§ 30. De verhouding van de Theologie tot haar object.

De gedachtengang liep dusver geleidelijk. Kennisse Gods is de kroon, van alwat gekend kan worden. Kennisse van God is ondenkbaar, tenzij God zelf ons die kennisse biede. Die kennisse, ons van nature geboden in onze schepping, is door de gevolgen der zonde omsluierd voor en verdonkerd in ons. Deswege kwam ze nu tot ons in den vorm van een revelatio specialis en ontvingen wij fwtismçv, om den inhoud dier revelatio in ons op te kunnen nemen. En thans wordt ook de wetenschap opgeroepen, om deze aldus geopenbaarde Godskennisse in te dragen in ons menschelijk denken. Evenwel, ook zoo ware nog een zeer bedenkelijke misvatting denkbaar, die het zaak is af te snijden. Men kon zich dit namelijk zóó voorstellen, alsof eerst de wetenschap de |281| geopenbaarde Godskennisse onder het bereik van de godvruchtigen bracht. De wetenschap zou dan geacht worden de revelatio specialis te onderzoeken; de resultaten van dit onderzoek zouden van lieverlee meerder vastheid erlangen; wat vaststond, zou ter kennisse van een iegelijk worden gebracht; en zoo eerst zou de kennisse Gods verbreid worden. Geheel dezen intellectualistischen weg sluit intusschen de geestelijke ervaring, zoo van de kerk in haar geheel, als van den enkelen geloovige, af. Op die wijs verstaan, zou de wetenschappelijk-theologische studie aan alle geloof vooraf hebben moeten gaan, en zou kennisse Gods eerst onder ons bereik zijn gekomen, nadat de Theologie haar taak zoo goed als voleind had. Dit echter ware ondenkbaar, overmits de Theologie altoos uit de kerk, en de kerk nooit uit de Theologie geboren wordt. Niet de reflectie schept het leven, maar het leven doet suo iure zijn intrede, om eerst daarna de reflectie over dit leven aan het woord te laten komen. En zoo is ook in Christus’ kerk op allerlei wijs het geestelijk leven doorgebroken, en als vrucht der Openbaring practisch-geestelijke kennisse Gods het rijk bezit van duizenden bij duizenden geweest, nog eer zelfs het denkbeeld van een wetenschappelijke Theologie was opgekomen. Zelfs kan niet gezegd, dat de wetenschappelijke Theologie dan toch ten minste de denkvormen aanbood, die tot de formuleeringen van het dogma leidden. Ook die formuleeringen toch waren veel meer het product van de worsteling om de waarheid, die in het kerkelijk leven plaats greep, en droegen deswege veel meer een kerkelijk dan een wetenschappelijk karakter. De kennisse van God, die de kerk bezat, is niet naïef-mystiek gebleven, tot eindelijk de wetenschap dit mystieke analyseerde. Er is denken, scherp en helder denken ook in de kerk als zoodanig geweest, lang eer de wetenschap der Theologie als zoodanig haar plaatse had veroverd. Niet onbewust, maar bewust heeft de kerk geleefd, en, voor wat het persoonlijk leven der geloovigen aangaat, is zelfs de drang naar nadere wetenschappelijke toelichting nimmer waargenomen.

