§ 29. Deformatiën der Theologie.

Moest de poging, om uit de theologia naturalis, zonder de hulpe der revelatio specialis, tot kennis van het Goddelijke te geraken, na den zondeval tot geheele verbastering der Godskennisse leiden; en anderzijds de poging, om de religie als object van onderzoek voor de „kennisse Gods” in de plaats te schuiven, het begrip der Theologie vervalschen; van geheel ander karakter is de ontreddering, die op theologisch gebied is aangebracht door, wat we noemen, haar deformatiën, vrucht van schisma en heresie. Thans nog teekent zich duidelijk het verschil tusschen, wat men noemt, de Protestantsche, de Roomsche en de Grieksche of Oostersche Theologie; en al werd van lieverlee, op Protestantsch terrein, de tegenstelling tusschen den Lutherschen en Gereformeerden leertypus van minder beteekenis dan vroeger, toch is het zelfmisleiding, te wanen, dat ze zou zijn uitgesleten; terwijl ook anderzijds de schakeeringen van de mystiek-apocalyptische en de pietistisch-methodistische leerwijze zich nog in alle breedere Protestantsche kringen handhaaft. De illusie, alsof de vroegere confessioneele verschillen haar tijd hadden gehad, om allengs voor een algemeen Protestantsch besef plaats te maken, hield nauwelijks het vierde eener eeuw stand. Maar al te spoedig bleek, hoe deze onverschilligheid voor het confessioneele voortsproot uit onhistorischen zin en gevoed werd door een uiterst bedenkelijke hypertrophie van het philosophisch element. Bijna overal ontwaart men dan ook een weeropleving van het confessioneele in de Theologie, zoodra deze, ter beveiliging van haar positie, zich uit de armen der philosophie losrukt en bedacht is op het herwinnen |274| van haar zelfstandigheid. Juist dit echter maakt het noodzakelijk, om, evenals onze vaderen zulks deden, ook thans weer met de deformatiën der Theologie te rekenen.

Tweeërlei onhoudbaar standpunt wordt onzerzijds door dit begrip van deformatie uitgesloten; ten eerste het sceptische, dat aan de Protestantsche Theologie geen hoogere waarde toekent dan aan de Roomsche of Oostersche, en er steeds meer toe neigt, deze alle op één lijn te stellen; en ten andere het absolute, dat elke andere Theologie dan zijn eigene voor waardeloos houdt en ze kortweg als uit den Booze veroordeelt.

Het sceptische standpunt schiet te kort in geloof, in beslistheid en moed van overtuiging. Men beschouwt eigenlijk de waarheid als iets ongrijpbaars; ook zijn eigen belijdenis schat men dus niet hooger dan een uiteraard mislukte poging om aan de waarheid uitdrukking te geven. Men tast zelf in het onzekere rond, en moet dus wel het goed recht van anderen toegeven, om eveneens te handelen. Hun belijdenis en de uwe bezitten evenveel of even weinig waarde, al naar ge het nemen wilt. Het zijn variatiën op eenzelfde thema. Elk dier variatiën verrijkt en vult aan; en persoonlijk staat ge hooger, naarmate ge, minder enghartig aan uw eigen belijdenis gehecht, een open oog en oor hebt, om in aller levensuiting te genieten. Iets, wat niet eclectisch bedoeld is, want men leest niet uit de onderscheidene confessiën een ruiker saam, maar wandelt tusschen de onderscheidene bloemperken door, om, ook al heeft men zijn eigen lievelingsbloem, toch in het schoon van heel deze confessioneele flora te genieten. Hier nu ontbreekt de ernst. Alle confessioneele vorm is op dit standpunt een weeldeartikel geworden. Het confessioneele leven doelt dan niet meer op waarheid, maar geldt als een soort poëzie. Men ervaart in zijn gemoedsleven zekere vrome gewaarwordingen; ook zoekt men zekere mystieke gemeenschap met de verborgen wereld van het oneindige; en in zooverre men de realiteit van die wereld aanneemt, is men daarin ernstig man; maar in wat men er zelf van uitspreekt, of anderen er van hoort uitspreken, gelooft men zelf niet. Ons voegt niet dan stamelen. Aan de klanken, de vormen, de woorden, van wat we uitspreken, mag |275| daarom geen waarde gehecht, als werd er die hoogere realiteit door uitgedrukt. Hoogstens hebben die klanken een waarde van muzikalen aard. Ze geven uiting aan onze beseffen en pogen die straks weer op te wekken. Maar daarom juist is het lied, dat een ander uit zijn hart zingt, even schoon. Er is geen te belijden waarheid meer. Al, wat overblijft, is een vroom, aesthetisch genieten, in wat op allerlei wijs door menschen over de waarheid gestameld is. Een Calvinistisch gebed, dat de bezieling voor hooger leven uit de fontein der eeuwige verkiezing indrinkt, boeit op dat standpunt even sterk als het Ave verum corpus, waarmede de Roomsche voor de opgeheven hostie neerknielt.

