§ 67. De worsteling in eigen boezem.

Ongelooflijk sterk is de ommekeer, die het optreden van Constantijn den Groote ook in de geschiedenis der Theologie te weeg bracht. Niet natuurlijk, alsof hij persoonlijk de Theologie had beheerscht, maar in zooverre het omslaan van de religie op den troon het zekerste bewijs leverde, dat de worsteling tegen het paganisme tot voorloopige beslissing gekomen, met een volkomen triomf van de Christelijke religie geŽindigd was. Het is dan ook opmerkelijk, hoe de kerkelijke gebeurtenissen in AlexandriŽ, zonder eenig rechtstreeksch verband, met de politieke gebeurtenissen bijna parallel loopen. Juist in 313, het jaar van het tweede Milaansche |602| edict, wordt Arius in AlexandriŽ als presbyter gewijd. In 321 wordt Arius op de Synode van AlexandriŽ veroordeeld, toen Constantijn op het punt stond, om in 323 tot het Christendom over te gaan. En in 325 op het Concilie van Nicaea valt Arius, verschijnt Athanasius ten tooneele, en treedt de keizer van het nog altoos machtige Romeinsche rijk op, om zijn invloed voor de aanbidding van den Christus als gennjqônta o« poijqônta kaĪ ťmooņsion tĢ patrį in de schaal te werpen. Te gelijk hiermee keeren alle verhoudingen zich om. De Christenen worden polemisten, en dwingen de heidensche geleerden, om als apologeten op te treden. Niet aan de Christelijke religie, maar aan het paganisme wordt nu het dÁv moi po¬ stÚ in het publieke leven betwist. De invloed op de publieke opinie is in de handen der presbyters en bisschoppen overgegaan. De paganistische cultus bloedt dood, ook door gebrek aan geldelijke middelen, terwijl de Christelijke eeredienst praal en luister begint te vertoonen. Het zedelijk overwicht is geheel naar de zijde der Christelijke religie overgeslagen. De hoogere standen gaan van nu af in klimmenden getale achter het Kruis aan. De scholen der Christenheid bloeien op, in gelijke mate als de heidensche scholen verbleeken. En wat men gemeenlijk bij zulke omkeeringen in den algemeenen toestand waarneemt, ook het talent, de energie der persoonlijkheid, en de macht van het woord keert van deze ure af aan het paganisme den rug toe, en stelt zich in dienst van de nieuw opgekomen religie. Dit verklaart dan ook den bijna plotselingen overgang van het naÔeve der eerste periode, in het bijna manlijk-rijpe, dat in deze tweede periode u tegentreedt. De vierde en de vijfde eeuw teekenen zich tegenover de tweede en derde schier als licht en schaduw af, en zoo overweldigend is deze plotselinge opbloeiing van het geniaal-intellectueele leven op het Christelijk erf, dat in de 6e eeuw reeds weer verdorring merkbaar wordt, en in de 7e eeuw de inzinking der Middeleeuwen reeds is aangevangen. Het schier gelijktijdig optreden van de toongevende Patres in het Oosten zoowel als in het Westen, om voor alle eeuwen de orthodoxe ontwikkeling der Kerk en der Theologie aan de heldennamen van Athanasius en Augustinus te binden; een feit noch historisch, |603| noch psychologisch, maar alleen uit het providentieel bestuur van den Schepper der geesten en der genieŽn te verklaren; bewijst op zichzelf reeds, dat met den ommekeer, die Constantijn te weeg bracht, de fundamenteele periode der Christelijke Theologie is aangebroken. Al, wat later komt, kan slechts opgetrokken op het door deze reusachtige architecten voor altoos gelegde fundament. Immers, deze beide cycli van Patres, die zich in het Oosten om Athanasius, en in het Westen om Augustinus groepeeren, leunen noch steunen op wat voorafging, maar staan geheel op eigen voeten, om met atlantische kracht geheel de na hen komende ontwikkeling te dragen. Iets, wat men het duidelijkst merkt, indien men de poovere pogingen der vroegere apologeten naast de Civitas Dei van Augustinus legt. Bij alle vroegeren een tegenworstelen met handen en voeten, om zich de aanvallers van het lijf te houden, maar in Augustinus een Herculesgestalte, die het monster met zijn zwaardslag vernietigt en den draak in zijn hol doet terugkruipen. Augustinus is de Christelijke triumphator, die den buit van het paganisme en ManicheÔsme als tropeŽn voor zijn zegekar laat uitdragen. Door en na hem heerscht de Christelijke religie, en blijft aan het paganisme niets dan de stuiptrekking van den naderenden dood. Golgotha is schitterend gewroken, en datzelfde Kruis, dat eens vloekhout en schandpaal was, geldt van nu af aan als symbool der eere.