En veel minder nog mag gezegd, dat de wetenschappelijke Theologie geroepen is, om aan de belijdenis der kerk meerdere |282| zekerheid te geven en het bewijs te voeren voor haar waarheid. De zucht, om de Theologie dezen haar geheel vreemden dienst te laten verrichten, kwam dan ook nooit op in tijden van geestelijken bloei en krachtig geloofsleven, maar was altijd de wrange vrucht van geloofsverslapping, en bleek dan steeds onmachtig, om deze ontzenuwing van het kerkelijk leven te stuiten. Een kerk, die op de Theologie ging leunen, in plaats van aan de Theologie den steun van haar arm te bieden, verloor steeds het kleine overblijfsel van hoogere bezieling, dat haar nog aan betere tijden herinnerde, en verlaagde zichzelve tot een dépendance van de school. Neen, de behoefte aan wetenschappelijke Theologie komt nooit uit zielsnood voort, maar vindt haar motief altoos in ons menschelijk denken. Er is een wereld der gedachten, die mensch en mensch saamverbindt, en die, ook bij het wisselen der individuen, van geslacht op geslacht overgaat. In die wereld der gedachten leven slechts zeer enkelen met zoo klare bewustheid in, dat ze er zich in thuis gevoelen. Maar ook zij, die niet zoo diep doordringen, ontleenen toch aan die wereld der gedachten zekere algemeene voorstellingen, die aller gemeengoed zijn en daarom de correspondentie der geesten onderling mogelijk maken. Het is nu deze wereld van gedachten, die geen weerstand kan bieden aan den drang, om alle dingen, en zoo ook deze kennisse Gods, in zich op te nemen; en het is uit dezen drang, dat de Theologie als wetenschap geboren wordt. Wel schijnt dit anders, als men merkt, hoe de eerste theologische studiën het practische doel hadden, om zich apologetisch te verweren, of predikers voor de kerk op te leiden; maar die schijn kan ons daarom niet misleiden. Feitelijk toch sprak hierin beide malen de behoefte, om in de wereld der gedachten, die men met Joden en Heidenen gemeen had, een steunpunt voor zijn propaganda te zoeken. Met zijn kÐrugma zonder meer kwam men al spoedig niet uit. De behoefte deed zich gevoelen aan een apparaat van meer doorzichtig karakter, en daartoe moest de geloofsinhoud allengs in de taal van ons denkend bewustzijn vertolkt. Naarmate men de beteekenis van dit streven naar klaarder bewustzijn helderder inzag, ontwaakte toen allengs het besef van een roeping, om, |283| ook afgezien van noodzaak en bestrijding, den inhoud der geopenbaarde kennisse Gods ook in deze wereld der gedachten te laten schitteren. Dank zij het volgen dier roeping, is toen die inhoud wel niet nader aan ons hart gekomen, maar toch klaarder in ons bewustzijn ingedrongen. De afstand tusschen onze alge meene begrippen en den inhoud dier openbaring kromp in. De belijdenis van dien inhoud werd doorzichtiger en juister. En zonder dat deze wetenschappelijke Theologie ook maar één grein aan den inhoud van deze Godskennisse kon toevoegen, is het toch buiten twijfel, dat ze het genot van ons bezit verhoogd heeft. De kerk heeft dan ook niet geaarzeld hiermede haar winste te doen; en al is er geen enkele geestelijke parel in hare belijdenis, die ze aan de Theologie als zoodanig dankt, overmits ze al haar parelen uit de diepte des geestelijken levens naar boven bracht, toch is het buiten kijf, dat het haar niet gelukt zou zijn, deze parelen in haar belijdenis tot zoo heerlijk snoer aan een te rijgen, indien het licht der Theologie haar geestelijken arbeid niet beschenen had. Van helderder bewustzijn naar het mystieke donker terug te gaan, is obscurantisme, en de kerk, die dit schuldig „blind zijn” mijden wil, kan dus, waar eenmaal de Theologie ook de wetenschappelijke fakkel deed gloren, voortaan niet meer doen, alsof ze nog nimmer ontstoken ware, maar moet met haar rekenen. Zoo is derhalve ook de theologische wetenschap ons geen abstractie. Integendeel, ze komt uit den drang van het leven der kerk op, en werkt op het leven der kerk in alle stadiën van haar ontwikkeling in. Alleen hiertegen protesteeren we, dat de Theologie er alleen om dezen hulpdienst zijn zou, en alsof de kerk op zichzelf dezen hulpdienst niet zou kunnen ontberen. De kerk heeft eeuwen lang geestelijk zonder haar gebloeid, en kan in zooverre nooit van haar afhankelijk zijn. Maar ook omgekeerd mag de Theologie niet uit utiliteit verklaard. Dat ze ontstond, hing samen met den adel van onze menschelijke gedachte, die niet kan rusten, zoolang er nog een erf bereikbaar is, dat door haar niet geannexeerd is. Het is de denkende, tot God bekeerde mensch, die de roeping heeft bekend, om ook in de wereld onzer voorstellingen en begrippen de eere van Gods |284| waarheid te laten uitkomen. Indien, wat God ons van Zichzelven ontwaren doet, zich tot mystieke aesthese bepaalde, zou men over dit verschijnsel philosopheeren, maar nooit theologisch deze gewaarwording ontleden kunnen. Nu daarentegen God voormaals veeltijds en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken heeft, en er dus licht over God ook in ons bewustzijn opging, nu moest de Openbaring vanzelf tot wetenschappelijk onderzoek dringen en zou de Christenheid aan den drang van haar bewustzijn geweld hebben aangedaan, indien ze had willen leven zonder Theologie.

