§ 66. De periode der naÔeviteit.

De Christelijke religie is, zoodra de Kerk uit de windselen van IsraŽls nationaal bestaan was losgewikkeld, de wereld ingegaan als een militante macht. Wat Christus zelf betuigd had: „Ik ben niet gekomen, om vrede te brengen, maar het zwaard, en om den mensch tweedrachtig te maken”, of ook: „Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil ik, indien het alreede ontstoken is”, teekent het Christelijk heroÔsme tegenover het gemis aan moed van een alle klove dempende, elk geschil toedekkende ireniek. Strijd had ten deele kunnen uitblijven, indien de toenmalige wereld nog in kinderlijke onbewustheid had geleefd, of ook indien tabula rasa ware gemaakt met alle dusver verkregen ontwikkeling. Maar dit kon niet, nu de Christelijke religie had op te treden in een ołkoumônj, die op zeer rijpe ontwikkeling boogde, soms van de gouden eeuw der keizers spreken deed en, ook bij haar geestelijke holheid, nochtans roemde in groote dingen. Nu toch kwam de Christelijke religie te staan tegenover de historische resultaten van een breede, en ten deele zelfs diepgaande ontwikkeling, die zichzelf genoegzaam was, en zich haar heerschappij over de geesten niet goedschiks zou laten ontnemen. De Christelijke religie zou, vroeg of laat, op ťlk punt met den bestaanden toestand in conflict geraken, maar reeds aanstonds moest ze dat doen: 1º met de pseudo-religiŽn, die nog heerschten; 2º met de gedachtenwereld, die ze eerst ontvolken, en dan met haar eigen inhoud bevolken wilde; en 3º met de |596| reŽele wereld, zoo nationaal als sociaal genomen, waarvan ze heel het raderwerk op een andere spil zou pogen te zetten. Deze drieledige tegenstelling komt dan ook reeds aanstonds bij het optreden der Apostelen uit, die zonder hun geestelijk heroÔsme niets zouden vermocht hebben, en dit heroÔsme, stellig voor het meerendeel, met hun bloed hebben bezegeld. Van meet af nam zoodoende de worsteling, die werd aangebonden, het karakter aan van een strijd op leven en dood. Het werd een struggle for life. Eenerzijds de rijpste vrucht, die de onherboren menschelijke natuur dusver geteeld had, en de rijkste ontwikkeling, waartoe het menschelijk bewustzijn zonder hoogere ápokÄluyiv en fwtismÁv dusver gekomen was; en anderzijds daar tegenover de mwrįa to¬ stauro¬, die de noodzakelijkheid der paliggenesįa poneert, profeteerde van een geheel anderen toestand, die hieruit rijpen moest, en tegelijk een sofįa aankondigde, die zich antithetisch tegen de sofįa to¬ kÁsmou zou overstellen. Zoo moest wel de strijd ontbranden. Wat bestond en heerschte, was te diep geworteld, om zich zonder slag of stoot te laten verdringen, en de Christelijke religie, die den aanval deed, was te heroÔek-idealistisch om zich door spot of smaad, door zwaard of brandstapel het zwijgen te laten opleggen. Die strijd is dan ook gekomen; nimmer, al deze negentien eeuwen lang, is het in dezen strijd ooit anders dan in schijn tot een wapenstilstand gekomen; ook thans wordt de principieele tegenstelling in dezen strijd weer in al haar ernst van weerszijden beleden; en dan eerst zal deze strijd beslecht zijn, als de Rechter van levenden en dooden eens geheel de ontwikkeling van ons menschelijk geslacht naar haar eindresultaat in de goddelijke weegschaal zal afwegen.

