Hoofdstuk II.

Het Principium Theologiae.

§ 32. Wat hier onder principium te verstaan zij.

Sinds de Theologie haar eigen en oorspronkelijk karakter prijsgaf, hield ze ook op te spreken van een eigen principium; zelfs |295| is men allengs in zulk een mate aan het vroegere theologische leven vervreemd, dat ternauwernood meer verstaan wordt, wat onze oude theologen onder het principium Theologiae verstonden. Niet zelden toch vat men dit principium Theologiae als eensluidend op met fons Theologiae, d.i. als de bron, waaruit de wetenschap der Theologie haar kennisse put. Waarom is dit nu verkeerd? Als ik spreek van de fontes eener wetenschap, versta ik daaronder zekere groep uit het geheel der verschijnselen, waaruit zeker afzonderlijk geheel van wetenschap door mij gedistilleerd wordt. Voor den zoöloog ligen die fontes in de dierenwereld, voor den botanicus in de plantenwereld, voor den historicus in de veelzijdige traditie enz. Maar hoe ook op elk deze terreinen van wetenschap de fontes verschillen, zoo blijft het nochtans éénzelfde principium cognoscendi, waaruit ons bij deze onderscheidene groepen van phaenomena de kennisse toekomt. Het is namelijk de natuurlijke mensch, die door zijn rede deze kennisse aan zijn object ontlokt; en dat object is aan hem als denkend subject onderworpen. Ga ik nu, formaliter althans, op theologisch gebied evenzoo te werk, dan blijft mijn principium cognoscendi ook hier geheel hetzelfde, als het voor den botanicus of zoöloog is, en het verschil bestaat alleen in het als nu voor mij treden van een ander object. Of ik dan dat object zoek in God zelven of in de Christelijke religie, of in de religieuze phaenomena, maakt in den grond der zaak geen verschil. Bij alle deze toch blijft het de denkende mensch, die deze objecten aan zich onderwerpt, en er krachtens zijn algemeen principium cognoscendi de kennisse aan ontlokt. Immers, om met eerbied te spreken, indien ik alsdan God zelven als object der Theologie stel, wordt deze God door den theoloog in verhoor genomen, en is het de theoloog, die zich niet met een „Spreek, Heere, want uw knecht hoort,” in aanbidding voor Hem neerwerpt, maar die Hem suo iure onderzoekt. De uitkomst toonde dan ook, dat wie zich eenmaal op dit standpunt plaatste, òf geheel revolutionnair de orde omkeerde en zich critisch boven zijn God plaatste, wat noodwendig tot atheïsme moest leiden, òf wel het object der Theologie vervalschte en er de religieuze phaenomena voor in de plaats |296| schoof; een methode, die wel onschuldiger leek, maar toch feitelijk tot gelijke uitkomst leidde, wijl „kennisse Gods” op dit standpunt toch uitbleef, en ontstentenis van kennisse Gods weinig anders is dan intellectueel atheïsme.

Het spreken op theologisch terrein van een eigen principium, (ook al geven we toe, dat dit lang niet altoos op juiste wijze gedaan is) was op zichzelf bezien dan ook weinig anders dan het noodzakelijk gevolg van het eigenaardige wezen der Theologie. Had het object der Theologie gecoördineerd gestaan met het object der overige wetenschappen, zoo had de Theologie met deze wetenschappen een gemeenschappelijk principium cognoscendi moeten aanwenden. Nu daarentegen het object der Theologie alle denkbeeld van coördinatie uitsloot, en de denkende mensch, die naar kennisse van God vroeg, tegenover dien God in een principieel andere verhouding stond dan tegenover de onderscheidene rijken in het geschapene, moest er wel verschil in het principium cognoscendi zijn. Bij alle ander object was het toch het denkende subject, dat kennis nam; hier was het het object zelf, dat kennis gaf. Een tegenstelling, die allerminst wordt opgeheven door de opmerking, dat het ook de bloem is, die den botanicus kennis omtrent haarzelve verschaft. Zoo toch vervangt men een eigenlijke manier van spreken door een overdrachtelijke. De bloem toch doet niets, en geheel de plant, waaraan de bloem geurt, is passief. En ook al wilde men volhouden, dat de bloem toch kleur en vorm vertoont, ook dan nog is dit volstrekt niet de kennisse van de bloem, maar zeker aantal gegevens, waaruit die kennisse eerst door den botanicus wordt opgemaakt. Ons spreken bij de Theologie, en bij haar alleen, van een eigen principium cognoscendi is alzoo een gevolg van de geheel eigenaardige positie, waarin hier het kennende subject tegenover God als het te kennen object staat. Theologie in haar oorspronkelijke en alleen echte beteekenis, als „kennisse Gods,” resp. als „wetenschap van de kennisse Gods,” verstaan, kan niet te werk gaan gelijk de overige wetenschappen, maar moet een eigen weg inslaan; een weg, die niet slechts in zijn buiging en kromming, maar in geheel zijn aanloop van de |297| gewone via cognitionis verscheiden is, en daarom een eigen principium cognoscendi als uitgangspunt stelt.