De Theologie bedoelt derhalve, gelijk elke wetenschap, kennisse, een zooveel mogelijk volledige en juiste kennisse van haar object. Ook zij is uit drang naar inzicht en klaarheid geboren, en kan dus niet rusten, zoolang er nog mogelijkheid bestaat, om het inzicht in haar object te verhelderen. Dit ideëele karakter van alle wetenschap mag ook aan de Theologie niet betwist worden. Juist daarom echter moet altoos in het kennen van God, en niet in het kennen der religie of van het Christendom, haar motief gezocht. Religie en Christendom zijn op zichzelf uitnemend gewichtige onderwerpen; maar die als zoodanig geen noodzakelijk vak in ons bewustzijn bestrijken. Maar heel anders is dit met het Eeuwige Wezen. In elk menschelijk bewustzijn van hooger ontwikkeling, of althans in het algemeen bewustzijn der menschheid, is een open vak, dat alleen door de kennisse van het Eeuwige Wezen wordt aangevuld. Zij het dus al, gelijk we boven aantoonden, dat de Theologie haar object alleen mag nemen in de cognitio Dei ectypa revelata, toch mag dit nooit in den zin van een schoolsche geleerdheid bedoeld. Motief voor alle Theologie is en blijft altoos de kennisse van het Eeuwige Wezer zelf, nu niet voor ons hart, en ook niet in de practijk des levens, maar in de wereld onzer gedachten. Meer kan ze ons niet geven. Als wetenschap is en blijft ze denkarbeid, en kan nooit andersoortig worden. Alleen voorzoover de geopenbaarde kennisse Gods een logischen inhoud heeft, kan de Theologie zich van haar meester maken. Buiten het terrein van ons denken is ze machteloos; doch ook, voorzoover het hier op denken aankomt, is zij de geroepene, en mag niemand haar op zij dringen. |285|

Doch al concentreeren we in dier voege haar roeping op het indenken van de zelfopenbaring van het Eeuwige Wezen aan ons zondaren, toch is hiermee geenszins bedoeld, dat ze uit die Openbaring alleen datgene zou hebben uit te lichten, wat op God zelf in zijn Eeuwig Wezen betrekking heeft. Wel moet ze strikt theologisch blijven, en is alzoo God zelf van den aanvang tot den einde toe de heros in haar epos; maar, gelijk de oudere theologen reeds opmerkten, men kan de Deo in casu recto et obliqua handelen. Niet alleen dus, wat in die Openbaring op Gods wezen, maar ook wat op zijn eigenschappen, op zijn werkingen, op zijn creatiën doelt, moet, voor zoover het een bijdrage levert voor de kennisse Gods, in het onderzoek opgenomen. Ook dus de natuur en de geschiedenis, mits van theologische zijde. Ook de mensch, mits als naar den beelde Gods geschapen, en dus theologisch opgevat. En waar ge reeds de kennisse van een machtig denker voor zijn biographie onvolledig acht, tenzij ge ook zijne denkbeelden kent over de beteekenis van den mensch, over de groote levensproblemen, en over de ontwikkeling, die in de toekomst te wachten staat, daar spreekt het vanzelf, dat het tot de kennisse Gods ook behoort, om te onderzoeken, wat Hij u zegt van den mensch, van zijn verhouding tot de kinderen der menschen, en van zijn Raad, die bestaan zal. De nadruk, dien wij op de Theologie als Theologie leggen, strekt dus volstrekt niet, om haar armer te maken; veeleer denken we ons haar inhoud nog als verrijkt; alleen maar we eischen, dat al, wat tot haar inhoud zal behooren, door éénzelfde leidende gedachte beheerscht zij, en die leidende gedachte mag noch kan een andere wezen dan de kennisse Gods. Gelijk later blijken zal, ligt hierin tevens een maatstaf, om