Nu sprak het vanzelf, dat de Christelijke religie oorspronkelijk het sterkst stond bij haar religieuzen aanval. Zij, bloeiend in haar jeugdige kracht en schitterend in al den gloed harer eerste liefde, en daartegenover de pseudo-religie, afgeleefd en uitgeput, meest nog slechts in de vormen bijgehouden, en meer op het platteland onder de pagani, dan in de centra van het menschelijk leven door de toongevende klasse geŽerd. Op religieus terrein heeft het paganisme dan ook bijna nergens kunnen standhouden, en |597| zonder overdrijving mag gezegd, dat het reeds bij den eersten aanloop voor de Christelijke religie, als zoodanig, ťťn veni, vidi, vici was. Banger reeds was de worsteling op ethisch-sociaal en nationaal terrein, en niet 'minder dan drie eeuwen van bloedigen strijd zijn noodig geweest, eer in Constantijn de eerste definitieve triomf op dit gebied kon geconstateerd worden. Maar veel, veel bedenkelijker nog was in dien strijd de eerste aanloop op intellectueel gebied. Hier toch stond de Christenheid bij haar eerste optreden slechts met „slinger en steen uit de beek” tegenover den zwaar geharnasten Goliath, en was het slechts aan de providentieele leiding des Heeren te danken, dat ze ook dezen Goliath ten leste in het zand deed bijten. Christus zelf had deze tegenstelling op intellectueel gebied geteekend in de woorden: „Ik dank u, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de sofoĪ kaĪ sunetoį verborgen hebt, en hebt ze aan de n–pioi geopenbaard.” En daar nu de Theologie op dit, en op geen ander terrein thuis hoort, is het natuurlijk, dat het eerste optreden der Theologie geheel het karakter der naÔeviteit draagt. Niet alsof in de Openbaring des Nieuwen Testament zelve niet reeds de zuivere en volkomen bewuste strekking ook van deze tegenstelling in geheel principieelen zin gegeven was; maar het was aan latere eeuwen voorbehouden, om hetgeen potentieel in de Schrift was geopenbaard, actueel in al zijn deductiŽn uit te brengen. Zelfs nu nog is die taak op verre na niet gereed; en met name de overige eeuw eerst heeft op hooger intellectueel gebied de volstrekte tegenstelling tusschen de wetenschap in en de wetenschap buiten de sfeer der palingenesie gegrepen.

Van een Theologie, als organische wetenschap, in den zin waarin onze tijd vooral dit verstaat, was dan ook in deze periode der naÔeviteit nog geen sprake. Wat de patres apostolici bieden, is weinig meer dan vroom en ernstig, maar principieel zeer gebrekkig doorgedacht vermaan. De apologeten van Quadratus tot Hegesippus voeren meer een accidenteel en fragmentarisch pleidooi, om den. aanvaller uit den philosophischen hoek of de smaadtaal uit het geroep der publieke opinie af te slaan, dan dat ze welbewust gedachtenwereld tegenover gedachtenwereld plaatsen. |598| In de scholen van Klein-AziŽ, AlexandriŽ en Noord-Afrika is meest opleiding zoo van aanstaande Dienaren des Woords, als van de beschaafde klasse, leidend motief. En in de pseudepigraphische literatuur werkt deels de traditie, deels de poging van afwijkende richtingen, om zichzelven een autoriteit te scheppen, waarop ze zich beroepen konden. Ging dan ook op religieus gebied de aanval buiten kijf van de zijde der Christenen uit; niet alzoo was het op intellectueel gebied. Hier waren veeleer de paganisten de mannen van het initiatief, eenerzijds door rechtstreeksche bestrijding van het Christelijk geloof, gelijk Celsus, Porphyrius en Hierocles die ondernamen, of, veel erger nog, doordien zij de Christelijke religie als nieuw phaenomenon in hun eigen pantheÔstische wereldbeschouwing invlochten. Eerst met de Gnostieken, kort daarop met de ManicheŽrs had de Kerk van Christus dan ook de bangste worsteling te doorstaan, en het is waarlijk niet door intellectueele meerderheid, dat ze zegevierend uit dien doodsstrijd te voorschijn kwam. Want wel dwong die strijd tot eigen nadenken, en wel werden de diepste levensbeginselen hierbij blootgewoeld, maar het eigenlijk karakter van deze tegenstelling werd nog zoo weinig doorzien, dat veeleer reeds bij Clemens en Origenes de overwinning ten koste van eigen zwakheid van beginsel