26. Het begrip van de Theologie als wetenschap.

Gelijk van elke wetenschap, zoo kan men ook van de wetenschap der Theologie in tweerlei zin spreken, al naar gelang men bedoelt den intellectueelen arbeid, dien men aan de Theologie ten koste legt, of wel hetgeen men als resultaat van dien arbeid vond. In laatstgemelden zin nu blijft de Theologie ook als wetenschap kennisse Gods; want wel is haar resultaat niet vermeerdering van de kennisse Gods, en kan ze slechts tot helderder inzicht in de ons geopenbaarde Godskennisse leiden, maar elke verheldering van inzicht in die kennisse verhoogt toch voor ons het |245| bezit van die kennisse. De microscoop voegt niets aan den vleugel van de kapel toe, maar stelt mij in staat dien vleugel rijker voor mijzelven te maken. En zoo nu ook wordt door de wetenschap der Theologie nooit eenige nieuwe kennisse Gods aan de ons geopenbaarde toegevoegd, maar wel brengt de Theologie als wetenschap teweeg, dat ik haar inhoud vollediger assimileer.

Of nu dit wetenschappelijk inzicht in de kennisse Gods mogelijk en noodig is, hangt af van den graad van ontwikkeling, dien het menschelijk bewustzijn bereikt heeft. In den zin, waarin wij thans het gebied der theologische studin als n organisch geheel opvatten, is de wetenschap der Theologie eigenlijk pas in de vorige eeuw geboren. Tot zelfs nog in het midden der achttiende eeuw had men een Theologie als Dogmatiek, waarmee allerlei andere studin verbonden. waren, maar men miste nog den drang, om die alle tot n organisch geheel te verwerken, en veel meer nog den prikkel, om dit geheel der Theologie organisch met de overige wetenschappen tot n architectonisch geheel van wetenschap ineen te zetten. Dit nu was niet toevallig, maar was het rechtstreeksch gevolg van de algemeene geestesdispositie. Niet toch alleen op het gebied der Theologie, maar op het gebied van elke wetenschap deed zich geheel hetzelfde verschijnsel, zelfs in nog bedenkelijker mate, voor. Immers de Encyclopaedie der Theologie had reeds aanmerkelijke vorderingen gemaakt, toen elk encyclopaedisch inzicht in de physische en medische wetenschappen nog geheel ontbrak en dat in de philologische en juridische wetenschappen nog nauwelijks opkwam. Juist door het exceptioneele van haar positie, en het gevaar, dat haar van de overige wetenschappen bedreigde, was de Theologie er eer dan eenige andere wetenschap toe gekomen, zich rekenschap te geven van haar plaats en roeping. Tot diep in de achttiende eeuw echter droeg deze poging nog altoos een meer apologetisch karakter; en eerst toen door en na Kant de vraag naar het wezen en den weg onzer kennis, en dientengevolge naar het bestand van de wetenschap in het algemeen, zich met macht in ons menschelijk bewustzijn gelden deed, is men allengs tot de organische opvatting vande Theologie als n geheel en als n der wetenschappen in het |246| groot geheel der wetenschappen gekomen, gelijk die thans bij de Theologische faculteit heerscht, en ook bij de overige faculteiten steeds meer tot haar recht komt. Voorheen was het optreden van een wetenschap der Theologie in dien zin niet noodig, omdat het menschelijk bewustzijn in het algemeen de behoefte aan zulk een opvatting nog niet gevoelde; en ook niet mogelijk, omdat niet aan de kennisse Gods, maar aan de logica, in hoogeren zin genomen, de gegevens moesten worden ontleend, om tot zulk een constructie van de Theologie en van alle overige wetenschappen te geraken.

