§ 68. Te vroeg gegrepen triomf.

De lange periode, die zich uitstrekt over de vier eeuwen, die aan het saeculum obscurum voorafgaan, en over de vier andere eeuwen die op het saeculum obscurum volgen, is voor de ontwikkeling der Theologie alleen in haar tweede helft van gewicht. Dit wordt niet gezegd, als miskenden we het rijk ontwikkeld studieleven, |608| dat, eer de nacht der Middeleeuwen inviel, in tal van kloosters, aan de hoven der Karolingische vorsten, en onder Alfted zelfs onder de Angelsaksen heeft gebloeid; slechts is hiermee uitgesproken, dat de hooge vlucht, die het studieleven aldus nam, het proces van het begrip der Theologie als zoodanig niet verder hielp. Zelfs raakte het dit proces ternauwernood zijdelings. Men hield de studiŽn van de betere Latijnsche auteurs aan, men las en excerpeerde de Kerkvaders, men compileerde catenae patrum voor de exegese, ijverig schreef men zijn kronieken vol, Alcuin trok uit Augustinus’ werken zelfs een soort dogmatisch compendium onder den titel van De fide sanctae et individuae Trinitatis libri tres, dat straks van hand tot hand ging, maar hoe helder de glans dezer geleerdheid ook afstak tegenover den nacht van onkunde, die nog op de natiŽn van heel Europa’s Westelijk en Noordelijk deel drukte, toch bracht deze geleerdheid het niet tot wetenschappelijke actie. Een enkel oogenblik kwam er soms frissche golfslag in deze wateren, toen Elipandus van Toledo en Felix van Urgellis hun adoptianisme dorsten bepleiten, toen Paschasius Radbertus de transsubstantiatie theologisch construeerde, toen Gottschalck het bestond nogmaals het overal ingeslopen Semi-Pelagianisme te bestoken, of ook de strijd over het filioque tot verweer tegen de Oostersche Kerk noodzaakte; maar duurzame gevolgen hadden deze pogingen niet. De Kerk drukte met haar zich ongemerkt vormende orthodoxie te sterk op het geestesleven; geen strijd werd wetenschappelijk uitgestreden, maar, na korte tegensparteling, telkens afgesneden door de autoriteit van kerkelijke vergaderingen. Zelfs een Isidorus Hispalensis, een Beda Venerabilis, een Alcuin, een Hrabanus Maurus en een Hincmar van Rheims hebben niet ťťn werk van scheppende genialiteit nagelaten, en waar in de 9e eeuw in Johannes Scotus Erigena metterdaad een zelfstandig denker optreedt, maar die met zijn onderscheiding tusschen een theologia katafatik– en ápofatik– de eigenlijke Theologie dan ook in philosophie deed ondergaan, vernieuwt zich in zijn philosophie, op nog bedenkelijker wijs dan bij Origenes, de oude zonde van het pantheÔsme. Zoo onaandoenlijk echter was zijn tijd voor deze diepere studiŽn, |609| dat deze pantheÔstische philosoof aan het hof der Karolingen te midden der orthodoxe geestelijkheid zijn eereplaats behield, en ook Rome eerst drie eeuwen later zijn geschriften bij monde van Paus Honorius III als scatens vermibus haereticae pravitatis veroordeelde.