gekocht wordt; en de invloed der yeudūnumov gnÚsiv, die in allerlei ketterijen het hoofd opsteekt, reeds in deze eerste periode tot op het eigen erf der Kerk doordringt. Ware dan ook de beslissing in dezen strijd gegeven door een zuivere worsteling van de intellectueele krachten, zoo is er geen twijfel aan, of de triomf zou aan het paganisme zijn verbleven. Dat de uitslag omgekeerd was, had de Kerk blijkbaar alleen daaraan te danken, dat ze reeds spoedig als georganiseerde macht optrad, ethisch de paganistische wereld oordeelde, en ten slotte de politieke macht op haar zijde kreeg. Vandaar, dat ze den hardsten kamp bestaan heeft met het Manicheisme, een daarom zoo indrukwekkende verschijning, omdat in dit phaenomenon een tegenkerk, als religieus georganiseerde macht, tegen de Kerk van Christus kwam over te staan, en de valsche gnosis van het ManicheÔsme de Kerk met haar eigen |599| wapen bestookte. Vooral deze ManicheÔsche worsteling nam dan ook zoo breede afmetingen aan, dat het een oogenblik scheen, alsof de Kerk er in zou verzwolgen worden. Uit het hart van AziŽ was de vloed dezer kerkelijk georganiseerde gnosis reeds doorgedrongen tot in het uiterste Westen van Noord-Afrika. Nog Augustinus heeft er de naweeŽn van gekend.

Vraagt men, of er dan in deze eerste periode niet reeds zekere vraag openbaar werd, om ook in positieven zin zich aan dien geestesarbeid te zetten, waarin de Theologie de haar aangewezen taak vindt, zoo moet zeer zeker erkend, dat dit positieve element reeds zeer spoedig aanwezig was, naardien er leeraren moesten opgeleid, de prediking tot Schriftuitlegging en ethische fixeering drong, de organisatie van eigen macht het kerkrechtelijk probleem stelde, en na afloop van zeker tijdperk zich de behoefte aan het overzien der historie van zelf gevoelen deed. Maar niet ťťn oogenblik stegen deze positieve studiŽn boven het primitieve peil; of waar ze dit, gelijk te AlexandriŽ, wel deden, pronkte men al te wuft met de gestolen veeren der paganistische speculatie, zoodat de Kerk terstond als met instinct doorzag, hoe deze rijke ontwikkeling meer gevaar dan winst beloofde. Al kost het dus weinig moeite, om reeds in deze periode der naÔeviteit de eerste uitbotting van schier alle disciplinae theologicae aan te wijzen, toch is er nog geen sprake van, dat de Theologie reeds als zelfbewuste macht, in haar organische eenheid, zou zijn uitgekomen. Daarvoor ontbraken de gegevens; daarvoor ontbrak ook nog te zeer het geniale element in de personen; en voor zoover dit geniale in mannen als Origenes en in enkele leeraars der Noord-Afrikaansche school onmiskenbaar aanwezig was, bleek het al spoedig topzwaar te zijn en werd door eenzijdigheid heretisch. Te vroeg en te hoog opgeschoten, maar zonder diepte van aarde, en daarom zonder evenredige ontwikkeling in den wortel, groeide dit geniale terstond uit zijn kracht. De worsteling tusschen tweeŽrlei levens- en wereldbeschouwing was er wel, en beheerschte ongetwijfeld den toestand, maar de eerste beslissing in deze worsteling met het paganisme had men aan andere factoren dan aan zijn intellectueele meerderheid te danken, en noch tot een welbewust |600| inzicht van haar eigen positie, noch tot een helder doorziene tegenstelling tegenover de yeudūnumov gnÚsiv is de Theologie in haar eerste, nog gansch naÔeve periode gekomen. Toen dan ook het paganisme na Constantijns optreden den aftocht blies, doorzag schier niemand, dat de eigenlijke strijd op intellectueel gebied onbeslist was gebleven, en is veel minder nog vermoed, hoe vijftien eeuwen later de oude tegenstander nogmaals, maar nu tot de tanden toe gewapend, tegen de Kerk van Christus zou optreden, en haar terugslaan zou van meer dan de helft van het terrein, dat in den loop der eeuwen reeds voor goed veroverd scheen. NaÔevelijk leefde men in den waan, dat de Goliath eens en voor altoos geveld terneder lag, en dat voorts de wederkomst des Heeren zoo zou intreden, zonder dat ook op intellectueel gebied de tegenstelling Ťn principieel tot opden bodem zelf van ons aanzijn, en gedifferentieerd, hoog in alle takken, zou zijn uitgekomen.