Ook al laat men het feit der zonde buiten rekening, en ook al let men nog niet op de revelatio specialis, zoo is toch formaliter een eigen principium voor de Theologie eisch. Wel is deze eisch door deze beide feiten nog scherper geaccentueerd, maar toch mag het nooit zóó voorgesteld, alsof de noodzakelijkheid van een eigen principium ook formaliter eerst uit de zonde geboren ware. Die noodzakelijkheid toch ligt niet enkel in het abnormale, maar reeds in het normale, en blijft altoos haar grond daarin vinden, dat God God is, en dat dienvolgens het Eeuwige Wezen niet, als gecoördineerd met het creatuur, object van creatuurlijke kennisse kan worden. Stel toch, dat de ontwikkeling van ons geslacht buiten zonde ware geschied, dan zou de mensch zeer zeker, uit de wereld van zijn hart en de wereld om zich heen, tè gnwstèn to Qeo gekend hebben, maar niet als vrucht van empirie en daarop gebouwde conclusie. Er is eenvoudig uit het eindige nooit tot het oneindige te concludeeren, noch uit de externe of interne phaenomena tot een Goddelijke realiteit te besluiten, tenzij die reëele God zelf zich in mijn bewustzijn aan mijn ik ontdekt; zich ontdekt als God; en hierdoor mij noopt en er toe brengt, om in deze eindige phaenomena een ‡paÀgasma van zijn heerlijkheid te zien. Noch waarneming, noch redeneering zou formaliter hier dus ooit als principium cognoscendi dienst hebben gedaan. Die zelf-ontdekking van het Goddelijke Ik aan mijn persoonlijk ik zou, buiten zonde, zelfs niet voor een deel, vrucht van Theophanie, noch van incarnatie zijn geweest, maar normaal in mijn persoonlijk wezen hebben plaats gegrepen, en zulks met dien verstande, dat ook alsdan de via cognitionis zich in tweeën gesplitst had, de ééne leidende tot kennisse van die objecten, die ik als passiva aan mij onderwerp, de andere leidende tot de kennisse van dat ééne Object, waaraan ik als zelf passief onderworpen word. Dat juist hier de p°stiv haar eigenaardige plaats erlangt, die, als tot het wezen onzer menschelijke natuur behoorende, wel in ‡pist°a kan omslaan, maar niet weg kan vallen, is reeds vroeger opgemerkt. |298| Thans volstaan we daarom met de onderscheiding, dat het denkend subject formaliter uit tweeërlei principium zijn kennisse kan erlangen, òf, zoo het actief te werk gaat, uit zichzelf, òf, waar het passief blijven moet, niet uit zichzelf, maar uit een principium, waarvan de drijfveer van het object, in casu van God, uitgaat en eerst zoo in hem werkt.