Ge moogt dit sceptische standpunt dan ook niet verwarren met de mystieke antithese, die zich tegen alle dogma, tegen alle confessie, en dus ook tegen alle bijzondere revelatie aankant. Deze mystieke antithese komt voort uit de neiging, om het zijn over het bewustzijn te laten triomfeeren, en keert zich deswege, onder den schijn van het dorre intellectualisme te bestrijden, tegen alle wijziging, die krachtens de religie in onze denkwereld moet worden aangebracht. Want wel heet het, dat onze dusgenaamd modern-ethische richting aan geen begrippen hecht; maar feitelijk is dit natuurlijk niet zoo. Niemand kan buiten denken; zonder een leven met bewustheid is geen menschelijk leven denkbaar; een ieder gaat uit van zekere algemeene begrippen; en of men het bedoelt of niet bedoelt, die algemeene begrippen vormen in een iegelijk, die op hooger terrein leeft, toch een sÀstjma, d.i. ze staan met elkander in zeker verband. Feitelijk grijpt dus dit plaats, dat de strijd tegen het „dorre intellectualisme” dienst doet, om allen invloed van de revelatie of zelfs van de religie op de vorming van onze gedachtenwereld te keeren; terwijl men dan voorts de gedachtenwereld, die uit de natuurlijke rede aller gemeengoed werd, als onaantastbaar en van zelf sprekend laat gelden. Het is bij deze mannen de oude strijd tusschen het primaat van het bewustzijn of van den wil, terwijl dan onder den wil geheel ons hooger leven gesubsumeerd wordt. Niet hiermee echter hebben we bij de deformatie der Theologie te rekenen; overmits al zulk pogen op algeheele vervalsching van het begrip |276| der Theologie uitloopt, en dus thuis hoort onder de vorige paragraaf. De sceptici daarentegen, die we hier bespreken, staan met ons op het standpunt der revelatio specialis, gevoelen met ons de behoefte, om het dogma in eere te houden, en stemmen ons toe, dat geen kerk buiten confessie kan; alleen maar, ze kennen aan alle deze confessiën saam geen andere dan relatieve waarde toe. De waarheid is in niet ééne confessie, en evenmin in alle confessiën saamgenomen. Propaganda drijven voor de ééne confessie boven de andere is daarom ongemotiveerd. Overgang uit de ééne kerk tot de andere, tenzij dan om een huwelijk of om een nationale aangelegenheid, heeft geen zin. En de arme martelaren, die zich voor hun overtuiging in den dood gaven, stierven als de naïeve slachtoffers van een confessioneele vergissing.

Ontbreekt alzoo in dit confessioneele scepticisme de zenuw der overtuiging, per excessum van overtuiging zondigen daarentegen de confessioneele absolutisten, die al, wat buiten hun eigen belijdenis valt, kortweg met het anathema treffen. Op dit absolutistische standpunt stonden de Hervormers en de Doctores ecclesiae, die de belijdenis der Reformatoren theologisch construeerden, niet. Zelfs Calvijn bouwt welbewust verder op de Theologie van Augustinus en Thomas van Aquino; en wie de oorspronkelijke Luthersche en Gereformeerde dogmatici naslaat, ontwaart terstond, hoe zij aldoor rekening houden, met hetgeen ons door Roomsche theologen geleverd wordt. Maar in de periode, die daarop volgde, gaat dit gebruik te loor. Elke kerk sluit zich op binnen haar eigen muren; en ten slotte is het, of er voor den dogmaticus geen andere Theologie, dan die rust op zijn eigen confessie, bestaat. Niet alleen toch, dat men, waar antithese in het spel komt, zijn eigen overtuiging even beslist aankleeft, als men, hetgeen daartegenover staat, verwerpt; maar ook bant men elk vermoeden, alsof er, althans in hetgeen niet antithetisch is, eenige theologische diepte, ontwikkeling en waarheid bij den tegenstander kon schuilen. Met name de Roomsche theologen drijven dit confessioneele absolutisme op de spits. Bij de Luthersche theologen wordt dit absolutisme al spoedig, ook ten koste van de Gereformeerde Theologie, in practijk gebracht. En het zijn eigenlijk alleen de |277| Gereformeerde theologen geweest, die nog het langst tegen dit confessioneele absolutisme reageerden. Kent de confessioneele scepticus weinig anders dan ireniek, en is alle controvers in zijn oog dwaasheid; omgekeerd is de absolutist van alle ireniek afkeerig, en is de controvers of polemiek de eenige aanraking, die hij met de z.i. valsche confessiën der andere kerken kent.