Metterdaad greep er dus een wijziging plaats in de voorstelling, die men zich van de Theologie in academischen zin vormde. Voorheen verstond men onder Theologie, in subjectieven zin genomen, ons menschelijk inzicht in de kennisse van God, die ons geopenbaard was, en in dit inzicht onderscheidde men gradueel, al naar gelang het subject tot de eenvoudigen, tot de gestudeerden, of speciaal tot de geleerden ad hoc, d.i. de theologen behoorde; doch ook zelfs in dien hoogsten zin was en bleef de Theologie Dogmatiek, meest met de Ethiek daaronder begrepen. Dat geleerde inzicht in de ons geopenbaarde kennisse Gods zette men dan meest uiteen naar het schema van Aristoteles of Petrus Ramus, en verdedigde dit inzicht tegen alle opgeworpen bedenkingen. Deze studie en deze alleen noemde men Theologie; en voorts deed een theoloog ook wel aan Kerkgeschiedenis en wat dies meer zij, maar al dit overige was slechts mechanisch met de eigenlijke Theologie verbonden. Thans dekt de naam van Theologie heel het gebied dezer studin; rust men niet, eer men zijn dv moi po st voor de Theologie in het geheel der wetenschap heeft gevonden; en poogt men, in dit verband, ook het wezen der Theologie zelf organisch te verstaan.

Dat nu hiermee ernstig gevaar ontstond voor vervalsching van het wezen der Theologie, ligt voor de hand. Nu toch hetgeen vroeger uitsluitend als Theologie gold, slechts een harer deelen wierd, moest zich wel de neiging vertoonen, om het wezen der Theologie niet in haar hoofdfactor, maar in haar bijvakken te zoeken; en evenzoo, waar men voor de Theologie aansluiting |247| aan het geheel der wetenschap zocht, kon de drang niet uitblijven, om haar wezen niet alleen uit haar eigen beginsel, maar ook uit het algemeene beginsel der wetenschap te verklaren. Beide gevaren hebben zich dan ook vertoond en hebben hun kwaad met zich gebracht; zelfs in zulk een mate, dat in het begrip van Theologie, gelijk dit thans op onderscheidene wijze gevormd wordt, schier niets meer van haar oorspronkelijke beteekenis is terug te vinden. Dit nu dwingt ons, de oorspronkelijke beteekenis met hand en tand vast te houden, en het is daarom dat we, van de idee der Theologie uitgaande, uit die idee zulk een overgang tot het begrip der Theologie hebben gebaand, dat de kennisse Gods ook in dat begrip hoofdbestanddeel blijve.

Op welke wijze de onderscheidene theologische studievakken organisch met deze „kennisse Gods” saamhangen, kan natuurlijk eerst aangetoond, als we aan het organisme der Theologie toe zijn; thans wordt dit organisch verband nog slechts ondersteld, en blijft het zelfs nog in het midden gelaten, welke studievakken al dan niet in dit organisch geheel een plaats vinden. Voorshands spreken we dus nog alleen van zekere groep studievakken, die zich tezamen als de Theologische wetenschap hebben aangediend, en aan de overgroote meerderheid der Universiteiten als zoodanig erkend zijn. Deze groep van vakken levert de wetenschappelijke bearbeiding van allerlei stof, die wel zeer uiteen kan loopen, maar toch door een gemeenschappelijk motief moet verbonden zijn. Dit motief nu kan noch mag iets anders dan de idee zelve der Theologie zijn, en moet dus schuilen in de ons geopenbaarde kennisse Gods. Denken we voor een oogenblik de splitsing in vakken weg, en verschijnt dus de Theologische wetenschap als een geheel voor ons, zoo heeft ze „die geopenbaarde kennisse Gods” en haar alleen tot voorwerp van onderzoek. Dit onderzoek zou overtollig zijn, indien deze kennisse Gods ons geopenbaard ware in dialectischen, discursieven vorm. Dan toch zou de menschelijke geest ontslagen zijn van elke inspanning, om zich die kennisse Gods te assimileeren. Doch zoo is het niet. Die kennisse Gods is ons geopenbaard in omsluierden vorm, juist zooals ze ons moest geopenbaard worden, om te gelden |248| voor alle eeuw en volk, voor allen leeftijd, ontwikkelingsgraad en toestand. Niet de dialectisch scherpe Griek, maar de mystiek-symbolische man uit het Oosten werd tot instrument verkoren, om ons die kennisse Gods te openbaren. Er ligt alzoo tusschen die kennisse Gods, gelijk ze geopenbaard is, en de wereld van het volkomen opgeklaarde menschelijk bewustzijn, nog een aanmerkelijke afstand, en ’s menschen bewustzijn heeft een reuzentaak te verrichten, eer het dien schat der Openbaring met doorzichtige zuiverheid in zich heeft opgenomen en uit zich heeft gereflecteerd.