Reeds hieruit blijkt derhalve, dat de stelling der aloude Theologie: principium Theologiae est Sacra Scriptura, niets gemeen heeft met de voorstelling van enkele nabloeiende supranaturalisten, die u nog gaarne toegeven, dat de Schrift ons licht verspreidt over veel, dat anders voor ons in het duister zou liggen. Reeds het enkele woord principium toch, dat nooit met fons of phaenomenon mag verward, eischt, dat dit principium van nature in organisch verband sta met het eigen wezen der Theologie. Maar toch is, gelijk we reeds opmerkten, het eigenaardig karakter der Theologie, en dus ook het speciale van haar principium, nog geaccentueerd door de zonde. Onder haar heerschappij toch bleef niet alleen het feit voortduren, dat het denkend subject tegenover God als object passief stond; maar kwam er nog bij, dat de normale middelen, om in passieven zin deze kennisse van God te ontvangen, niet meer zuiver werkten, en dus het beoogde effect niet meer hadden. Active kon de mensch reeds van nature geen kennis van God nemen, en als zondaar kon hij nu ook passive zich de kennisse van God niet meer door God laten geven. Deze wijziging in den mensch en in zijne verhouding tot God moest dus òf ten gevolge hebben, dat de zondaar buiten „kennisse Gods” voortleefde, òf wel, dat er van Gods zijde een actie uitging, om hem die kennisse, thans ook als zondaar, en in overeenstemming met zijn behoefte als zondaar, aan te brengen, Dit laatste ging dan echter buiten het uit het scheppings-principium vanzelf opkomende leven en de daarmee samenhangende kennisse om; het was een proprium quid, dat slechts interimair tusschenbeide trad, en bestemd was om weer terug te treden, zoodra eens de normale ontwikkeling van ons geslacht haar einddoel zou hebben bereikt. Zoo werd dan deze zelfmededeeling van God aan den zondaar thans ook materialiter een actie uit |299| een eigen principium in God; uit dit in God aanwezig zijnde principium drong deze actie in het bestaande in en tot den zondaar door; en zoodra nu de aldus bewerkte mensch zich rekenschap ging geven èn van zijn gewone levensverschijnselen èn van dit abnormaal inwerkende in zijn leven, zou uiteraard het principium voor al het overige in de schepping liggen, maar het principium van geheel deze speciale actie in een herscheppingsdaad Gods. Dat bij deze actie ook bestaande elementen uit de schepping werden opgenomen, deed hierbij niets af. Zulke elementen werden dan door het principium agens geassimileerd en aan zich dienstbaar gemaakt, evenals de beitel in de hand van den beeldhouwer, of de uit een boom gezaagde plank, die dienst doet voor den romp van het schip. Lag derhalve reeds in de Theologie als zoodanig formaliter de eisch, dat ze opsproot uit een eigen principium cognoscendi, door en tengevolge van de zonde werd dit principium Theologiae ook materialiter van het principium cognoscendi op het erf der overige wetenschappen onderscheiden, zoowel dus wat het formeele, als wat het materieele principium aanging.

Ten deele kan men zelfs staande houden, dat ook het principium essendi hierbij in aanmerking komt. Dat zelfmededeeling Gods aan den zondaar ook zonder voorafgaande wedergeboorte mogelijk is, toont Bileam; maar deze exceptie stelt geen regel; en de doorgaande regel is wel waarlijk, dat aan den fwtismçv wedergeboorte voorafga. De fwtisq™ntev van Hebr. VI : 4 staan met de pefwtism™noi van Ef. I : 18 niet op één lijn. Alleen de laatste zijn pneumatiko° en d™contai t to pneÀmatov to QeoÂ. Deze wedergeboorte nu is een element, niet in het cognoscere, maar in het esse, en rekent men hierbij met het feit, dat geheel de openbaring Gods, hoewel door den Lçgov geleid, toch door een geheele reeks van gebeurtenissen en t™rata heengaat, en eindelijk in de essentieele incarnatie, en wat met haar samenhangt, culmineert, dan springt het in het oog, dat het onderscheid tusschen de Theologie en de overige wetenschappen niet alleen formeel het principium fidei en materieel het kalèn Qeo ¿Òma raakt, maar ook wel terdege tot in het esse doordingt. Hieruit verklaart het zich |300| dan ook, dat de theosophen, en ten deele de mystici op hun voetspoor, langs deze via essendi tot de kennisse Gods zochten door te dringen. En metterdaad moet dan ook met dit verschil in het esse, althans wat zijn modaliteit betreft, gerekend worden. Wie dit niet doet, vernietigt de wedergeboorte, en ondermijnt daardoor alle geloof aan de t™rata. Intusschen houde men hierbij wel in het oog, dat het onderscheid in de essentia geen principeele tegenstelling vormt. De zonde is geen esse, maar een modaliteit van esse; en dienvolgens kan ook de wedergeboorte, die haar opheft en overwint, geen andere essentia scheppen, maar slechts het oorspronkelijke esse uit zijn verkeerden modus terugbrengen in zijn idealen modus. Wie acht, dat de essentia zelve, en niet enkel haar modus, hierbij in het spel is, wordt Manicheër. En zegt men, dat er dan toch sprake is van dun€meiv m™llontov a¸ònov enz., dan zij hierop geantwoord, dat organische samenhang tusschen het schepsel in zijn voorloopigen en in zijn eeuwigen toestand van meet af heeft bestaan. Ook bij de sterkste metamorphose kon er nooit met€qesiv van de essentia wezen. Al is het dus buiten twijfel, dat, ter oorzake van de wedergeboorte en de t™rata ook met het esse moet gerekend worden, toch staan er niet twee principia essendi tegenover elkander; zoowel op het erf der natuur als op het terrein der genade is en blijft het oorspronkelijke principium essendi, ook al werkt dit principium beide malen op andere wijs. Terecht is de theosophie dan ook teruggewezen, en op de Theologie als zoodanig alle nadruk gelegd.