Toch is het licht in te zien, dat noch dit sceptische noch dit absolutistische standpunt met den eisch der Theologie strookt. Niet het sceptische, want blijft Theologie „kennisse Gods”, en kan dienvolgens de Theologie als wetenschap nooit iets anders bedoelen, dan die geopenbaarde Gòdskennisse zoo helder mogelijk in ons menschelijk bewustzijn in te dragen, dan moet immers het uitgangspunt van alle Theologie persoonlijke overtuiging zijn. Theologie is en blijft, generiek genomen, kennisse, en reeds uit dien hoofde kan er geen Theologie bestaan, waar de overtuiging, dat men kent, ontbreekt. Confessioneel indifferentisme nu is hiermede in onverzoenlijken strijd; want wel zal er in den buitensten omtrek van ieders overtuiging velerlei zijn, dat niet gehecht ligt in zijn persoonlijk bewustzijn, maar dat hoort dan ook in onze confessie niet thuis. Maar wat men belijdt, moet men meenen; daar moet men zeker van zijn; daar moet men desvereischt het zwaarste offer voor brengen; zoo het moet, het offer van zijn leven. Dat nu deze confessioneele overtuiging in de Luthersche kerk anders is dan bij de Oostersche, en bij de Gereformeerde anders dan bij de Roomsche kerk, hangt zeer stellig niet aan onze persoonlijke voorkeur. Dit verschil hangt saam met onze levenspositie en genealogie. Deswege echter mag nimmer tegen de realiteit onzer overtuiging bedenking rijzen, daar immers geheel de wereld onzer voorstellingen, ook op niet-religieus gebied, beheerscht wordt door den kring, waaruit we opkomen, en den tijd, waarin we leven; iets, waarbij alleen de pelagiaan in moeite kan geraken, want aan een goddelijk bestel, dat geheel onze positie bepaalt, gelooft hij niet; maar overigens schiet een overtuiging zelfs nooit dieper wortel, dan zoo ze atavistisch in ons is voorbereid. Wie dan ook, langs dien weg, zijn overtuiging als één met zijn leven verkreeg, schrijft het bezit hiervan |278| niet toe aan eigen voortreffelijkheid, maar dankt er Gods genade voor. Een theoloog in echten zin zal en moet dus de Theologie, die hij aanhangt, en aan welker ontwikkeling hij zijn leven wijdt, voor waar en waarachtig houden, en kan niet aarzelen, om elke andere Theologie als deformatie te beschouwen. Een Luthersch theoloog, die niet vast overtuigd is van de waarheid zijner eigen belijdenis, en den moed mist alle Theologie, die hier tegen ingaat, als deformatie te veroordeelen, is het spoor bijster. Ditzelfde geldt van den Roomschen theoloog. En ook wij, als Gereformeerde theologen, staan evenzoo in de vaste en onwankelbare overtuiging, dat het spoor, waarlangs wij ons bewegen, het zuiverst loopt, en dat elk ander spoor leidt tot mindere of meerdere deformatie.

Maar mag geen enkel theoloog op zijn eigen standunt voor deze qualificatie van deformatie terugdeinzen, toch ligt omgekeerd juist in dit begrip van deformatie een element van waardeering, en alzoo de veroordeeling van het confessioneele absolutisme. Deformatie oordeelt wel de ongaafheid van den vorm, maar eert het wezen. Of nu deze deformatie het gevolg was van schisma, en daaruit gevolgde eenzijdigheid, door het saamtrekken van de energie der waarheid op één enkel punt; of wel haar oorsprong vond in heresie, d.i. in het opnemen in de belijdenis van elementen, die aan de waarheid vreemd waren, doet hier ter zake niets af. In beide gevallen toch erkent ge, dat er wel waarlijk „kennisse Gods” overbleef, en dat hetgeen zich Theologie noemt, het theologisch karakter metterdaad bezit. Saam toch stemt men dan overeen in de belijdenis dat er ectypische Godskennisse bestaat, dat deze voor den zondaar langs natuurlijken weg niet tot baatgevend resultaat kan leiden, en dat er alsnu een revelatio specialis is, die deze leemte aanvult. Ook worden de canonieke boeken van Oud en Nieuw Testament door alle deze kerken saam als de Goddelijke documenteering van deze revelatie geëerd. Verschil ontstaat eerst door het voegen bij deze Schriftuur van de apocriefen, van de traditie, van de pauslijke inspiratie door de assistentia divina, van de mystieke inspiratie door het lumen internum enz. Over en weer is men dus zeer |279| wel in staat, om aan te toonen, waardoor de deformatie bij de vorigen ontstond; en dáártegen keert men zich dan; maar het gemeenschappelijke in aller belijdenis en Theologie wordt hierdoor niet opgeheven.