perspectief in de Schrift te brengen; mits men maar niet vervalle in de altoos valsche scheiding tusschen Schrift en Gods Woord, en evenmin de beteekenis van de Schrift concentreere op het religieusethische. Alleen de kennisse God leert u onderscheiden, wat in de Schrift van eminent, van gewoon, en van minder gewicht is. Eerst wat ge theologice u eigen hebt gemaakt, bezit ge inderdaad als deel der Openbaring; wat voor uw besef nog niet met de kennisse van het Eeuwige Wezen samenhangt, ligt er nog buiten. |286|

Doch ook hiermee is de verhouding van de Theologie tot haar object nog niet geheel bepaald. Dit alles toch slaat nog uitsluitend op den inhoud der Openbaring, en rekent nog niet met die geopenbaarde Godskennisse als zoodanig. In zoover zou zich dus wel een dogmatisch-ethische studie kunnen ontwikkelen, maar voor een Theologie in de breedere ontplooiing van al haar studievakken toch nog geen plaats zijn. Nu kan eerst bij de organische constructie van de Theologie als wetenschappelijke eenheid nauwkeuriger van elk vak aangetoond, in welk verband het met de kennisse Gods staat, en welke plaats uit dien hoofde aan zulk een vak in het theologisch geheel toekomt. Daarheen verwijzen we dan ook; maar toch is het noodzakelijk, nu reeds in algemeene trekken aan te geven, vanwaar der Theologie deze vele studievakken komen. Het is toch niet genoeg te zeggen, dat ze de facto opgetreden zijn, noch ook kunt ge volstaan, met te wijzen op de beteekenis van deze vakken voor de opleiding tot den Dienst des Woords. Om wetenschappelijk geconstrueerd te zijn, moet het geheel van een wetenschap uit den wortel van haar object opkomen, of althans door haar object gemotiveerd zijn. Dit object nu is hier, de geopenbaarde kennisse Gods, of nader de theologia ectypa revelata. Hieruit nu volgt, dat niet alleen te rekenen valt met den inhoud van deze Openbaring, maar dat ook die Openbaring als zoodanig moet onderzocht. Voorts, dat de werking moet nagespeurd, die van deze Openbaring is uitgegaan; en dat het verband tusschen die Openbaring en onze psychische gegevens moet nagespeurd, om actie onzerzijds met die Openbaring mogelijk te maken. Wie zich op wetenschappelijke wijze met eene staalbron zal bezighouden, mag zich niet tevreden stellen met een analyse van haar ferrugineusen inhoud, maar is ook gehouden de historie van deze bron na te gaan, de werking van haar water na te speuren, en te onderzoeken, op wat wijs haar inhoud het best is aan te wenden. Past men ditzelfde nu op de theologia ectypa revelata toe, dan gevoelt men terstond, hoe de theologische wetenschap haar taak niet als afgedaan kan beschouwen, indien slechts de inhoud van die revelatie ontleed is, maar dat èn die revelatie zelve, èn de |287| werking, die er van uitging, èn de methode, die haar applicatie eischt, in onderling verband bezien moeten worden. Er ontstaat dus, ook bij het strengste vasthouden aan het theologisch karakter onzer wetenschap, geen de minste ongereedheid om den samenhang der onderscheidene studievakken in te zien. Of wat is, om slechts dit ééne te noemen, de kerkgeschiedenis anders dan het breed verhaal van de uitwerking, die de cognitio Dei ectypa op allerlei manier in het leven der volkeren gehad heeft? Intusschen volstaan we in deze § met de korte aanduiding hiervan. Eerst in de laatste §§ van dit tweede deel kan dit verband volledig worden toegelicht.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002