Juist hierdoor echter gewon de Theologie een geheel ander karakter. Was ze in haar eerste periode hoofdzakelijk op verweer tegen den doodvijand gericht geweest, die vijand viel nu weg, en zoo kon de antithese tusschen het herboren en onherboren menschelijk bewustzijn niet op den voorgrond blijven staan. Toen de school, waaraan Proklus het laatste bloeide, te Athene gesloten werd, en de laatste dragers der classieke traditie naar PerziŽ vluchtten, kon er van een verder uitstrijden van deze diepste en meest principieele tegenstelling geen sprake meer zijn. Als intellectueele macht bestond het paganisme niet meer. Alle macht van het intellect was nu binnen de muren der Christelijke Kerk teruggetrokken, en dienvolgens konden de tegenstellingen, die de Theologie tot actie moesten uitdrijven, niet anders dan uit |604| den schoot dier Kerk opduiken. Het was een worsteling in eigen boezem geworden.

Vraagt men, of het bij deze worsteling dan in den diepsten grond niet meer de tegenstelling tusschen de natuur en de genade, tusschen Humanisme en TheÔsme, gold, zoo ligt het antwoord gereed. Natuurlijk nog, altoos dezelfde tegenstelling, maar met dit verschil, dat de anti-Christelijke macht nu opdaagde, gesierd in een Christelijk en zelfs kerkelijk gewaad. Na het ophouden der vervolging en het in eere komen der Christelijke religie was de overgang tot het Christendom vooral in de hoogere standen zoo massaal en zoozeer zaak van mode geworden, dat er van een werkelijke omzetting der geesten nauwelijks meer sprake kon zijn. Men liet zich doopen, maar bracht als gedoopte zijn paganistische wereldbeschouwing in de Christelijke Kerk mee. TweeŽrlei Christenen stonden dan ook al spoedig in goed geordende slagorde tegen elkander over. De gn–sioi, die metterdaad het nieuwe levenbeginsel in zich hadden opgenomen, en slechts wachtende waren op het gunstig oogenblik, om dit beginsel tot een eigen gedachtenwereld uit te werken; en anderzijds de yeudocristianoį, die met hun natuurlijk, onherboren levensbeginsel tegen het Kruis reageerden, om de oude wereldbeschouwing, nu in Christelijken vorm, te mainteneeren. Het is dan ook deze strijd, die de Christelijke Kerk gedrongen en gedwongen heeft, uit haar mystiek-practisch leven op te waken tot de energie des geestes, en theologisch uit haar eigen levensbeginsel een daaraan adaequate gedachtenwereld te scheppen. Ze deed dit Christologisch en Soteriologisch. Eerst Christologisch, omdat in den Christus het centrale uitgangspunt voor haar actie lag, en dus het eerst in het Dogma omtrent den Christus de juiste verhouding tusschen het Goddelijke en menschelijke, tusschen de natuur en de genade moest vastgesteld. En daarna Soteriologisch, omdat bij de toepassing van het in Christus verschenen heil alles aankwam op een juist inzicht in de zuivere verhouding, tusschen hetgeen God deed en de mensch deed in het tot stand brengen van zijn zaligheid. In deze beide stukken nu stonden de gn–sioi daarom sterker, omdat het een strijd gold van hun eigen levensbeginsel uit. Zoolang nog slechts |605| de formeele vraag aan de orde was tusschen den Goddelijken en den menschelijken factor in het komen tot zekerheid aangaande de Goddelijke dingen, vonden ze in de philosofen hun meerderen, en kon hun verweer nog niet principieel zijn. Hun apologie was, uit wetenschappelijk oogpunt, zwak. Maar nu het er op aan kwam, dogmatisch te formuleeren, wie de Christus was, en hoe in het kind van God de genade werkt, nu waren de rollen omgekeerd en spraken de yeudocristianoį over eene hun vreemde materie, en de gn–sioi over wat een stuk uit hun eigen leven, het voorwerp hunner liefde en aanbidding, de oorzaak van hun eeuwigen jubel was. Zoo scherpte de sympathie eener heilige liefde hun geniaal-intellectueelen aanleg, en zoo verklaart het zich, hoe deze onovertroffen Patres ecclesiae als met een wonderstaf den stroom van het theologische leven uit den rotssteen hebben doen vloeien, en tevens aan de Theologie haar innerlijke zekerheid gaven. Nooit toch zou de Theologie door een bewijs van buiten zich gelegitimeerd hebben; en eerst doordien ze van den Christus en het werk der genade in den zondaar uitging, en zoo objectief als subjectief de tegenstelling tusschen het natuurlijk leven en. het leven der genade onder juiste formule bracht, baande ze zich den weg, om ook formeel haar standpunt te kunnen vindiceeren.