Niet, dat daarom deze drie eeuwen doelloos en zonder vrucht voorbijgingen, maar de studie, die meer deed dan den overgeerfden theologischen schat bewaren, richtte zich bijna uitsluitend, op wat practisch de Kerk kon sterken en de volkeren van het Westen beschaven kon. Allereerst werd het kloosterwezen diep ingedacht, keurig geordenden helder omschreven. Voorts nam de ontwikkeling van het kerkrecht en daarmee tevens de regeling van de burgerlijke verhoudingen, die in het canonieke recht begrepen waren, een hooger vlucht. Ook werd er niet weinig gepresteerd om de Dom- en Kathedraalscholen, die de Karolingische vorsten gesticht hadden, degelijk in te richten en van goede leerstof te voorzien. En eindelijk ontbrak het ook in deze eeuwen niet aan stichtelijke literatuur van vromen geest, mystieken bijsmaak en degelijken inhoud. Maar geen dezer studiŽn raakte de Theologie in haar bestand en wezen. Over haar als zoodanig werd niet nagedacht, en nog veel minder over haar verhouding tot de niettheologische ontwikkeling of tot de ratio gestreden. De Kerk was meesteresse op heel het terrein des levens. De oppositie van oud-Rome’s classieke ontwikkeling was door het ondergaan van de toenmalige cultuur tot zwijgen gekomen. De Germaansche ontwikkeling was nog te zeer in haar kinderjaren, om den ouden strijd te hernieuwen, en zoo hield, faute de combattants, de principieele strijd van zelf op; te meer toen de altoos woelachtige Grieksche geest onder den druk van den Islam kwam, en hierdoor verhinderd werd op de Kerk van het Westen invloed te oefenen. Het saeculum obscurum, dat al spoedig intrad, was dan ook de natuurlijke consequentie, van wat voorafging. Van geen enkelen kant blies de wind meer. Het werd bladstil. Alom zag men niets dan stilstaande wateren. En zoo zonk, bij gemis aan bezielenden prikkel, het studieleven steeds meer in.

Heel anders daarentegen liep het in de tweede helft van deze |610| lange periode. In 1096 werd de eerste kruistocht ondernomen, een uiting van Christelijk-ridderlijk heroÔsme, die niet alleen de volkeren uit hun doodsslaap wekte, maar ook aan de Kerk haar besef van eenheid met de Kerk in het Oosten teruggaf, en niet minder machtigen invloed oefende op de Theologie. Men moet hierbij op Keizer Justiniaan I teruggaan, die bij decreet de paganistische school van Athene sloot, en zoo haar geleerden noodzaakte, naar PerziŽ te vluchten. Hier poogden deze mannen toen hun classieke school in veiligheid te brengen, en hun studiŽn voort te zetten; maar hoezeer dit hun ook tegensloeg, toch was het mee onder Perzische, maar vooral Syrische invloeden, dat de classieke studiŽn in de 8e eeuw, onder de hooge bescherming der Abassiden, naar Bagdad kwamen, om Ťn daar Ťn straks onder de Omayaden in Spanje, een wetenschappelijk leven te voorschijn te roepen, dat hoog boven de beschaving van het toenmalig Christelijk Europa uitstak. Door de aanraking nu met dit rijke Mahomedaansche leven kreeg men ook in Europa weer kennis van den oud-classieken schat, en toen, uit wedijver met den Islam, onder Bardas en Photius ook te Byzantium de classieke studiŽn weer werden opgenomen, drong van deze twee zijden te gelijk de oud-Grieksch-Romeinsche denkwereld het Christelijk Europa binnen, om het uit zijn bloot practisch, mystiek en herkelijk traditioneel leven weer tot hoogere ontwikkeling van het zelfbewustzijn op te roepen.

De nieuwe theologische actie, die hierdoor gewekt werd, draagt den naam van Scholastiek, een naam ontleend aan het docere in schola, en daarom ook met het opkomen der universiteiten samenhangend. Hoog stond hierbij de eerste kennismaking met de classieke wereld nog niet. Liefde voor het schoon in de wereld van oud-Hellas en oud-Rome hebben de Middeleeuwen, en hebben ook de Scholastieken nog niet gekend. Die liefde vlamde eerst krachtig op, toen de Byzantijnsche geleerden voor het geweld van de Turksche overmacht naar ItaliŽ kwamen vluchten, en als vrucht van hun actie het Humanisme zijn intocht hield. Neen, het was den Scholastieken veel minder om Homerus en Aeschylus, om Virgilius en Horatius te doen, dan om Plato, Aristoteles en |611| Cicero. Het bleek hun alras na eerste kennismaking met de eigen werken vooral van Griekenlands groote wijsgeeren, dat deze mannen veel dieper plachten na te denken, dan de toenmalige geestelijkheid dit gewoon was. En al kenden ze zelven nog te weinig Grieksch, om Aristoteles aanstonds