24. Het afhankelijk karakter der Theologie.

Ligt de idee der Theologie in de kennisse van God, dan vloeit hieruit rechtstreeks voor alle Theologie voort eeen geheel eigenaardig karakter, waardoor ze van alle overige kennis, of wil men onderzoek der wetenschap, onderscheiden is. Immers, bij alle overige onderzoek stelt het onderzoekend subject zich boven het voorwerp, dat hij onderzoeken zal, treedt bij dit onderzoek actief op, en gaat te werk naar eigen vrij oordeel. En natuurlijk bij het geschapene kan en mag dit, omdat de mensch zelf onder al het geschapene den eersten rang inneemt. Maar dit nu juist wordt geheel anders, zoodra de dorst naar kennis zich richt op Hem, aan wien de mensch met al het geschapene zijn oorsprong, aanzijn en bewustzijn dankt. Dan toch staat hij niet meer boven, maar onder hetgeen hem voorwerp van zijn onderzoek is, en bevindt hij zich tegenover het object van zijn onderzoek in een positie van volkomen afhankelijkheid. Dit nu drukten onze vroegere Theologen uit door te onderscheiden tusschen de Theologia archetypa en de Theologia ectypa; eene onderscheiding, die op de wijze, waarop ze ten slotte verdedigd werd, niet kon standhouden, maar die niettemin een element van waarheid in zich droeg, dat niet mag prijsgegeven. Welke is dan de ware gedachte, die aan deze onderscheiding tusschen Theologia archetypa en ectypa ten grondslag ligt, en die ook thans nog moet gehandhaafd? Deze, dat alle persoonlijk leven voor ons een gesloten mysterie blijft, zoolang niet hijzelf, wiens dit leven is, het voor ons ontsluit. We bepalen ons hierbij opzettelijk tot het persoonlijk leven, om de zoölogische quaestie buiten te sluiten, al geven we natuurlijk toe, dat ook in het wezen van het dier een soortgelijk mysterie ligt; maar een mysterie, dat hier buiten rekening kan worden gelaten, omdat de kennis van den mensch ons, in dit opzicht, reeds het volkomen genoegzame |200| analogon oplevert voor de kennisse Gods. Ook bij den mensch toch geldt van ieders persoonlijk bestaan de regel, dat ge hem in dit zijn persoonlijk bestaan niet kunt kennen, tenzij hijzelf het mysterie van zijn innerlijk wezen voor u ontsluite.

Toch zou, voor wat den mensch aangaat, schijn ons hier licht bedriegen. In den gewonen omgang toch vormen we ons vrij spoedig een oordeel over de personen, met wie we in aanraking komen, en sommigen bezitten zelfs het talent, om reeds bij den eersten oogopslag zich een vrij juist denkbeeld te vormen van den man, dien ze voor zich hebben. Hierbij zij echter opgemerkt: 1. dat wij, als zelf mensch zijnde, in ons eigen bestaan het middel bezitten, om reeds daardoor, tot op zekere hoogte, een ander creatuur, dat ook mensch is, te verstaan. Waren we niet zelf mensch, zoo zouden we er niets van verstaan, wat een mensch is; gelijk het in den Brief aan de Corinthirs heet: Tv gr oden nqrpwn t to nqrpou e m t pnema to nqrpou t n at? In de 2e plaats wordt deze kennisse, die we aan onze onderlinge verwantschap danken, daardoor versterkt, dat we inden regel omgaan met landgenooten, geestverwanten en dezulken, met wie zekere lotgemeenschap ons vereenigt. Dit nu maakt, dat niet alleen het mensch-zijn, maar ook de modaliteit van bestaan voor een goed deel hun met ons gemeen is, zoodat we uit onszelven tot hen concludeeren kunnen. Hoe machtig deze factor is, merken we terstond, als we over de grenzen gaan, en bovenal, zoo we bij andere rassen en onder een geheel andere hemelstreek komen. Van het wezenlijk innerlijk bestaan van een Roodhuid begrijpt een Rus of Fin nog, o, zoo weinig, en wat begrijpt zelfs een Franschman van het innerlijk bestaan van een Lap of Fin? Ten 3e lette men er op, dat, hoezeer er ook in ieders persoon iets persoonlijks zij, toch ook de karakters zich in zekere soorten indeelen, herkenbaar aan zekere combinatie van verschijnselen, en dat dus, wie dit soort kent, reeds veel omtrent iemand weet, zoodra hij merkt, dat ook hij tot deze of die soort te rekenen is. Ten 4e is de mensch geen pnema, maar een pneumatisch wezen, dat tegelijk psychisch en somatisch bestaat, zoodat veel van het innerlijk wezen zich somatisch manifesteert, ook zonder dat de persoon |201| dit bedoelt; vaak zelfs tegen zijn wil en opzet. De opslag van het oog, trek en kleur van gelaat, houding en gebaar, rust of onrust in heel het voorkomen en zooveel meer, verraadt reeds zooveel, van wat in den mensch omgaat. Waarbij dan ten 5e nog komt, dat een mensch òf vroeger aan ons, òf bij andere gelegenheid aan anderen, allicht iets van zichzelven in zijn spreken of schrijven heeft uitgegeven, waaruit èn rechtstreeks èn door gevolgtrekking soms zeer belangrijke gegevens omtrent zijn persoonsmysterie zijn op te maken. Het is zoo, er zijn „gesloten karakters” en ook „zichzelf vervalschende karakters”, waar ge nooit achter komt, maar in den regel kunt ge omtrent een mensch reeds tamelijk veel te weten komen, ook zonder dat hijzelf nog opzettelijk zijn persoonsmysterie voor u ontsluit.