Deze arbeid nu is daarom nog niet in zijn vollen omvang wetenschappelijke arbeid. Immers, er zijn ook lagere graden in de ontwikkeling van ons bewustzijn, die, zonder nog het wetenschappelijke merk te vertoonen, toch reeds een aanvankelijke vrucht dragen. Alle deze graden heeft dan ook de assimileering van de geopenbaarde Godskennisse door ons menschelijk bewustzijn doorloopen. Er is een arbeid des denkens aan deze Godskennisse besteed, die het uitsluitend practisch doel had, om, wie nog van verre stonden, tot de belijdenis van den Christus te bewegen. Er is een arbeid des denkens aan deze Openbaring ten koste gelegd met geen ander doel dan om zich te verweren tegen bestrijding en ketterij. Er is door het menschelijk bewustzijn over deze kennisse Gods nagedacht in de persoonlijke toepassing op eigen lot en zielservaring. Er is menschelijke denkkracht in deze kennisse Gods ingedrongen bij de voorbereiding voor predikatie en catechisatie. Niet het minst bij de formuleering der dogmata heeft ’s menschen denkkracht gearbeid in het zweet haars aanschijns. En al wat nationale zin, wat de geest van een bepaalde eeuw, of de zin eener eigenaardige confessie aan rijke variatie te voorschijn kon brengen, is met noeste vlijt en taaie volharding aangewend, om op allerlei manier het schoon van deze „kennisse Gods” in het prisma van ons denken te laten schitteren. En toch is dit alles, hoe uitnemend en rijk ook, nog niet, wat we onder de Theologie als wetenschap verstaan. Hiervan is eerst sprake, als ons intellect niet slechts knechtelijken dienst verricht voor een ander doeleinde, maar in ons bewustzijn zelf het besef van hoogere roeping ontwaakt, om de mechanische verhouding tusschen zich |249| zelf en zijn object in een organische om te zetten. Natuurlijk niet, alsof de wetenschap alleen om het weten zou bestaan, en, zichzelf genoegzaam, zou opgaan in abstractin. Integendeel, ook de wetenschap, als sfeer van den Logos, heeft als creatuur Gods de roeping om haren Schepper te dienen, en heeft voor ons als menssch het hooge, practische doel, dat ze ons vrijmaakt, ons een zelfstandige positie tegenover de ons bedreigende machten verleent, en aldus ons menschelijk bestaan tot een hoogeren trap opvoert. Dit echter kan eerst vollediger toegelicht, als we de plaats der Theologie in het geheele organisme der wetenschap concreet bespreken. Voor de vorming van het begrip der Theologie is het genoeg, zoo slechts wordt ingezien, dat de wetenschap der Theologie eerst dan als een eigen plante gaat bloeien, indien ons menschelijk bewustzijn ten slotte zelf de teugels in handen neemt en zelf zijn heilige roeping, gevoelt, om ook het erts dezer „geopenbaarde Gods kennisse” tot blinkend goud op te smelten, teneinde, zoodra het, afgezien van elk nevendoel, met deze taak gereed is, de vrucht van zijn arbeid beschikbaar te stellen voor het hooge doel, waarop vooral zijn arbeid moet gericht zijn.

