§ 27. De verbasteringen der Theologie, als „Godskennisse”.

De zin en beteekenis der Theologie is verdorven in tweeërlei opzicht. Eenerzijds met betrekking tot de Theologie als „kennisse Gods”, en anderzijds met opzicht tot de Theologie als wetenschap. Van de eerste soort verbastering handelt deze §, van de vervalsching der Theologie als wetenschap de volgende.

Wat nu aangaat de ontaarding van de Theologie, genomen in den zin van „kennisse Gods”, zoo moet uitgegaan van de theologia naturalis, overmits alleen met het oog op deze natuurlijke Godskennisse bij de verwerpers van de revelatio specialis van Theologie sprake kan zijn. Men is thans veelal gewoon den band, die het hoogere leven ook der paganistische volken met het onze saamverbindt, in de religie te zoeken. Er wordt dan een algemeen begrip van religie op den voorgrond gesteld. Religie in dien algemeenen zin acht men, dat bij schier al deze volken aanwezig is. Tusschen hun religiën merkt men verwantschap, maar ook gradueel verschil op. In dit alles meent men een proces te ontwaren, en het is door middel van dit veelzijdig proces, dat men de Christelijke religie met deze lagere vormen in verband brengt. Wij slaan dien weg niet in, omdat religie en kennisse Gods niet hetzelfde is, en toch de Theologie zich alleen in dit laatste haar uitgangspunt ziet aangewezen. Religie kan òf als een besef, òf als een dienst, òf als een verplichting worden opgevat, maar in geen dier drie opvattingen is ze met de „kennisse Gods” identisch. Iets, wat het sterkst uitkomt in den vromen agnosticus, die ook voor zichzelven religieus beweert te zijn, en toch alle kennisse Gods principieel uitsluit. Het niet in het oog houden van dit specifiek verschil tusschen religio en theologia is dan ook oorzaak geworden, dat men zelfs tot in de wetenschap der Theologie de religio in de plaats van haar oorspronkelijk object heeft geschoven.

Dit nu dwingt ons den band met de paganistische volkeren niet in het phaenomenale van hun religieuze levensuiting te zoeken, maar, met de Schrift, in de theologia naturalis; wat tevens dit niet te verachten voordeel oplevert, dat we ons niet hebben te beperken tot de nationale vormen van eeredienst, maar ook rekenen |254| kunnen met de theologia, die, buiten deze eerediensten om, onder deze volkeren valt waar te nemen in hun mysteriën, bij hun dichters en hun wijsgeeren. Het is toch volkomen juist gezien, dat zelfs de meest stuitende afgoderij in organisch verband staat met de zuiverste openbaring. Er is een generieke eenheid, die eertijds maar al te zeer uit het oog is verloren, en nog, met name door het Methodisme, veel te veel miskend wordt, miskend ook in het werk der zending. De zuiverste belijdenis der waarheid toch vindt ten slotte haar uitgangspunt in het semen religionis, dat, dank zij de gratia communis, ook nog in den gevallen zondaar over is, en omgekeerd is er geen vorm van afgoderij, zoo laag staande en zoo verdorven denkbaar, of uit ditzelfde semen religionis sproot dit afstuitende voort. Zonder theologia naturalis is er zoomin een Abba, Vader, als een Molochdienst denkbaar. In zooverre gaan we dus met de hedendaagsche Religionswissenschaft in hoofdzaak mee. Daarentegen stellen we ons tegen haar over, zoodra ze den afstand tusschen dit Abba Vader en den Molochdienst vullen wil met de golvingen van een gradueel voortschrijdend proces. Er is hier geen overgang noch geleidelijke ontwikkeling, maar tegenstelling tusschen de positieve en negatieve werking van eenzelfde kracht. Het is met deze theologia naturalis evenzoo gelegen als met de p°stiv en de qov. Het ethische leven kent slechts één normale ontwikkeling, die tot heiligheid; maar tegenover deze positieve staat de negatieve ontwikkeling in de lijn der zonde. Zonde is een actuosa privatio, niet slechts een carentia, en daarom in haar tegendeel omgeslagen deugd, en aldus met de negatieve werking van al de heerlijke kracht, die in het ethische leven van nature inzit. Evenzoo is pist°a, gelijk we boven reeds aantoonden, geen carentia fidei, maar actuosa fidei privatio, d.i. de in haar tegendeel omgeslagen geloofskracht. En zoo nu ook is de afgoderij uitvloeisel niet van eigen verzinning, noch van gradueel zich ontwikkelende factoren in ’s menschen bewustzijn, maar van een actuosa privatio der natuurlijke Godskennisse. Het motief en de inhoud van deze theologia naturalis is in het afgodisch wezen in zijn tegendeel omgeslagen. Het is hetzelfde rad, zich wentelend om dezelfde spil, maar in omgekeerde, of, wilt ge, afgekeerde |255| richting. Religio Christiana en paganismus staan dus niet tot elkander als de hoogere en lagere ontwikkelingsvorm van eenzelfde wezen; maar de religio Christiana is de hoogste ontwikkelingsvorm, waarvoor de theologia naturalis vatbaar was op de positieve lijn; terwijl alle paganisme een ontwikkeling van diezelfde theologia naturalis is in negatieve richting. Christendom en paganisme staan tot elkander als de plus- en minusvormen van eenzelfde reeks.