Komt ge nu daarentegen van de kennisse der menschen op de kennisse Gods, dan voelt ge aanstonds, hoe bijna niets van deze vijf hulpmiddelen u te stade komt. Van het Wezen Gods vindt ge niet, evenals bij den mensch, in uw eigen wezen een analogon, omdat Hij God is en gij mensch zijt. De nadere kennis, die verwantschap in modaliteit van bestaan u omtrent uw medemensch aanbrengt, valt hier geheel weg, daar de afstand tusschen u en het Eeuwige Wezen al breeder wordt, hoe meer uw bestaan zich specificeert. De soortindeeling helpt u hier evenmin, overmits er maar één God is, bij wien dus nooit van de species tot het individu kan geconcludeerd worden. Onopzettelijke somatische onthulling is bij God evenmin bestaanbaar, wijl asomatisch en niets dan pnema te wezen, Hem als God kenmerkt. En wat eindelijk de zijdelingsche uitlatingen betreft, ook deze komen bij het Eeuwige Wezen natuurlijk niet in aanmerking, naardien iets zijdelings en onbewust te doen, in God niet kan vallen.

De moeilijkheid, waarop de biograaf stuit, als hij het wezen en de ontwikkeling teekenen wil van een karakter uit een andere eeuw, een ander land, een andere omgeving, en waarvan bijna geen intiemer uitingen door schriftelijke nalatenschap overbleven, bestaat dus ook, en dat wel in absolute mate, voor den Theoloog. Hem toch is het te doen, om de kennisse van een Wezen, dat principieel èn van hemzelven èn van alle andere creaturen |202| onderscheiden is; een Wezen, waarover hij niet de allergeringste macht bezit, om het door onderzoek te dwingen, dat het hem kennisse afgeve; dat als zoodanig geheel buiten zijn bereik valt; en waar hij, naar het ware bestanddeel van Spencers agnosticisme, metterdaad absoluut agnostisch tegenoverstaat.

Men zegge toch niet, dat er van God allerlei dingen openbaar en kenbaar zijn, deels in Zijn schepping buiten ons, deels in het regiment der historie, en deels in de bevinding van ons eigen innerlijk leven; dit alles toch leidt dan eerst, en dan alleen tot zekere kennisse Gods, indien die God eerst begon met zich aan mijzelven te openbaren als een God, die bestaat, en bestaat als God. Zelfs al laten we de verduistering door de zonde vooralsnog, geheel buiten rekening, zoo zou toch al wat men de „natuurlijke openbaring” noemt, ons niet de minste kennisse Gods aanbrengen, indien ze niet door God zelf gewilde en als zoodanig bedoelde openbaring, d.i. gedeeltelijke ontsluiting van zijn Goddlijk mysterie was. Ondersteld eens, dat er op de vaste sterren wezens leefden van geheel ander type dan de wezens, die wij kennen, zoo zou een enkele mededeeling, over wat ze deden, ons voor de kennis van hun wezen nooit verder brengen, zoolang de idee, om nu niet te zeggen elk begrip, van hun wezenssoort ons ontbrak. En dit nu gaat uiteraard nog veel sterker door bij de kennisse Gods, en volstrekt niets zou de aanschouwing der zienlijke dingen ons baten, zoo niet langs geheel anderen weg het besef, dat er een God is, en wat een God is, ons ware aangebracht.

