§ 31. Sancta Theologia.

Eer we tot de behandeling van het principium Theologiae overgaan, zij vooraf nog hier ter plaatse het aloude epitheton van Sancta voor Theologia kortelijk toegelicht. Niet, als stonden we voor onszelven op dezen titel, noch als school in deze betiteling voor ons besef eenige pretentie, maar overmits het schrappen ervan secularisatie van de Theologie bedoelde, en uit dien hoofde als poging tot vernietiging van het onderscheidend karakter der Theologie principieele beteekenis heeft. De gewoonte, om van Sancta Theologia te spreken, droeg nu eenmaal den ijk der eeuwen. Bij de Reformatie vonden de kerken haar met die bijvoeging gesierd, en ze oordeelden die te moeten eerbiedigen en bijhouden. Van weglating van dien titel komt dan ook eerst sprake, nadat de strijd tegen een principium proprium voor de Theologie was aangebonden, en de weerzin, die thans in breeden kring gewekt wordt, zoo iemand het nog waagt, dien alouden titel aan de Theologie te hergeven, is één met den weerzin, die zich in diezelfde kringen openbaart tegen elke voorstelling van een revelatio specialis. Evenmin als de weglating van het Sancta onschuldig was, even weinig onopzettelijk is dan ook onze poging, om op Gereformeerd terrein het gebruik van dien naam te hernieuwen. Duidelijk wenschen we ook in dit Sancta voor Theologia te doen uitkomen, dat we in geen enkel opzicht met de secularisatie der Theologie medegaan, maar een eigen sfeer voor haar handhaven. |288|

De voorvoeging van heilig, voor hetgeen met de revelatio specialis in rechtstreeksch verband staat, is door de Kerk van Christus overgenomen uit de Heilige Schrift. Zoowel in het Oude als in het Nieuwe Verbond is deze voorvoeging constant. De plek gronds om het braambosch heet heilig land, omdat op die plek zich de heiligheid des Heeren aan Mozes openbaarde. Heilig heet in Israel de lhq of volksvergadering. Exod. XVI : 23 spreekt van „den heiligen Sabbath des Heeren.” Het volk zelf heet een „heilig volk,” en zijn leden worden „heilige lieden” genoemd (Exod. XXII : 31). Zoo heet „heilig”, in nog praegnanter zin, het altaar zelf en „al wat het altaar zal aanroeren” (Exod. XXIX : 37), zoo wat plaatsen, gebouwen, als wat de personen, hun kleeding, hun gereedschap en hun handelingen aangaat. Jeruzalem zelf heet de „heilige stad” (Nehemia XI : 1). Heilig is daarom het vaste epitheton, niet alleen voor wat in den hemel is, met alle heirscharen der engelen, maar evenzoo, voor wat op aarde van Godswege tot zijn dienst is uitverkoren. Zoo spreekt de Psalmist van „de heiligen, die op de aarde zijn.” „Gods getrouwheid is in de gemeente der heiligen.” „Een ieder heilige zal Hem aanbidden in vindenstijd.” Zoo noemt de Spreukendichter de kennisse, die Gods volk bij hooger licht ontving, „de wetenschap der heiligen” (IX : 10 en XXX : 3); en in het kort kan dus gezegd, dat deze titel van „heilig” in het Oude Testament wordt toegekend aan alles, wat drager der revelatio specialis is, er uit voortvloeit of er mee in rechtstreeksch verband staat, zonder dat het noodig is hier nader op het begrip van Hwdq in te gaan.

Dat het nu geen steek houdt, deze bijvoeging van „heilig” alleen uit het symbolisch en typisch karakter van de Oude Bedeeling te willen verklaren, blijkt uit het geheel gelijksoortig gebruik van „heilig” in de geschriften des Nieuwen Verbonds. Ook hier toch vinden we van Jeruzalem gesproken als van de „heilige stad” (Matth. IV : 5; XXVII : 53 en Openb. XI : 2; XXI : 2 en XXII : 19). Ook de Christus spreekt van „de heilige engelen” (Luk. IX : 26). Christus zelf heet „het Heilige, dat uit Maria zal geboren worden.” Van de Godsmannen des Ouden Verbonds wordt gesproken als van de „heilige profeten.” De leden van de |289| Kerk des Nieuwen Verbonds, zoowel uit de Joden als uit de Heidenen, dragen den bijna vaststaanden naam van „de heiligen”, zóó zelfs, dat o³ …gioi aanvankelijk de technische naam was, voor wat later „de Christenen” heet. In geheel gelijken zin wordt van de boeken des Ouden Verbonds gesproken als van de „Heilige Schriften”. De kus, waarmee men elkander bij de g€pai begroette, ontvangt den naam van „heiligen kus.” De kinderen, uit geloovige ouders geboren, ontvangen gelijken eeretitel. Evenals de profeten des Ouden Verbonds, heeten ook de apostelen en profeten in de Nieuwe Bedeeling „heilige apostelen en profeten.” De belijders des Heeren worden een „heilig volk”, een „heilig priesterdom” genoemd. Hun gebeden komen voor God als „de gebeden der heiligen”; het martelaarsbloed is „het bloed der heiligen”; en het Evangelie zelf wordt als het „heilig Evangelie” aangediend.