Hoe naÔef deze eerste ontwikkeling der Theologie echter ook was, toch vertoonde ze potentieel reeds al den rijkdom harer schakeering. In tweeŽrlei opzicht. Vooreerst hierin, dat ze, wijl de Theologie geen abstracte speculatie is, maar als positieve wetenschap uit het leven zelf opgroeit, reeds in deze eerste periode zoo veelzijdigen geestesarbeid leverde, dat er bijna niet ťťne disciplina theologica is, die haar oorsprong niet tot opdeze eerste periode herleidt. En ten tweede daardoor, dat reeds in deze eerste periode, bijna volledig, zich de verschillende richtingen afteekenen, die ook voortaan de studie der Theologie zullen beheerschen. Reeds toen deed zich het dualisme gelden, dat de Christelijke religie als een novum quid, buiten verband met de voorafgaande ontwikkeling van ons menschelijk leven, op zichzelf wilde doen schitteren, en daarom deels mystiek-religieus, deels piŽtistisch-nomistisch optrad. Tegenover de eenzijdigheid van dit meest apocalyptisch dualisme kwam reeds in de eerste periode de monistisch-syncretistische richting aan het woord, die, de eenheid tusschen het lumen naturae en het lumen gratiae handhavende, gevaar liep het specifiek verschil tusschen beide prijs te geven. En zoo ook zag men reeds in deze eerste periode eenerzijds een |601| stroom opkomen, om zijn steunpunt te vinden in de geestelijke autoriteit der Heilige Schrift, en anderszins om grond onder de voeten te krijgen door het consolideeren der kerkelijke autoriteit. Terwijl eveneens reeds in de eerste eeuwen zich de zucht vertoonde, om door een compromis, dat den strijd der beginselen meed het goede in elk dezer vier hoofdstroomingen op eclectisch willekeurige wijze te vereenigen. De worsteling tusschen het judaÔstische en paganistische element mag met de worsteling tusschen deze vijf richtingen niet als worsteling van eigen soort gecoŲrdineerd; daar ze van zelve onder de reeds genoemde antithesen valt. Slechts in zooverre behoort van deze specifieke worsteling afzonderlijk melding te worden. gemaakt, als zij duurzaam in de Christelijke Kerk nawerkte, en in het pseudo-symbolisch stempel, dat op de Roomsche Kerk staat afgedrukt, en in het Chiliasme, dat ook nu weer zoo driest het hoofd opstak, Ťn in het Sabbathisme en alle werkheiEg streven, dat in het Oude Testament zijn steunpunt zoekt. Onder alle deze vormen blijft toch de tegenstelling gelden tusschen de reŽele verschijning van den Christus, en hetgeen ter voorbereiding van die verschijning aan haar voorafging. En wijl dit vraagstuk, dat zich eerst objectief-historisch voordeed, later subjectief terugkeerde bij het reŽel worden van den Christus voor een iegelijk, die tot hem bekeerd werd, grijpt dit geding te diep in het leven zelf der Kerk in, om niet onder een eigen hoofd te worden geclassificeerd.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001