In dien zin nu spreken we van een afhankelijk karakter der Theologie. Als een volstrekt onbekende vreemdeling, gelijk dit in Londen niet zelden voorkomt, in handen der politie valt, en hij weigert standvastig een enkele syllabe te uiten, dan staat de politie voor een raadsel, dat ze niet kan oplossen. Ze is voor kennisse van dien vreemde, van zijn eigen wil of onwil om zich te openbaren, afhankelijk. En ditzelfde geldt nu in absoluten zin van den Theoloog tegenover zijn God. Hij kan God niet onderzoeken. Er valt hier niets te ontleden. Er zijn hier geen verschijnselen, waaruit te concludeeren valt. Alleen zoo die wondere |203| God spreken wil, kan hij luisteren. En alzoo blijft hij voor alle kennisse Gods volstrekt van Gods wil, om hem die kennisse al dan niet te geven, afhankelijk. Zelfs contrôle is hier volstrekt uitgesloten. Als een mensch mij iets omtrent zichzelven openbaart, kan ik dit contrôleeren, en er desnoods critiek op uitoefenen. Maar als de Theoloog tegenover God staat, en die God hem eenig uitsluitsel geeft omtrent zijn bestaan als God, is elk denkbeeld, om deze zelfmededeeling Gods aan iets anders te toetsen, ongerijmd; kan er alzoo, bij ontstentenis van zulk een toetssteen, geen sprake zijn van contrôleeren; en is er uit dien hoofde voor critiek geen plaats. Dit afhankelijk karakter is dus voor de Theologie niet iets bijkomstigs, maar essentieel. Zoodra dit karakter teloor gaat, is er geen Theologie meer, ook al siert een geheel andersoortig onderzoek zich nog met den theologischen naam. De Theoloog moet in geheel zijn Theologie tegenover God als zijn God staan, en zoodra hij maar één oogenblik van den levenden God afziet, om zich bezig te houden met een denkbeeld over God, waarover hij als rechter gaat zitten, verloopt hij in phraseologie, maar is het voorwerp zijner kennisse voor hem schuil gegaan. Gelijk ge in het gebed, als bidder, niet anders dan afhankelijk van uw God voor uw God kunt neerknielen, zoo ook kunt ge als Theoloog geen kennisse van God ontvangen, zoo ge weigert, in volstrekte afhankelijkheid van uw God, van Hem uw kennisse te ontvangen.

Dit diepe, besef nu heeft er onze echte Theologen in hun bloeitijd toe geleid, om al onze kennisse van God als Theologia ectypa, in volstrekte afhankelijkheid te stellen van de zelfkennisse Gods, die ze dan Theologia archetypa noemden. Gelijk toch het ectype volstrekt afhankelijk is van het archetype, er door beheerscht en er door gevormd wordt, zoo, wilden ze zeggen, wordt ook al onze kennisse Gods in volstrekten zin beheerscht door de kennisse, die God van zichzelven heeft. Ze drukten hierdoor uit, dat wij nooit zelven in het heilige des Heeren kunnen indringen, om het te bespieden en alzoo kennisse op te doen, maar dat het ons voegt, aan deze zijde van het voorhangsel te blijven staan, en af te wachten, wat God zelf van |204| dit Heilige uit en van achter dit voorhangsel ons zal mededeelen. Dit geopenbaarde, dit medegedeelde, dit te onzer kennisse gebrachte, mogen we dan indenken, ontleden, systematiseeren, en overgieten in den vorm van ons bewustzijn, maar bij al deze operatiën blijft elk actief onderzoek, naar hetgeen Godes is, uitgesloten, blijft alle kennisse ontvangen kennis, en is het niet God zelf, maar de kennisse, die Hij ons omtrent zichzelven geopenbaard heeft, die aan het theologisch onderzoek haar stoffe biedt. Alzoo Theologia ectypa.