In aansluiting aan dit spraakgebruik nu, heeft ook de Kerk van Christus dit epitheton van „heilig” in haar wijze van uitdrukking ingevoerd; en niet alleen de Roomsche kerk, maar evenzoo de kerken der Reformatie spraken in haar officieele stukken van de „heilige kerk,”, van de „heilige profeten,” „de heilige apostelen,” de „heilige Schrift,” het „heilig Evangelie,” de „heilige Sacramenten,” den „heiligen Doop,” het „heilige Avondmaal,” en zoo ook van de „heilige Godgeleerdheid,” en den „heiligen Dienst.” Dit spraakgebruik was constant, en stuitte, althans in deze beperking, nergens op verzet. Verzet openbaarde zich slechts in zooverre de Roomsche kerk dit epitheton van „heilig” als distinctief voor enkele personen van hooger-religieuzen stand bezigde. Eenparig en consequent was echter zelfs dit verzet niet. Ook waar men de dusgenaamde Roomsche heiligen verwierp ging men soms toch nog voort, met te spreken van „den heiligen Augustinus,” „den heiligen Thomas”, enz. Dit echter waren inconsequentiën, waartoe men zich op den klank af liet verleiden en die door geen enkel schrijver in de dagen der Reformatie principieel waren bedoeld; iets, waarbij nog zij opgemerkt, dat de Gereformeerden gemeenlijk hierin minder dan menig Lutheraan te kort schoten.

Toch is hiermee niet gezegd, dat door deze reformatorische |290| correctie het gebruik der aloude Christelijke kerk in zuiveren zin hersteld was. Oorspronkelijk toch was de naam van …giov een algemeen distinctief, om onderscheid te maken, tusschen wat binnen en wat buiten was. Al, wat op het heilige erf was overgegaan, gold als …gion, al, wat daar buiten lag, als liggende n t ponjr; maar nergens komt in de Schriften des Nieuwen Testaments dit woord …giov voor als distinctief tusschen een hoogere en lagere heiligheid binnen het erf der Kerk. Juist in het aanwenden van dezen titel voor deze niet-Schriftuurlijke distinctie lag dan ook de afdwaling der Roomsche kerk. Terwijl toch in de Heilige Schriften alle belijders van den Christus …gioi genoemd worden, ontnam de Roomsche kerk dezen titel van …giov aan de groote menigte, en reserveerde hem voor een afzonderlijke groep onder de Christenen, hetzij voor den clerus in het algemeen, hetzij voor degenen, die hoogere geloften hadden afgelegd, of ook voor hen, die als patres en doctores ecclesiae een eigen positie innamen, of eindelijk, in den engsten zin, voor wie gecanoniseerd werd. Tegen deze niet-Schriftuurlijke distinctie nu is de Reformatie in verzet gekomen, zonder echter den moed te grijpen, om het …giov in zijn oorspronkelijke beteekenis voor alle geloovigen te herstellen. Hiertoe neigde men wel in de spiritualistische apocalyptische secten; en soms ook is van Protestantsche zijde, in toespraken als anderszins, geheel de gemeente weer „eine heilige Gemeinde” genoemd; ook dichters volgden soms dit spraakgebruik; maar als algemeene term voor elk Christen heeft ook de Reformatie den naam van …giov niet hersteld. Liever gaf ze in dien algemeenen zin den naam van …giov prijs, dan dat ze, door bestendiging van dit gebruik, het Roomsche misbruik van dien naam in de hand werkte.