in het origineel te lezen, toch ontvingen ze bij kennismaking met den denker van Stagira ongeveer gelijken indruk, als een Zoeloe-neger ontvangen moet bij een bezoek aan het arsenaal te Woolwich. Wat waren de wapenen, waarmee zij dusver gestreden hadden, vergeleken bij den rijken voorraad wapentuig, die in het arsenaal van Aristoteles hun tegenblonk? En gelijk nu de Christelijke ridderschaar tot hooge exploiten bezield was door kruistocht op kruistocht tegen den Islam ondernomen, had de aanschouwing van dit schitterend arsenaal in Aristoteles’ geschriften ook op de geleerden dier dagen geen andere uitwerking, dan dat ze slinger en steen fluks wegwierpen, om zich ijlings met de lansen van Aristoteles’ categorieŽn en met het pantser zijner distinctiŽn te wapenen, en in die machtige wapenrusting uit te trekken, om tropeeŽn te winnen voor hun Christelijk geloof. Van het gevaar, dat hierin school, bespeurden ze aanvankelijk weinig. Van wat in Abaelard, in de Nominalisten, en straks in de Humanisten, zou uitkomen, vermoedden ze aanvankelijk nog niets. Ze doorzagen niet, dat in de Grieksch-Romeinsche traditie een eigen geest school, en dat deze geest, eenmaal uit zijn graf opgeroepen, straks machtig zou blijken, om nogmaals de sympathieŽn der denkende geesten te winnen, en den ouden vijand, die in Celsus en Porphyrius gesproken had, ten tweeden male tegen de Kerk van Christus los te laten. Ze waanden alleen met het wapentuig van een begraven held te doen te hebben, en zich zelven dit wapentuig te kunnen toeŽigenen.

Ook zoo echter lag er in deze aandrift iets schoons. Lag het in den aard der zaak, dat de gedachtenwereld der onherboren menschheid een andere moest zijn dan die der herboren menschheid, die bij het licht van Gods Woord wandelde, toch ging daarom in verweer tegen die natuurlijke gedachtenwereld niet al de taak der Theologie op. Veeleer was ze zelfs in de eerste plaats geroepen, haar eigen gedachtenwereld te bevolken en te |612| regelen. De inhoud der Goddelijke Openbaring was haar toevertrouwd, niet om haar schat als goud in de mijn te bezitten, maar om het uit die mijn op te delven, en het opgedolven goud in allerlei sieraad te verwerken. De inhoud der Openbaring was niet dialectisch gegeven, en niet gegoten in den vorm van het discursieve denken. Het van Gods wege geopenbaarde kon dus niet, zooals het daar lag, in het menschelijk bewustzijn worden opgenomen. Het moest daartoe eerst verwerkt en pro mensura humana vervormd. Wat aan den Oosterling in beelden en symbolen was getoond, moest door het Westersche denken geassimileerd en intellectueel gereproduceerd worden. Daartoe nu was het onmisbaar, dat de geloovige Christen ook zelf leerde denken, zijn denkvermogen scherpte, over den inhoud van zijn geloof ging nadenken, en niet rustte, eer het hem gelukt was, om naar alle zijden het menschelijk bewustzijn, maar nu uit den wortel der palingenesie en bij het licht van den fwtismÁv, tot een samenhangend geheel, tot een eigen gedachtenwereld op te leiden. En hierin nu was men te kort geschoten. In de periode der naÔeviteit was de strijd met het paganisme meer afgebroken dan uitgestreden. Onder de inspiratie der Patres ecclesiae had men al zijn denkkracht op de vaststelling der mysteriŽn, ter afwering van ketterij, gericht; maar in de eeuwen, die daarna kwamen, had men verzuimd, en om de verdere mysteriŽn van het geloof tot op den wortel te analyseeren, en vooral om een Christelijke philosophie te scheppen, die aan de Christenheid, Gode tot eere, schonk, wat Oud-Hellas in Plato en Aristoteles, dank zij Socrates’ initiatief, had bezeten. Die leemte nu is door de Scholastieken, zij het ook op gebrekkige wijze, gevoeld. Ze zagen in, dat Aristoteles hen tou leeren denken. Ze schaamden er zich voor, dat de geleerden van Bagdad en Cordova het van de Christenen in kracht van denken wonnen. En toen hebben ook zij zich op de denkwereld geworpen, hebben er zich ingewerkt, en zijn er meesters van den eersten rang in geworden, met een virituositeit, die nu nog onze verwondering wekt. Onverwacht rijzen ze als ceders uit de vale vlakte van het doorworstelde saeculum obscurum omhoog. En in zooverre ze, in hun geloof onwrikbaar, voor geen denkoperatie, |613| hoe diep die ook ging, terugdeinsden, zijn ze als helden der gedachten ons nog ten voorbeeld. Wie ook nu nog weigert op Thomas van Aquino terug te gaan, verzwakt zich zelf als theoloog.

