele denkers tot het uitbroeden van philosophische stelsels aandreef, maar bij de groote menigte een aan alle idealiteit gespeende irrelegiositeit in het leven riep, die in steeds scherper conflict geraakte met het mystiek en ideaal karakter van de Christelijke religie. Het zijn dan ook niet de nog altoos ideale stelsels van Descartes, Spinoza en Leibnitz geweest, die het diepst den bodem omwoelden, veel gevaarlijker werkte het DeÔsme, dat uit Engeland zich over Europa verspreidde, de geest der Encyclopaedisten, die uit Frankrijk zijn invloed deed gelden, en de zoogenaamde „Aufklšrung”, die alras in Duitschland aan het woord kwam. Want wel waren deze invloeden tot op zekere hoogte philosophisch van oorsprong, indien men philosophisch in tegenstelling met theologisch neemt, maar toch waren ze te gelijkvloersch en te weinig verheffend, om op den eerenaam van philosopisch in den hoogeren zin van het woord aanspraak te kunnen maken. Het was een plat moralisme, gelijk de nuchtere sens commun dit mint, dat alle vleugel kortwiekt, en geen hoogeren maatstaf kent dan het alledaagsche en burgerlijke. Alleen laag struikgewas mocht opschieten, elke eik of ceder, die de kruin omhoog wilde verheffen, werd aanstonds omgekapt. Voor het ideale had men niets dan spot veil, de poŽzie ging in het sentimenteele onder, men kende geen bewondering, was gespeend aan alle hoogere aandrift, en lachte om de dwazen, die nog altoos in den luchtballon omhoog wilden. Natuurlijk stonden zulk een tijdgeest en de Christelijke religie als twee antipoden tegen elkander over. Jammer slechts, dat het der Christelijke Kerk en der Christelijke Theologie juist in die dagen aan het heilig vuur en aan de energie van het heroÔsme schortte, om in heiligen toorn tegen dezen geest der matheid en der oppervlakkigheid in te gaan. Veeleer waren de Kerken en Universiteiten zelve door dezen onheiligen geest aangetast, en zag men spoedig in het Rationalisme het Zerrbild optreden, van wat de Christelijke Theologie zijn moest, |626| om straks door het Supranaturalisme op eene wijze bestreden te worden, die de volkomen nederlaag van het Christendom nog smadelijker moest maken. Want wel bloeiden er ook toen nog, zoowel in de Luthersche landen piŽtistische, als in de Gereformeerde landen mystieke en methodistische kringen, die het zout des Evangelies althans wegborgen, opdat het niet smakeloos zou worden, maar op de officieele Kerken en de officieele Theologie bleven deze geestelijk gestemde kringen zonder eenigen invloed. Het terrein, waarop dit DeÔsme en deze Aufklšrung den slag aanboden, was geen terrein, waarop de Christelijke Kerk of de Christelijke Theologie slag leveren kon. De prikkel, waarmee men haar prikte, drong niet diep genoeg door, om haar diepste levensbesef te raken. En zoo bleef het bij een schermutselen, een gestadig schermutselen op de buitenliniŽn, en werd zelfs niet gevoeld, in wat smadelijken hoek men al meer werd teruggedrongen. Het was niet meer de Kerk tegenover de wereld, noch de Theologie tegenover de sofįa van het paganisme, maar de wereld in de Kerk binnengedrongen, en de Theologie door rationalistische en naturalistische invloeden tot onherkenbaar wordens toe in een spotbeeld van zich zelve gemetamorphoseerd.

Toch werd ook zoo de tegenstelling, hoe zwak ook, nog altoos gevoeld. Rationalisme tegenover Supranaturalisme beduidde wel terdege, dat het wetenschappelijk bewustzijn van de onherboren menschheid weigerde den invloed der Openbaring te ondergaan, en daarom den eisch stelde, dat de schat der Openbaring op de grens der wetenschap eerst door de ratio zou worden gekeurd. En omgekeerd lag reeds in het optreden van het Supranaturalisme als zoodanig een poging, om voor het wetenschappelijk bewustzijn der herboren menschheid zekere eischen te doen gelden, die de openbaring aan de contrŰle der ratio deden ontkomen. De diepste tegenstelling tusschen de Theologie en de sofįa to¬ kÁsmou was dus metterdaad ook in deze schier banale worsteling aanwezig; alleen maar ze werd noch van de ťťne noch van de andere zijde met eenige verheffing gevoerd. Het Rationalisme trad niet tegen de Kerk, maar in de Kerk op, plooide zich daarom in vormen, die veelszins met zijn beginsel niet strookten, en verzwakte zich |627| zelf door zijn volslagen gemis aan vromen zin. Maar ook het Supranaturalisme wist zich niet tot een principieele worsteling op te maken. Wel verried het meer godsdienstigen zin, maar dan toch een religiositeit, die nooit tot de warmte van het mystieke gemeenschapsleven met den Oneindige doordrong; die voor de mysteriŽn der Christelijke religie oor noch hart had; dientengevolge de psychologische tegenstelling ternauwernood opmerkte; schier nog vijandiger tegen het PiŽtisme dan tegen het Rationalisme gekeerd, meest in sesquipedalia verba en deftige vormen heil zocht; en voorts waande genoeg te hebben gedaan, zoo het voor het geloof in de groote openbaringsfeiten, afgezien van hun geestelijke beduidenis, was opgekomen.

Als gevolg van zoo averechtsche houding verloor de Theologie dan ook in minder dan een halve eeuw bijna al de autoriteit, die ze dusver in den kring der wetenschappen en op de publieke opinie had uitgeoefend. Men achtte het de moeite niet meer waard een strijd te volgen, die van beide zijden met zoo volslagen gemis aan tact en ernst gevoerd werd. Al spoedig werd het duidelijk, hoe de afstand, die Rationalisten en Supranaturalisten scheidde, al meer inkromp. Wie als theoloog nog naam wilde maken, trok zich in de theologische bijvakken terug, waarin althans nog historische en litteraire lauweren te behalen waren. Het kerkelijk leven verliep. Het predikantenleven kreeg iets van het augur augurem ridet uit Rome’s Keizerstijd. En reeds in het midden der 18e eeuw was het duidelijk, dat de Theologie niets meer te zeggen had met opzicht tot de groote problemen, die aan het opkomen waren. De Fransche revolutie is dan ook gekomen, zonder dat ze het zelfs de moeite waard achttetegenover de Kerk een andere dan de positie der minachting in te nemen. Wat in ItaliŽ sinds Cavour als tooverspreuk gold, kon toen reeds van de philosophie geprofeteerd worden: Filosofia farŗ da sŤ. De Theologie kon op drieŽrlei wijze invloed oefenen: Úf door op de grenzen van haar gebied tegen den geest van het paganisme slag te leveren, ůf door gelijk in de 4e en in de 16e eeuw den heilschat der Christelijke Kerk dieper in te denken, Úf eindelijk door het mystieke en practische leven der Kerk tot |628| een bewuste actie te maken; maar toen de Theologie geen dezer drie meer deed, maar haar tijd en kracht verbeuzelde in een schermutseling, die de eerste tegenstelling nauwelijks raakte, buiten de geloofsmysteriŽn omging, en geen aansluiting meer had aan het mystiek-practische gemeenteleven, wierp ze zelve haar eens zoo schitterende kroon in het slijk ter neder, en was het den tegenstander niet euvel te duiden, dat hij van de Theologie ging redekavelen als van een niet meer actueele antiquiteit.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001