Juist hieruit echter blijkt, dat men in de dagen der Reformatie niet gedachteloos te werk ging, en dat alzoo de voorstelling, als had men, door van „heilige Schriften”, „heilig Evangelie”, „heiligen Doop” en zooveel meer te spreken, eenvoudig Rome nageschreven, op misverstand berust. Metterdaad ging men critisch te. werk. Er waren gevallen, waarin men het epitheton „heilig” opzettelijk vallen liet; maar ook andere, waarin men |291| dit voorvoegsel opzettelijk bijhield; en in deze laatste categorie behoorde ook het Sancta voor Theologia. Vraagt men nu, wat in dit aldus qualificeeren van de Theologie werd uitgedrukt, dan blijkt niet, dat men zich hiervan volledig rekenschap heeft gegeven. Gelijk de Spreukendichter van „de wetenschap der heiligen” had gesproken, zoo achtte men ook zelf die wetenschap en kennisse, wier principium in de Heilige Schriftuur lag, te moeten onderscheiden van alle overige kennis; en zoo mag gezegd, dat men in de 16e eeuw onder Sancta Theologia hoofdzakelijk de tegenstelling aanduidde, tusschen hetgeen ons uit de profane en hetgeen ons uit de Heilige Schriften toekwam.

Thans echter kan met deze algemeene aanduiding niet worden volstaan, maar behoort de beteekenis van dit epitheton, voor wat het object, het subject en de methode der Theologie betreft, nader ontleed te worden. En dan staat ook nu, voor wat het object aangaat, zeer zeker het principium proprium der Theologie op den voorgrond. Wat we onder dit „eigen beginsel” der Theologie te verstaan hebben, pogen we in het volgende hoofdstuk uiteen te zetten; hier zij dus alleen gezegd, dat de ectypische Godskennisse, waarin de wetenschap der Theologie haar voorwerp vindt, ons niet toekomt op gelijke wijze, uit dezelfde bron en bij hetzelfde licht, als onze overige wetenschap. Er bestaat hier een verschil, dat zich in zijn diepsten wortel tot een lijnrechte tegenstelling verscherpt, en daarom twee principia cognoscendi tegenover elkander plaatst. Hierbij nu kenmerkt zich het principium proprium Theologiae door het intreden van een onmiddellijke goddelijke actie, die door het onware en zondige doorbreekt, om ons, bij een eigen licht, het ware en heilige, te midden van deze leugenachtige en zondige toestanden, en dus in tegenstelling met die toestanden, te doen kennen. Nu is zeker de heidensche tegenstelling tusschen het profanum en sacrum hier niet toepasselijk. In haar toch sprak de hoogmoed van den ingewijde ten koste van den oningewijde. Het odi profanum vulgus et arceo wordt door geheel het karakter van het heilige in de Schriftuur weersproken en gewraakt, en het ware wel te wenschen geweest, dat onze theologen zich nimmer van het woord profaan als |292| tegenstelling bediend hadden. De tegenstelling in de Schrift is die van het principium speciale tegenover het principium naturale, straks verscherpt in die van het ponjrn, de mwra en het satanische tegenover het heilige, ware en goddelijke. Maar hoezeer, gelijk in het volgend hoofdstuk blijken zal, dit eigen principium der Theologie wel verre van het principium naturale te onderschatten, het veeleer in zich opneemt, zoo kan toch nooit de tegenstelling tusschen het normale en abnormale, het generale en speciale, noch ook tusschen het door de zonde gebondene en door de zonde heenbrekende van deze twee principia cognoscendi worden te niet gedaan. Voor die tegenstelling nu nam men uit de Schrift, en op haar voetspoor, het epitheton van …giov over, en sprak in dien zin, geheel Schriftuurlijk, ook van Sancta Theologia.

Lag alzoo het hoofdmotief voor dit Sancta in het eigenaardig karakter van het voorwerp der theologische wetenschap, toch kwam hier nog een tweede motief bij, tengevolge van de eigenaardige qualiteit, die, bij het onderzoeken van dit voorwerp, aan het subject als eisch wordt gesteld. Het stond op grond van I Cor. II : 14 vast, dat de yucikv ˆnqrwpov o dcetai t to pnematov to Qeo, mwra gr at stn. Wie buiten de palingenesie stond, kon tn basilean to Qeo ok den. Er was dus niet alleen sprake van een tegenstelling tusschen het voorwerp van deze en van alle overige wetenschappen; maar gelijke tegenstelling trad ook op in het subject, dat deze theologia in zich opnemen en straks reproduceeren zou. Niet allen saam konden aan deze taak arbeiden, maar alleen zij, die pneumatiko waren. Tusschen hen, voor wie deze theologia mwra was, en die anderen, voor wie ze als de sofa to Qeo gold, was geen intellectueele verstandhouding op het erf dezer wetenschap mogelijk. Alleen wie, als uitvloeisel van de palingenesie, den fwtismv ontvangen had, ving in zijn oog het licht op, om het object, dat onderzocht moest worden, te zien. De anderen zagen het niet, of zagen het valsch. Bij gemis aan affiniteit tusschen het subject en object was aldus elk dieper indringen in het object onmogelijk. De regel: alleen „in uw licht zien wij het licht”, vond hier zijn |293| bijzondere toepassing. Een blinde is onbekwaam, om ons tot wegwijzer te zijn op het gebied der optica. Al is het dus volkomen waar, dat in de wetenschap der Theologie het ik van het algemeen menschelijk bewustzijn het generale subject is, toch is dit ik hier onbekwaam voor zijne taak, tenzij de verduistering, die de zonde over zijn besef bracht, allengs week.