Dit nu heeft er toe geleid, om het principium proprium der Theologie kortweg in de H. Schrift te zoeken, waarbij dan natuurlijk alleen gedoeld werd op het principium cogsnoscendi materiale. Het was de kennisse Gods, die God zelf in allerlei feiten en door allerlei openbaringen had medegedeeld, die onder zijn bestel in de H. Schrift gedeponeerd was, en die de Theologie zich nu als het goud zag aangewezen, dat ze uit de mijn der H. Schrift had op te delven. Intusschen kon dit niet anders dan bij verkorte manier van spreken bedoeld zijn. Een principium is een levend agens, en een principium cognitionis moet dus zulk een agens zijn, waaruit de |301| kennisse met noodwendigheid voortvloeit. En dat is natuurlijk de Schrift als zoodanig niet. Het principium cognitionis was er, eer de cognitio van dit principium was uitgegaan, en dus alvorens nog de eerste bladzijde der Schrift op het perkament was geschreven. Als nu desniettemin de S. Scriptura het principium unicum Theologiae heet, dan wordt de Schrift hier genomen als de plant, die uit de kiem is opgeschoten, die haar knoppen zette en die knoppen ontluiken deed. Niet dus het principium nudum, maar het principium, met wat het voortbracht. Nauwkeuriger gesproken, zou men dus zeggen moeten, dat het principium materiale de zelfmededeeling Gods aan den zondaar is, uit welk principium dan in de H. Schrift die gegevens zijn voortgekomen, waaruit de Theologie moet worden opgebouwd. Daar echter de Theologie eerst kan beginnen, waar de Openbaring voltooid is, kon men hier zeer wel van het principium remotum op het proximum overgaan, en zeggen, dat de Theologie uit de voltooide openbaring, d.i. uit de Schrift, als principium proximum opschoot, terwijl die openbaring zelve dan weer voortkwam uit het principium remotum van de zelfmededeeling Gods.

Jammer blijft het echter, dat men oudtijds hierbij zoo weinig op het principium formale gelet heeft. Nu toch kreeg het al den schijn, alsof de nog verduisterde rede de Schrift als haar object te onderzoeken had, geheel op gelijke wijze als diezelfde rede zich op plant en dier als haar object wierp. Eerst dwong dit toen de rede wel, zich te schikken en te plooien naar de toen nog hoog staande autoriteit der H. Schrift. Maar op den duur moesten de rollen toch worden omgekeerd, en moest de verwaarloozing van het principium formale wel tot een revisie van de Schrift in den zin onzer verduisterde rede leiden, gelijk thans dan ook is geschied. Of men toch al bij de soteriologie van de fides handelde, en in verband met de fides de illuminatio besprak, wat hielp dit, zoolang de Theologie zelve aan het subjectum rationale bleef prijsgegeven, en men zelf verzuimd had in dit subjectum rationale, van de ure zijner schepping af, het eigen en afzonderlijke principium cognoscendi Dei tot zijn recht te laten komen?







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002