Toch zou deze wetenschap, omdat ze zich met de theologia, d.i. met de Godskennisse, als haar voorwerp bezighoudt, zelve nog geen aanspraak op den naam van Theologie mogen maken, indien het niet in het plan der Openbaring en in de natuur dezer Godskennisse lag, dat de Logos in dezen hoogeren zin n der middelen zou zijn, om ons subjectief inzicht in deze ectypische Godskennisse te verrijken. Daarom wezen we er bij de bespreking van de Openbaring op, hoe de logische actie ook de roeping heeft, om deze kennisse Gods k in te dragen in het generale subject der herschapen menschheid. Want wel is Christus dit generale subject in centralen zin, en is deswege in hem, gelijk we zagen, de sofa gegeven; maar dit is nog heel iets anders dan de snesiv van het generale subject der menschheid in het algemeen menschelijk bewustzijn. Eerst nadat uit het centrale subject (Christus) deze sofa in de enkele geloovigen en in de kringen der geloovigen van onderscheidene tijden is ingedrongen, vormt zich, uit deze individueele en sociale inzichten in de sofa to Qeo, |250| allengs, als snesiv, een andersoortig inzicht, dat niet kan rusten, eer het adaequaat geworden is aan den inhoud van de sofa, die in het centrale menschelijk bewustzijn, d.i. in den Christus, was. Maar ook, denkt men zich het onbereikbare ideale oogenblik, dat beider inhoud adaequaat ware geworden, toch zou beider aard een geheel andere zijn ; wat sofa in den Christus als centraal subject was, zou snesiv en pistmj in het generale subject der herboren menschheid zijn geworden; en het is alleen de wetenschap der Theologie, die tot deze snesiv in gemelden zin leiden kan. Gelijk nu op elk gebied de wetenschap door het fixeeren van het generale menschelijk bewustzijn hiermee tevens voor de enkele personen en de enkele groepen de mogelijkheid ontsluit, om hun inzicht te verruimen en te verhelderen, zoo is het ook hier. Hoe meer het aan de wetenschap der Theologie gelukt, theologie aan het generale subject der herboren menschheid te geven, en dus dit generale subject, tot kennisse Gods te brengen, des te gebaander weg opent ze hierdoor ook aan de Kerken en aan de geloovigen, om, voor wat het intellect aangaat, tot voller kennisse Gods en alzoo tot betere theologie te geraken. Zelve als wetenschap draagt ze dus tot de subjectieve assimileering van de kennisse Gods op het haar aangewezen terrein bij, en het is hieraan, dat ze het recht ontleent, om voor zichzelve den naam van Theologie te voeren. Ze treedt dan voor ons als een logische actie, die de ectypische kennisse Gods uit de Openbaring, als snesiv, overdraagt in het generale subject der (herboren) menschheid.

Juist die bijvoeging van herboren menschheid eischt intusschen nog een nadere toelichting. God heeft niet enkele personen, maar de wereld lief. Zijn uitverkiezing geeft niet het menschelijk geslacht aan het verderf prijs, om slechts enkele individuen uit dit geslacht te redden, en dezen als atomen tot een aggregaat onder Christus te vereenigen; maar Hij redt de menschheid, Hij zaligt ons geslacht, en zoo niet allen in dit geslacht gered worden, zoo is dit hieruit te verklaren, dat deze verlorenen van den stam der menschheid worden afgehouwen. In de hel is geen organisme, maar een aggregaat. In het rijk der heerlijkheid daarentegen is geen aggregaat, maar het sma to Cristo, en alzoo een |251| organisch geheel. Dit organisch geheel nu is niet een nieuw sma, maar het oorspronkelijk organisme der menschheid, gelijk het onder Adam als centrale eenheid geschapen was. Daarom leert de Schrift ons, dat Christus is de tweede Adam, d.w.z. dat Christus thans in het menschelijk geslacht dezelfde plaats, op zijne wijze, inneemt, die oorspronkelijk werd ingenomen door Adam. Het is derhalve niet iets anders, niet iets nieuws, maar het oorspronkelijke menschelijke geslacht, het is de menschheid, die, verzoend en herboren, den logischen arbeid heeft te verrichten, om deze geopenbaarde theologia ectypa subjectief in haar bewustzijn op te nemen, en uit dat bewustzijn te reflecteeren. Wie wel mensch is, maar nog niet meeleeft en meedenkt in deze herboren menschheid, kan aan dezen arbeid niet medearbeiden. hO yucikv nqrwpov o dcetai t to pnematov to Qeo; mwra gr at stn, ka o dnatai gnnai, ti pneumatikv nakrnetai. Ons bewustzijn hangt samen met ons zijn. Zonder palingenesie is derhalve geen gesteldheid van ons bewustzijn denkbaar, die het bekwamen zou, om de theologia ectypa te assimileeren of te reflecteeren, en het is eerst door den fwtismv, als vrucht der palingenesie, dat ons bewustzijn hiervoor de vatbaarheid ontvangt. Gelijk nu in het generale subject der menschheid de geest des menschen (t pnema) de eigenlijke agens is, zoo is in het generale subject der menschheid, of in het sma to Cristo de pnema in dit sma, d.i. de Heilige Geest, de innerlijke bezieler. En het is op dien grond, dat de wetenschap der Theologie een arbeid is, die onder de leiding van den Heiligen Geest volbracht moet worden door de herboren menschheid, en in haar midden door hen, die, der palingenesie deelachtig en door fwtismv verrijkt, tevens in hun natuurlijken aanleg die bijzondere talenten ontvingen, die voor dezen denkarbeid noodig zijn.