En is hiermee de weg geopend, die leiden moet tot waardering en gebruik, van wat ook door theologen van andere confessiën, voor hetgeen met ons gemeenschappelijk is, gearbeid wordt, zoo leidt die weg tevens nog tot een andere overweging, Zelfs Rome ontkent niet, dat er ook buiten haar kerk charismata werken; en waar zelfs Rome op die wijs de eenheid nog mainteneert, brengt ons Protestantsch beginsel mede, openlijk de correlatie van andere kerken met de onze te erkennen. Geen enkele confessioneele groep beweert al de kerk te zijn. Veeleer belijden we, dat de eenheid van het lichaam van Christus zeer verre onze confessioneele grenzen overschrijdt. De charismata, die ook theologisch buiten ons erf openbaar worden, kunnen dus bieden, wat wij missen, en slechts zelfgenoegzame enghartigheid kan weigeren hiermee zijn voordeel te doen. Bij ons gaat daarom de ireniek steeds met de polemiek gepaard. Vast en onwrikbaar belijden we, dat het spoor, waarlangs wij ons bewegen, het zuiverst ons bekende is, en krachtens die overtuiging aarzelen we geen oogenblik, het afwijkende van anderer spoor als deformatie te brandmerken. Tegen dat gedeformeerde keert zich dan onze polemiek. Maar tegelijk blijft ons oog er voor open, dat niet wij alleen de Kerk van Christus op aarde uitmaken; dat er alzoo overtuiging van waarheid ook buiten onzen kring werkt; en dat de charismata ook onder al zulke deformatie voortgaan theologisch leven, dien naam waard, te kweeken. Vandaar onze ireniek.

Voor ons bestaat er dus geen Theologie qua talis, die, boven alle speciale Theologie zich verheffend, de Theologie in absoluten zin zou zijn. Zulk een Theologie zou onverwijld tot een nieuwe confessie moeten leiden en nieuwe kerkformatie in het leven moeten roepen; eenvoudig, wijl men niet als theoloog een andere overtuiging kan bezitten dan als lid zijner kerk. Dan echter zou de orde worden omgekeerd. Immers, de kerk komt niet uit de Theologie, maar de Theologie wast uit het leven der kerk op, |280| En werpt men hiertegen de bedenking op, dat op die wijs de Theologie haar karakter van algemeene geldigheid inboet en alzoo onwetenschappelijk zou worden, dan zij hierop geantwoord: 1º. dat de algemeene geldigheid niet geëischt wordt bij alle individuen, maar slechts bij hen, die de receptiviteit voor de waarheid van eenige zaak bezitten en er van op de hoogte zijn; 2º. dat elk welovertuigd theoloog zich ook bij zijn tegenstander beroept van den male informatus op den melius informandus. Dat eenheid van wetenschappelijke overtuiging, bij de materieele wetenschappen tamelijk algemeen, daarentegen bij de geestelijke wetenschappen zoo zeldzaam is, en bij de hoogste geestelijke wetenschap, de Theologie, geheel ontbreekt, pleit dus niet tegen haar, maar bewijst slechts, dat ze het hoogste staat, wijl ze het teederste raakt, en dat ze dientengevolge het meest te worstelen heeft met de verwoesting, die de zonde in ons geestelijk leven heeft aangericht.

Op dien grond handhaven wij dan ook het confessioneele karakter der Theologie; overmits anders óf de eenheid van ons theologisch denken, óf de oprechtheid van onze theologische overtuiging te loor gaat. Voor ons, als Gereformeerden, is alzoo alleen de Godskennisse, gelijk de Gereformeerde of gezuiverde belijdenis die aanbiedt, het nader bepaalde object der Theologie.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002