De tegen deze indeeling en benaming gerezen bedenking houdt geen steek. Men heeft namelijk gezegd: Op die wijs kunt ge ook wel van een ectypische zoölogie, botanie enz. spreken. Immers, ook deze deelen van zijn schepping zijn Gode bekend, eer ze u bekend zijn; en al uw kennis van de dierenwereld, de plantenwereld enz. is òf in overeenstemming met de kennisse, die God er van heeft, en dan waar, òf er mee in strijd, en dan bedriegelijk. Uw onderscheiding tusschen archetypische en ectypische kennis gaat dus op elk terrein door, en mag dus niet als iets karakteristieks voor de Theologie opgeëischt. Toch is deze bedenking ten eenemale onjuist. Ik kan namelijk van een gevel een schets laten maken, die van achteren blijkt geheel overeen te komen met de oorspronkelijke schets van den bouwmeester; doch is nu daarom deze laatste schets van de eerste oorspronkelijke genomen? Neen, ectypisch zou deze schets dan eerst geweest zijn, als ze niet uit den gevel zelf was opgemaakt, maar naar de oorspronkelijke schets was nageteekend. Dan ware ze ectypisch, nu niet. En daarom is het niet waar, dat onze botanische en zoölogische kennis ectypisch kan heeten. Dat zou ze zijn, zoo we deze kennis niet uit de dieren- en plantenwereld zelve opmaakten, maar buiten deze realiteiten om, uit het decretum creationis, in zooverre het op dieren en planten betrekking heeft, gekopiëerd hadden. De vraag, of onze kennis van de engelenwereld, van onze eigen ziel, van de overzijde van het graf, van de toekomst en zooveel meer niet ectypisch is, laten we voorshands rusten; deze vraag komt eerst in de over den ambitus Theologiae aan de orde. Voorshands is het ons |205| genoeg, zoo maar blijkt, wat het principieele onderscheid is tusschen een kennis, die resultaat is van het actieve onderzoek, dat wij naar eenig voorwerp instellen, en die geheel andere kennis, die wij eerst lijdelijk moeten ontvangen, om daarna eerst op die ontvangen kennis een actief onderzoek te richten. En het is uit dien hoofde, dat wij met de oude Theologen het ectypisch karakter van de kennisse Gods handhaven, overmits geen mensch in staat is, God zelven te onderzoeken, en derhalve alle kennisse, die wij van God zullen hebben, niet anders kan zijn dan gekopiëerd naar de kennisse, die God van zichzelven heeft, en die Hij ons wil mededeelen.

Behalve het strikt afhankelijk karakter der Theologie ligt dus in dit ectypische tweeërlei, waarop nadruk dient gelegd. Vooreerst dit, dat er geen onwillekeurige openbaring bestaat, en dat alzoo elk denkbeeld geweerd blijft, alsof God zelf in meerdere of mindere mate de volkomen bewustheid van zich zelven zou missen, of ook in zijn werken door ons zou kunnen bespied worden, zonder dat Hij dit zelf wilde of merkte. Doordien toch deze Theologia ectypa slechts tot stand komt, doordat de Theologia archetypa zich in haar afdrukt, is er niets in de ectypa, dat niet eerst in de archetypa was. Al wat zich derhalve met de ectypa van elders vermengt, en haar niet uit de archetypa toekomt, is contrabande en moet geweerd. Een kind kan zijn vader nog bespieden, zonder dat deze het bespeurt, of bespied wilde zijn; en ook een kind, dat geniaal is, kan soms zijn vader beter doorzien, dan deze zichzelven kent; maar niets van dit alles kan hiervan bij God voorkomen, omdat dit alles uit de onvolkomenheid van den vader of uit de superioriteit van zijn kind voorspruit, en reeds de idee van God elke mogelijkheid zoo van het onvolkomene in God, als van het superieure in zijn schepsel uitsluit. Alle voorstellingen van dien aard, die al meer in de Theologie inslopen, zijn daarom als ongodvruchtig uit te bannen, wijl ze principieel uitgaan van verheffing van den mensch boven God. Het tweede punt, waarop bij het ectypische karakter van onze Godskennis nadruk moet gelegd, is de waarheid van onze kennisse Gods. Ontstaat het ectypische door afdruk van het |206| archetypische, dan is het ectypische beeld niet een phantasie, geen poëzie, maar een beeld in waarheid. Juist dus, wat we bij de tegenstelling tusschen de theologia stadii en visionis vonden, dat wel de gnsiv, die wij hier op aarde van God hebben, eens ondergaat, om op te gaan in den hoogeren vorm van het ginskein prswpon prs prswpon; maar altoos zóó, dat de waarheid van onze gnsiv k mrouv juist uit de straks volmaaktere kennis te duidelijker zal blijken. Hieraan nu ontleent de cognitio Dei, die ons gegeven is, haar absoluut karakter, niet wat haar graad van volkomenheid, maar wat haar samenhang met het object, d.i. met God, betreft. God, die is, bezit kennisse van zichzelven, en het is door God zelven, dat uit deze eigen kennis de ons geschonken kennis genomen is. Dit nu sluit niet enkel den twijfel uit, maar ook de verwatering van het subjectivisme, alsof onze uitdrukking van de kennisse Gods in onze belijdenis onverschillig ware, en, zonder verlies van waarheid, voor allerlei andere belijdenis kon worden uitgeruild, of er in waardij mee kon gelijkgesteld.