Dit nu leidt in de derde plaats tot de overtuiging, dat de wetenschap der Theologie niet beheerscht wordt door den algemeen menschelijken geest, gelijk die thans in ons gevallen geslacht werkt, maar alleen door dien algemeen menschelijken geest in zooverre deze bezield wordt door den Heiligen Geest, d.w.z. ook tot een verschil in methode. Eerst later zal dit punt zijne volledige toelichting vinden. Thans zij daarom alleen uitgesproken, dat alleen diezelfde Heilige Geest, die ons als vrucht van zijn actie èn de heilige Schriftuur èn de Kerk biedt, ook de eigenlijke Doctor ecclesiae is, die ons in staat stelt, om de waarheid uit de Schrift te grijpen, en ze uit ons bewustzijn in wetenschappelijke ontleding te reflecteeren. Er is ook in de wetenschap der Theologie, gelijk ze in den loop der eeuwen voortschrijdt, samenhang en vastheid van gang; er is in haar besliste eenheid van streven, ook zonder dat de enkele theologen er op bedacht of machtig zijn, om haar gang te bepalen. Doch terwijl deze eenheid van streven in den loop der eeuwen bij de overige wetenschappen deels door de inhaerente logiciteit en de met haar verband houdende natuurlijke gebeurtenissen bepaald wordt, ontleent de Theologie deze bepaling van haar gang aan een logiciteit, die alleen pneumatisch in het licht treedt, in verband met de gebeurtenissen, die uit de leiding van Christus met zijn Kerk voortvloeien. Vandaar, dat deze leiding van den Heiligen Geest als subintreerend subject van de Theologie zich op drieërlei wijs gevoelen doet. Ten eerste door de Kerk, die de fixeering van het dogma en daarmee de bepaling van den te nemen koers in haar hand heeft, en deze fixeering van het dogma ambtelijk, d.i. als instrument van den Heiligen Geest, tot stand brengt. Dat ze hierbij niet op elk gegeven oogenblik onfeilbaar orgaan is, en waarom ze dit niet is, zal later worden toegelicht. Thans |294| volstaan we met op deze inmenging van de kerkelijke macht in de ontwikkeling der Theologie te wijzen, als op een der actin van den Heiligen Geest. Ten tweede komt deze actie van den Heiligen Geest uit in de logische ontwikkeling der tegenstellingen met de waarheid, waartegen de Kerk achtereenvolgens, zonder haar opzet of toeleg, moet optreden, en die eerst van achteren openbaar worden als het middel, om de waarheid in logischen samenhang te openbaren. Niet van de Kerk, maar veeleer van buiten komt telkens de stoot, die tot geestelijk denken prikkelt en noodzaakt, en toch blijkt het hieruit geboren denken niet aphoristisch te zijn, maar logisch en organisch samen te hangen. En in de derde plaats blijkt deze actie van den Heiligen Geest uit de productiviteit van de Theologie in tijden, waarin de werkingen van den Geest in de Kerk machtig zijn, en uit daar tegenover staande armoede en schraalheid, zoodra die werkingen des Geestes zich uit de Kerk al meer terugtrekken. Subjectief kan dit ook zoo uitgedrukt, dat alleen in tijden, waarin de theologen aanhouden in het gebed, en in het gebed de gemeenschap des Heiligen Geestes zoeken, de Theologie heeft gebloeid, en dat ze daarentegen haar blad verliest en haar winterslaap tegengaat, zoodra zucht naar geleerdheid het gebed bij de theologen verstommen doet.

In dezen zin nu eischt het eigenaardig karakter der Theologia, n voor wat aangaat haar object, n voor zooveel aanbelangt haar subject, en, voor wat betreft haar methode (krachtens de leiding van den Heiligen Geest als Doctor ecclesiae), dat ze ook door haar titel van Sancta Theologia in deze haar eigenaardigheid gekenmerkt zij.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002