Reeds hieruit blijkt, dat theologia naturalis niet door ons genomen wordt in den matten zin, waarin men op het eind der 17e eeuw begon een dor schema van enkele waarheden op te stellen, dat als theologia naturalis naast de supranaturalis zou staan. Voor ons is de theologia naturalis geen schema, maar de Godskennisse zelve, die in den zondaar nog overig is en nog onder zijn bereik is gesteld. Geheel in den zin van Rom. I : 19 vv. en Rom. II : 14 vv. Want wel is de zonde een absoluut verduisterende macht, en zou er, ware haar werking niet tijdelijk gestuit, niets dan absolute skot°a in en om den mensch zijn overgebleven; maar de gratia communis heeft haar doorwerking op zeer aanmerkelijke wijze gestuit; ook opdat de zondaar niet zou te verontschuldigen zijn. Tengevolge nu van deze gratia communis zijn in den zondaar de rudera of scintillae luminis overgebleven en is de vloek over de natuur niet in die mate gekomen, of t çrata worden ook nu nog, mits nooÀmena, to²v poiÐmasin doorzien. ’s Menschen toestand en zijn wereld zijn dus niet, gelijk ze zouden geweest zijn, indien de zonde aanstonds haar tTMlov had bereikt, maar beide zijn, dank zij de gratia communis, van dien aard, dat er nog kennisse Gods mogelijk is, hetzij langs den weg der traditie, hetzij als vrucht van eigen inzicht, die dan ook in niet geringe mate nog te midden van het paganisme, zoo in de mysteriën als bij de dichters en philosofen, gevonden wierd. Maar, en dit vormt het keerpunt, in stee van er zich aan vast te klampen, heeft de zondaar in het generaal met deze vrucht der gratia communis zijn eigenzinnig spel gedreven, en is dientengevolge zijn sÀnetov kard°a geheel mwr°a en skot°a geworden. En het is nu eerst, als gevolg van dit misbruik, hetwelk de zondaar van de theologia naturalis gemaakt heeft, dat God hem ten |256| slotte parTMdwke, gelijk Paulus dit tot driemaal toe in Rom. I herhaalt. God heeft hem losgelaten; en toen, tengevolge van dit loslaten Gods, is eerst die vloek van zelfverlaging en verdierlijking over het paganisme gekomen, die thans zijn eigenlijk kenmerk uitmaakt.

Er is op dit pas derhalve tweeërlei fout begaan, en ook nu nog tegen tweeërlei afdoling te waken. Onze oudere theologen hebben het paganisme te veel geïgnoreerd, het te uitsluitend uit een daemonisch motief verklaard, en daardoor het organisch verband niet genoeg doen uitkomen, dat onmiskenbaar tusschen de theologia vera en de theologia falsa, als normale en abnormale werking van een zelfde drijvend beginsel, bestaat. Maar ook anderzijds verviel men thans in dwaling, door de tegenstelling van vera en falsa op te geven, beide te identifieeren, en voor dit organisch verband den vorm van het ontwikkelingsproces te kiezen. Ging men eertijds feil per defectum, nu dwaalt men af per excessum. En tot het ware inzicht in het organisch verband tusschen de theologia vera en het paganisme komt men dan eerst, als men de antithese tusschen de positieve en negatieve ontwikkeling van de gratia communis tot haar recht laat komen. Er bestaat ook hier tegenstelling tusschen de echte en de verbasterde ontwikkeling, die beide, hoe verder ze voortgaan, des te verder van elkander afraken; een tegenstelling, die in geen enkel opzicht een mindere is dan die tusschen goed en kwaad, als beide uitingen van het ééne ons ingeplante ethische beginsel.