De tegenstelling tusschen de philosophie en de Christelijke religie kon daarom in deze periode niet prikkelen. Reeds voelt, zich de Theologie meesteresse in eigen huis, en ziet in de philosophie niets anders, dan een getemden leeuw, dien ze voor haar zegekar spant. Te Byzantium erlangt, sinds Keizer Photius’ optreden, de classieke studie zelfs een eigen plaats der eere. Er wordt met Plato, er wordt met Aristoteles gedweept. En het is aan de hand van Aristoteles, dat Johannes Damascenus in zijn H'Ekdosiv een vast dogmatisch stempel op heel de Kerk van het Oosten drukt. Maar voor de theologische studiŽn in het generaal bewijst de philosophie in al haar vertakkingen geen andere dan hand- en spandiensten. Centraal is de theologische ontwikkeling in deze periode dogmatisch, en de breede exegetische studiŽn hebben geen andere strekking, dan om' de gevonden waarheid eens voor al Schriftuurlijk te bevestigen. Critisch gaat men nog |606| slechts, wat den inhoud der Schrift betreft, te werk, en formeel poogt men hoogstens goede voor slechte codices in handen te houden. Zijn hermeneutiek zet men op, om naar vaste rekelen de valsche exegese der heretische doctores omver te werpen. En voorzoover Hieronymus zich met isagogische vraagstukken inliet, had dit alleen ten doel velerlei wetenswaardigs ter beschikking van de aankomende geestelijken te stellen. Zoo werd alles aan de ontwikkeling der dogmatiek ondergeschikt gemaakt, tot zelfs de meeste historische studiŽn; en die dogmatiek trad meest op in polemischen vorm, om valsche voorstellingen te bestrijden. Voor het organisch in systeem brengen van geheel den dogmatischen schat was de tijd nog niet rijp. Zelfs Augustinus waagde zich hier niet aan. Wat Origenes te vroeg beproefd had, werkte als afschrikwekkend voorbeeld, en wat Johannes Damascenus voor de Oostersche Kerk deed, heeft de versteening der Oostersche Kerk niet weinig in de hand gewerkt; ook al mag niet voorbij gezien, dat juist deze vroegtijdige afsluiting van het dogmatische denken de Oostersche Kerk vrijwaarde voor veel bedenkelijke afdolingen, waarin later de Westersche Kerk verliep.

Doch al behaalde de Theologie in deze haar glansperiode op de heresie in eigen boezem ten slotte een volledigen triomf, daarom was het nog niet al goud, wat er blonk. Deze intellectueele overwinning toch was niet bevochten dan in bond met de kerkelijke organisatie; en de Kerk had met haar ban getroffen, wie door de Theologie overwonnen was. Dit nu bond Theologie en Kerk allengs op te enge wijze saam, en liep, toen de corypheeŽn ten grave waren gedaald, op een tekort in vrijheid voor de Theologie als wetenschap uit, gelijk het in de Kerk te zeer alles dwong zich in ťťn vorm te vertoonen en in ťťn zelfde richting te bewegen. De veelvormigheid van het leven ging in de eenvormigheid van het traditioneel-kerkelijk type onder, en zoodra de tegenstand gebroken was, verloor de Theologie den prikkel voor haar actie, bijna zelfs elke reden van bestaan. Haar beoefenaren waren als een leger, dat werd afgedankt, nu eenmaal de volkomen overwinning op den vijand behaald was. Vandaar, dat op het heldentijdperk der Patres in de 4e en 5e eeuw plotseling zulk een periode van |607| afgematheid en doodsche stilte volgt, die ongemerkt in de dorheid der Middeleeuwen overgaat. Aanvankelijk drukte die vloek der eenvormigheid nog niet zoo sterk. Frisch en bezield stonden de scholen van AntiochiŽ, van AlexandriŽ, van Nisibis en Edessa, van Noord-Afrika en van Rome, nog elk met een eigen theologische richting, tegen elkander over. Maar toen weldra de Oostersche scholen haar beteekenis verloren, het Westen op den voorgrond trad, en in het Westen Rome’s overwicht steeds beslissender afmetingen aannam, ging het onderscheid tusschen „heretische afdoling” en „verschil van richting onder de orthodoxen” allengs geheel te loor. Alle verschil werd met leede oogen aangezien. Eenheid in den meest absoluten zin was het parool geworden. En toen het eenmaal gelukt was, die eenheid als buit weg te dragen, scheen het veel eenvoudiger die eenheid voortaan door kerkelijke uitspraken dan door theologischen strijd te handhaven. De Theologie „hatte ihre Schuldigkeit gethan,” thans zou de Kerk aan het woord komen. Niet in de Theologie, maar in de hiŽrarchie schuilt reeds in de 6e eeuw de eigenlijke kracht, die het Christelijke levensbeginsel moet handhaven. En al spreekt het vanzelf, dat daarom zekere variatiŽn bestaan bleven, en nooit absolute eenheid verkregen is, toch gaf Rome er de voorkeur aan, om aan deze variatiŽn in haar eigen organisatie genoegzame speelruimte te laten, en zoo noodig afleiding te geven door het monnikenwezen. Vooral de verplaatsing van het zwaartepunt der Kerk uit het Oosten naar het Westen van de beschaafde naar de nog onbeschaafde volken der Germaansch-Gallische wereld heeft alsmede deze buitendienststelling van de Theologie in de hand gewerkt, en parallel hiermede het zich terugtrekken van de studie in de kloosters, als in zoovele enclaves te midden der nog ongecultiveerde toestanden, bevorderd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001