Dat hierdoor de wetenschap der Theologie volstrekt niet gesoleerd komt te staan, noch van den gemeenschappelijken wortel aller wetenschap wordt afgesneden, kan eerst toegelicht, als we het organisme der Theologie bespreken. Thans zij slechts zooveel gezegd, dat de palingenesie op elk terrein den oorspronkelijken mensch als ktsma to Qeo doet herleven, en dus geen oogenblik |252| loslaat, wat in de natuur des menschen gegeven was. De zonde poogt thans wel de uitnemendheden van deze natuur in haar tegendeel om te keeren, maar reeds de gratia communis heeft deze fatale doorwerking der zonde op allerlei manier gestuit; en waar nu de gratia specialis deze stuiting potentieel volkomen maakt, en tevens in potentia de oorspronkelijke zuiverheid herstelt, blijft kat scsin de actie van het Pnema in de sfeer der palingenesie identisch met de actie van den Logos in de menschelijke natuur, en sluit zij zich aan de gratia communis, die alle wetenschap in het leven riep, op elk punt van onderzoeking aan.

Op dezen grond nu is de wetenschap der Theologie niets dan een specialiseering, van wat in de idee der Theologie gegeven is. Ze is niet alle Theologie, noch ook mag alle subjectieve assimileering der ectypische Godskennisse onder haar gerekend worden. Als wetenschap der Theologie neemt ze onder de verschillende assimileeringen dezer Godskennisse een eigene plaats in, die bepaald wordt door hare natuur als organisch lid in het geheel der wetenschappen. En zoo komen we dus tot dit begrip der Theologie, dat ze die wetenschap is, die de geopenbaarde Godskennisse tot voorwerp van onderzoek heeft en ze tot snesiv verheft. Of wil men breeder, dat de wetenschap der Theologie die logische actie is van het generale subject der herboren menschheid, waardoor het, bij het licht des Heiligen Geestes, de geopenbaarde kennisse Gods in zijn bewustzijn opneemt en uit zijn bewustzijn reflecteert. Neemt men daarentegen de wetenschap der Theologie niet in actieven zin, maar als product, dan is de Theologie het wetenschappelijk inzicht van het herboren menschelijk bewustzijn in de geopenbaarde kennisse Gods.

Dit begrip nu wijkt geheel af, van wat men thans in de onderscheidene scholen onder Theologie als wetenschap verstaat; en dit dwingt ons tegenover de door ons gegeven definitie eerst onderscheidene verbasteringen van de Theologie als Godskennisse, en daarna de onderscheidene vervalschingen van het begrip der Theologie als wetenschap na te gaan.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001