Hiermee is natuurlijk allerminst ontkend, dat er een proces plaats greep; alleen maar dit proces is tweeledig. Gelijk er op het punt, waar goed en kwaad uiteengaan, een tweeledig proces begint, waarvan het eene tot al rijker openbaring van het heilige, het andere tot al droever uitkomen van het daemonische in de zonde leidt, zoo is het ook hier. Van Abraham af gaan de twee lijnen der theologia vera en falsa uit elkander. Niet alsof ook niet reeds vroeger de tegenstelling aanwezig was; maar omdat beide gestalten eerst van dit punt uit elk een eigen historischen vorm aannemen. En nu is er van dit punt af eenerzijds een ontwikkeling van de theologia vera, die in den Christus potentieel haar kmÐ bereikt, maar ook anderzijds eene verslimmering van de theologia |257| falsa, die in negatieven zin ook haar weg moet afloopen tot den einde toe. In ons derde of bijzonder deel zal dit nader worden aangetoond. Hier kan alleen het standpunt aangegeven, waarop men zich o.i. te plaatsen heeft, om èn het organisch verband tusschen onze eigen belijdenis en die van het paganisme weer tot zijn recht te laten komen, èn tegelijk het gevaar te ontkomen, dat het onderscheid tusschen beide niet tot een relatief verschil verzwakt worde.

Ter voorkoming van de allicht oprijzende bedenking, of toch de theologie der Grieksche philosophie niet hooger staat en meer der waarheid nabijkomt dan de animistische en fetischistische vormen van het paganisme, vinde hier echter nu reeds een drieërlei opmerking haar plaats. De eerste is, dat het ongeoorloofd moet wordan geacht om de theologische voorstelling van een negerstam oorzakelijk te verbinden met die van een zoo hoog begaafden volksstam, als het aanzijn schonk aan de Grieksche philosophie. De hypothese, dat alle volkeren met animisme begonnen zijn, en vandaar allengs de verschillende sporten van de scala zijn opgeklommen, wordt door niets gestaafd. Onze tweede opmerking is, dat men geen ongelijksoortige grootheden kan vergelijken, en dus niet de cultusvormen van eenig volk mogen vergeleken met de theologoumena der philosofen. Ter vergelijking moet men de cultusvormen van het paganisme stellen tegenover de practische religie dezer wijsgeeren, en evenzoo tegenover hun theologoumena de denkbeelden omtrent het oneindige en zijn werkingen, die aan de cultusvormen der lager staande volken, of ook der Grieken, ten grondslag lagen. Een parallel, waarbij al dadelijk uitkomt, dat de philosofen, tot geen cultusvormen kwamen, en hiernaar eerst grepen, toen ze in het Neoplatonisme, Gnosticisme enz. elementen uit de Christelijke religie in zich hadden opgenomen. Dit nu verraadt reeds, dat de theologia naturalis in hen meer intellectualistisch werkte dan als bezielende kracht. Een feit, waaraan zich vanzelf onze derde opmerking aansluit. Deze namelijk, dat, hoe hoog, uit intellectueel oogpunt, de theologoumena der Grieksche philosophie ook staan, ze toch principieel een veel sterker verbastering van de ware |258| Godskennisse toonen, doordien ze het afhankelijksheidsgevoel vernietigden, en met name in het Stoïcisme hier menschelijke zelfgenoegzaamheid voor in de plaats stelden. In den neger, die sidderend voor zijn fetisch knielt, is nog meer van de vreeze Gods over dan in den trotschen philosoof, die over de goden (of over tè qe²on) redeneert als over machten, van wie hij uit zal maken, wat ze zijn. Van het semen religionis is in dien neger nog tamelijk sterke kracht, in dien zelfgenoegzamen wijsgeer niets meer over. Hij redeneert; die neger, op hoe gebrekkige wijze ook, aanbidt.