Toch qualificeerden we hun arbeid als een te vroeg gegrepen triomf. In de voorrede op de uitgave van Lombardus’ Sententiae en Thomas’ Summa, die te Parijs in 1841 het licht zag, schreef de uitgever, op hooggestemden toon, van deze Sententiae en deze Summa: „Stupenda prorsus opera, quorum prius totam Europam per centum et quinquaginta annos rexit ac D. Thomam peperit; posterius vero, nempe Summa Theologica, ex quo in lucem edita est, totam Europam per quingentos annos continuos rexit, omnesque subsequentes Theologos peperit.” Deze taal des roemens nu mikt niet te hoog; want metterdaad is er na Thomas nog niemand opgestaan, die als theoloog zůů alzijdig het terrein der heilige studie heeft doorgedacht, en den moed bezat, zůů diep tot op den bodem van alle vraagstukken door te dringen; en eerst de nieuwere ontwikkeling, der wijsbegeerte heeft aan den stroom van het theologisch denken een wezenlijk nieuwe wending gegeven. Juist echter door de opkomst dier nieuwere wijsbegeerte is het openbaar geworden, hoezeer zelfs een Thomas zich vergist had, toen hij waande het doelwit reeds getroffen te hebben, toen hij de formeele denkontwikkeling der Grieksche wereld in den dienst der Kerk had gesteld. Want wel is ongetwijfeld eerst sedert dien tijd de Theologie op haar eigen terrein tot een rijker ontwikkeling gekomen, gelijk ze die van te voren nooit gekend had, en is het op die wijs gelukt, een niet gering deel van den schat der Openbaring dialectisch te assimileeren en te reproduceeren, maar de strijd der beginselen, die de Theologie voor de vindiceering van haar eigen bestaansrecht had te voeren, was hiermee nauwelijks aangevangen. Theologie en philoIsophie (nu in materieelen zin genomen) vloeien daartoe bij Thomas nog te veel ineen. Met de gedachtenwereld der onherboren menschheid als zelfstandig geheel wordt door hem te weinig rekening gehouden. Het is ook bij hem nog te veel een spitsvondige denkgymnastiek, die elk stuk van de toenmalige kerkelijke belijdenis door distinctiŽn, en nogmaals distinctiŽn, tegen bedenkingen verdedigt, en als |614| met de ratio overeenstemmend, vindiceert. En wat bovenal bedenkelijk was, de grondslag zelf van het gebouw der doctrina Christiana werd hierdoor veel te veel in het subject zelf gezocht, en voor het subject in de ratio. Ten slotte zat de ratio dan toch als rechter, en al bleek nu deze ratio, waar ze uit het brein van een Thomas sprak, de leer der Kerk genegen, niets waarborgde, dat deze zelfde ratio niet straks in een ander subject tot tegenovergestelde conclusie zou komen, en waar bleef dan de triomf der Christelijke religie? Reeds in een Abaelard was gebleken, met wat vuur men speelde. En nu, dŠt vuur had Bernard van Clairvaux door zijne heilige energie en Innocentius II door zijn banbul nog gebluscht. Maar wat te doen, als datzelfde vuur straks, en dan in veel breeder afmetingen, laaie zou uitslaan? Neen, waarlijk, verrijkt aan kennis was men, maar overwonnen had men nog niet. Reeds de mystieke Scholastieken gevoelden dit, die daarom aan de dialectische vaardigheid den steun van de innigheid des gemoedslevens boden. Maar natuurlijk, ook hierin was geen vastigheid geboden. Die vastigheid kon eerst herwonnen worden, indien men terugging op de Heilige Schrift.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001