Hoofdstuk V.

De geschiedenis der Theologie

§ 65. Inleiding.

Het geschiedkundig overzicht van de Theologie, dat dit tweede deel besluit, kan niet bedoelen, een breed verhaal te leveren van het proces, dat de Theologie in al haar vertakkingen deze negentien eeuwen doorliep. Dit proces toch vormt het onderwerp niet van een encyclopaedisch, maar van een eigen historisch onderzoek, dat zich nu eens op een enkel vak, dan op een enkele periode, of eindelijk (gelijk bij von Zezschwitz, in zijn Entwickelungsgang der Theologie als Wissenscahft, Lpz. 1867) op de Theologie in haar geheel richt. In de Encyclopaedie daarentegen kan slechts het resultaat dezer onderzoekingen worden opgenomen en met den encyclopaedischen gedachtengang in verband worden gezet. Vooral voor schrijver dezes bestaat er te minder aanleiding, om hierbij op de details in te gaan, daar de geschiedenis der theologische Encyclopaedie, die zoo veelszins met die der Theologie zelve evenwijdig loopt, in het eerste deel breeder moest opgevat, dan tot dusver ooit geschiedde; en te veel details in dit hoofdstuk ons slechts tot noodelooze herhaling zou leiden. De vraag, of dit overzicht niet vˇˇr het hoofdstuk over het begrip der Theologie |593| zijn plaats had moeten vinden, wordt hierbij ontkennend beantwoord. Wel toch is het volkomen juist, dat de begripsbepaling van de Theologie de kennis van de Theologie als historisch verschijnsel onderstelt, maar de historische kennis in dien zin mocht als algemeen bekend ondersteld worden, en de Encyclopaedie kan haar taak, om dit historisch verloop den rechten weg aan te wijzen, eerst dan vervullen, als ze met haar begrip gereed is. Naar den logischen gedachtengang zou de geschiedenis der Theologie dus eigenlijk twee malen moeten voorkomen. Eerst zou een geschiedenis van de feiten zijn te leveren, en hierbij als feit zijn op te nemen alles, wat zich als theologisch verschijnsel aandiende, zonder schifting of keur; niet organisch, maar atomistisch. Daarna zou men, met deze feiten voor oogen, het begrip, het beginsel, de methode en het organisch bestand der Theologie hebben vast te stellen. En met dat inzicht gewapend, zou men dan aan het slot nogmals een geschiedkundig overzicht hebben te leveren, doch nu onder de critiek van de idee der Theologie. Practisch daarentegen zou deze dubbele behandeling, eerst om, onoordeelkundig, eenvoudig „die Thatsachen der Erscheinung” bijeen te voegen, en daarna om met keur en schifting in deze feiten den loop van het proces aan te wijzen, niet te rechtvaardigen zijn. Geen enkele wetenschap toch is voor encyclopaedische bewerking vatbaar, tenzij ze invloed genoeg verwierf, om haar verschijning een zaak van algemeene bekendheid te doen zijn; althans bij haar eigen beoefenaren. Dit nu geldt ook van de Theologie, waarvan „die Thatsachen der Erscheinung” in elke Kerkgeschiedenis te vinden zijn, en door hem, die haar encyclopaedisch wil toelichten, dus als bekend mogen worden aangenomen. De Encyclopaedie ontdekt geen nieuwe wetenschap, maar onderzoekt een wetenschap, waarvan de phaenomena in het oog springen. Hoezeer dus in den logischen gedachtengang zulk een phaenomenaal overzicht een onmisbare schakel vormt, die aan de begripsvorming moet voorafgaan, behoeft toch de Encyclopaedie die schakel niet eerst te leveren, daar ze van zelf aanwezig is. Niet daarentegen mag het tweede overzicht ontbreken, dat doet uitkomen, hoe, in verband met de gevonden encyclopaedische |594| resultaten, in de phaenomena het proces te verstaan zij. In dit tweede overzicht toch zal de vaststelling van dit proces verschillen al naar gelang van de resultaten, waartoe het encyclopaedisch onderzoek leidde.

Dit oordeelkundig onderzoek omvat zes §§, die elk een eigen periode overzien. Eerst komt de periode der na´eviteit; dan de periode der worsteling in eigen boezem; daarna de periode van den te vroeg gegreen triomf; voorts de periode der pluriformiteit; na deze de periode van schijnbare nederlaag; en eindelijk de periode der wederopstanding. Hierbij houde m en in het oog, dat dit overzicht niet de geschiedenis der Theologie als Godskennisse, maar van de wetenschap, die deze cognitio Dei tot voorwerp heeft, op het oog heeft. Deze geschiedenis vangt dus eerst daar aan, waar de Bijzondere Openbaring voltooid is. Zoo men het woord „Theologie” in den zin van wetenschap neemt, is er geen Theologie van Jesaja, van Micha, van Petrus of Paulus; maar komt ze eerst daar op, waar de Bijzondere Openbaring haar eindpaal bereikt heeft, en alsnu de taak aanvangt, om den inhoud van deze openbaring in het verhelderd bewustzijn der herboren menschheid op te nemen, en uit dit menschelijk bewustzijn te reproduceeren. Dat die taak haar was opgelegd, heeft de herboren menschheid aanvankelijk in het minst niet begrepen. Had het aan haar gelegen, zij zou, met haar thesaurus salutis tevreden, zich in mystieke genieting hebben teruggetrokken; naar denzelfden drang, die ook nu nog in methodistische kringen, met name in den kring, die uit het RÚveil opkwam, met zekere spiritualistische laatdunkendheid op den theologischen arbeid doet neerzien. Maar de Heilige Geest heeft haar tot dien arbeid genoodzaakt door de reactie, die zich in allerlei manier, van het bewustzijn der nog onherboren menschheid uit, de ontleding en vernietiging van den inhoud der Openbaring, en van die Openbaring zelve, ten doel stelde. En eerst toen op die wijs de nood tot dezen wetenschappelijken arbeid had uitgedreven, heeft men zelf in dezen arbeid smaak gekregen, en is de lust gekweekt, waardoor de latere bloei der Theologie verklaard wordt. Tevens ziet men hieruit, hoe ongerijmd het is, de Theologie uit de |595| ge´nstitueerde Kerk te willen verklaren. De ge´nstitueerde Kerk, voor wat haarzelve aangaat, heeft schier nooit wetenschappelijke aandrift gekend, maar zich liefst aan de stille genieting van haar heilsschat overgegeven. Zij vond de Theologie, als wetenschap genomen, in den regel eer lastig en hinderlijk dan gewenscht; en het is niet aan haar initiatief, maar veeleer aan het initiatief van den Heiligen Geest, die ook haar leidde, dat de Theologie haar ontstaan, haar instandhouding en den waarborg voor haar toekomst dankt.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001