Gelijk nu de Christelijke Ethiek zich niet enkel bezighoudt met de positieve ontwikkeling van het goed, maar ook rekening houdt met de negatieve ontwikkeling van het kwaad, zoo heeft dus ook de Christelijke Godgeleerdheid geen recht zich te bepalen tot de bestudeering van de theologia vera, maar moet ze ook rekenen met de theologia falsa in het paganisme; en dit niet enkel, om de gedrochtelijkheid van de paganistische voorstellingen op de kaak te zetten; dit toch ware geen ernstige opvatting van hare taak; maar veelmeer, om ook dit paganisme als uit de theologia naturalis geboren te verklaren, en de wet op te sporen, waaraan, deze valsche ontwikkeling gehoorzaamd heeft. Er kan niet één enkel gegeven in de idololatrie zijn, dat haar inhaerent is, en niet uit de theologia naturalis zou zijn voortgekomen. Hiermee is natuurlijk noch de inwerking der traditie uit het paradijs, noch de inwerking van Israel afgesneden. Juist waar de antithese tusschen de theologia vera en falsa scherp in het oog wordt gevat, moet de vera wel aan de falsa zijn voorafgegaan, en kan de idololatrie niet anders dan verbastering zijn; iets, wat vanzelf in zich sluit, dat, gelijk bij elke verbastering, elementen van de oorspronkelijke zuivere ontwikkeling nawerken. En wat de inwerking van de speciale openbaring betreft, zoo mag nooit uit het oog worden verloren, dat, van Abrahams dagen af, het volk der openbaring steeds in aanraking is geweest met de omliggende volkeren, en dat het ondernemen soms van zeer verre reizen, om na te speuren wat andere volkeren over t qe²a leerden, geheel in den geest der oudheid lag. Uit China toog men met dat doel wel over de passen van |259| den Himalaja naar den Ganges. Voegt men hierbij nu de groote beteekenis en roep van het Salomonisch rijk, alsook het feit, dat de profeten lang vóór de Grieksche philosofen optraden, dan zou het van weinig historischen zin getuigen, indien men a priori elke inwerking van Israel op het paganisme en de paganistische philosophie loochenen wilde. Maar zoowel die nawerking der traditie als die mogelijke inwerking van Israel zijn bijkomstig. Ze zijn niet inhaerent aan het averechtsche proces, dat de theologia naturalis in haar afgaande linie doorliep. Dat proces moet dus op zichzelf onderzocht, niet om de theologie van het paganisme als zoodanig te eeren, maar om te doen uitkomen, hoe ook aan het religieuze leven dezer paganistische volken zekere theologie ten grondslag lag, en hoe deze theologie als zoodanig niet verzonnen is, maar de noodzakelijke vrucht was van de zondige ontwikkeling der theologia naturalis.

Een eenigszins andere stelling neemt hierbij de Islam in. Hier toch heeft men, evenals bij het Gnosticisme en Manicheïsme, te doen met een geheel van theologische voorstellingen, dat de bijzondere Openbaring achter zich had en ten deele in zich opnam. Hier is alzoo op drie factoren te letten. Ten eerste op de averechtsche ontwikkeling van de theologia naturalis, die ook hier den paganistischen achtergrond vormt. Ten tweede op de averechtsche ontwikkeling der theologia supranaturalis, die een geheel eigenaardig verloop had. En ten derde op het syncretistische element, dat beide verbasteringen ineenvlocht. De Islam is niet enkel paganistisch, noch enkel heretisch, maar beide tegelijk, en neemt dienvolgens een eigen plaats in de verbasteringen der theologia vera in, waarin het slechts daarom alleen staat, omdat het Manicheïsme, Gnosticisme enz. als religieuze vereenigingen zijn uitgebloeid. Daarentegen is de Islam als zoodanig verwant aan die, vooral sinds het begin der voorgaande eeuw weer gangbare theologische voorstellingen, die eveneens de bloemen der Christelijke openbaring borduurden op het stramien eener in haar hart paganistische philosophie. Alleen met dit verschil, dat deze philosophische verbasteringen geen religieuze gemeenschap stichtten, maar indrongen in Christus’ kerk.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001