Intusschen dient gewaakt, dat men zich deze archetypische kennisse Gods niet anthropomorphisch voorstelle. Wij als menschen beginnen met onszelven niet te kennen; komen allengs tot zekere bewustheid van onzen eigen persoon; en vormen ons op die wijs zekere voorstelling van ons persoonlijk bestaan en van ons innerlijk wezen. Bij zeer vertrouwden omgang kunnen we deze voorstelling, die we ons van onszelven vormden, dan aan anderen mededeelen. En op deze wijze zou er ook ten onzen opzichte sprake kunnen zijn van een zekere archetypische en ectypische kennis van onzen persoon. Droeg men dit echter op die wijze op God over, zoo zou men in zeer bedenkelijke dwaling verloopen. Van een allengs toenemende zelfkennisse is in God geen sprake en dus ook niet van een zijn, dat aan zijn bewustzijn voorafging. Het bewustzijn dekt in God volkomen het zijn, en op beide past in intensieven zin het praedicaat van het anion. Er kan dus bij God geen sprake wezen van een zelfkennisse, die op menschelijke wijze door opmerking, ontleding, gevolgtrekking enz. zou gevormd zijn. Ook de zelfkennisse is in God sui generis, en dus Goddelijk. En is reeds hierdoor de toelating van elk |207| anthropomorphisme in de cognitio archetypa veroordeeld, evenmin mag zulk een wijze van voorstelling toegelaten bij de wijze van mededeeling dezer kennisse aan den mensch. Als wij iets omtrent onszelven aan een ander mededeelen, is het een mensch, die iets mededeelt aan een mensch, en daarbij rekent op de aanwezige analogieën en gelijksoortige voorstellingen, die het verstaan van onze mededeelingen mogelijk maken. Bij God valt dit alles, zoo Hij tot den mensch nadert, weg. Het is dan niet God, die aan een God de kennisse van zichzelf openbaart, maar God, die zijn zelfkennisse mededeelt aan een mensch. Bovendien, waar wij onder elkander voor onze mededeelingen omtrent onszelven aan mededeeling door den vorm der gedachte gebonden zijn, en het kenvermogen nemen moeten, gelijk dit is, bestaat deze beperktheid niet bij God, die zelf het creatuur, waaraan Hij die zelfkennisse besloot mede te deelen, schiep, en alzoo dit kenvermogen op zijn openbaring kon inrichten. En eindelijk mag ook niet uit het oog verloren, dat wij menschen onderling wel tot aan elkanders hart kunnen komen, maar nooit in elkanders wezen kunnen indringen, terwijl aan God ook de toegang tot het binnenste en verborgenste van ons wezen openstaat.

Niet ten onrechte was men daarom oudtijds gewoon, er bij te voegen, dat de theologia ectypa de zelfkennisse Gods slechts pro mensura humana aan ons openbaarde; en zag men zich in de 18e eeuw genoopt (zie De Moor, Comm. in à Marck. tom. I. p. 29), om ook de theologia archetypa nader te beperken tot die zelfkennisse Gods, quam creaturae manifestare decrevit. Op zichzelf was dit juist gezien; zal men toch het beeld van het type bijhouden, dan moet het ectypische in omvang en vorm aan het archetypische gelijk zijn. En toch heeft men door deze nadere bepaling de zaak zelve niet verhelderd, maar mechanisch en intellectualistisch verduisterd. Er zijn in de zelfkennisse Gods niet tien deelen, waarvan Hij besloot er zes aan ons te openbaren; maar het geheele beeld werd, zij het ook nog slechts n angmati, ons in de Openbaring toegekaatst. En evenmin gaat het aan, de Openbaring van Gods zelfkennisse aldus buiten het verband met de Schepping en met de Incarnatio, als bloot verstandelijke |208| mededeeling, op te vatten; wijl men hierdoor in de Openbaring zelve de hartader der religie zou afsnijden.

Liever dan op dezen intellectualistischen weg mee af te dolen, nemen we daarom de namen van archetypische en ectypische Theologie in dien volleren zin, waarin ze oorspronkelijk bedoeld werden, d.i. als in rechtstreeks verband staande met de schepping van den mensch naar Gods beeld. Gelijk ’s menschen wezen ectypisch tegenover God als archetype staat, zoo ook, en als gevolg hiervan, kan de kennisse, die de mensch van God erlangt, nooit anders dan een ectypisch karakter dragen. Dit nu is het, wat we bedoelden, toen we de Theologie een afhankelijke kennisse noemden, dat is zulk een kennisse, die niet het resultaat is van activiteit onzerzijds, maar vrucht van een actie, die van God naar ons uitgaat; en die actie is in wijderen zin Gods zelfopenbaring aan zijn creatuur.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001