23. De idee der Theologie.

Wie op de vijfde verdieping van een reusachtig gebouw moet wezen, en een lift vindt, die hem zonder inspanning in een oogwenk brengt, waar hij wezen wil, klimt niet de honderd en meer trappen op. Toegepast op onze kennis wil dit zeggen, dat het gewone langzame onderzoek met zijn inductiën en deductiën slechts de trap met honderd treden is, waarlangs we naar de hoogte der kennis opklimmen, maar dat het doel altoos het bereiken van die kennis blijft. Iets, waaruit volgt, dat, zoo diezelfde hoogte van kennis langs korteren of minder inspannenden weg te bereiken is, de vroegere trap waardeloos wordt. Horizontaal zoowel als verticaal gaat dit door. Immers, nu er spoorwegen naar alle hoeken van Europa loopen, reist niemand meer per diligence. Al heeft toch ook dat langzame voortschrijden, of liever voortkruipen op den weg der kennis een eigenaardig genot, toch is het iets ziekelijks, zoo we voor dit lagere genot de veel hoogere genieting van het kennen der waarheid prijsgeven. Lessings uitspraak bracht ten deze op het dwaalspoor, en deswege |193| moest het eenig ware standpunt hier kortelijk aangeduid. Welke verrassingen ons op het gebied der locomotie door electriciteit of door andere beweegkracht nog wachten, valt vooruit niet te zeggen; maar dit staat vast, dat elke snellere communicatie de minder snelle antiqueert. Dit nu noopt ons ook bij de Theologie onderscheid te maken tusschen het begrip en de idee der Theologie. Het begrip toch is gebonden aan de via cognitionis, die we bewandelen; de idee daarentegen stelt het einddoel, afgescheiden van de vraag naar den weg, die ons dat doel zal doen bereiken. Op deze onderscheiding nu zag ook de vroeger algemeen gangbare indeeling van de Theologie in een theologia unionis, visionis en stadii. Hierdoor toch verkreeg men drie begrippen, die in de idee der Theologie hun eenheid vonden. De theologia unionis was dan die hoogste kennisse Gods, die Christus bezat naar zijn menschelijke natuur, krachtens de unio van deze natuur met de Goddelijke natuur. De theologia visionis, ook wel patriae genoemd, was de benaming voor de kennisse Gods, die eenmaal de uitverkorenen in den staat der hemelsche gelukzaligheid zouden verwerven. En de theologia stadii, ook wel studii of viatorum genoemd, doelde op de kennisse Gods, die hier op aarde voor de gekenden des Heeren te gewinnen is. Het gemeenschappelijke, dat deze drie begrippen vereenigde, was derhalve de algemeene idee van de kennisse Gods. Het doel van de Theologie lag niet in het theologisch onderzoek, noch in allerlei studie en geleerdheid, maar uitsluitend in God te kennen. Alle studie en geleerdheid deed slechts dienst als steiger voor het optrekken van het gebouw onzer kennis; maar zoodra die bouw voltooid was, verloor die steiger alle beteekenis, werd zelfs hinderlijk, en moest weggeruimd. En hierin nu zag men oudtijds ongetwijfeld juister dan de meeste Theologen na Schleiermacher. De idee der Theologie kan niet anders zijn dan de kennisse Gods, en alle actie waartoe de Theologie aandrijft, moet ter laatster instantie op het kennen van God gericht zijn. Dit wordt niet in overdrachtelijken maar in zeer eigenlijken zin gezegd, en moet ook dan als idee der Theologie gehandhaafd, zoo ge toekomt aan de Theologische wetenschap, gelijk die door de Theologische faculteit wordt |194| beoefend en onderwezen. Door de idee anders te kiezen, en uw ideaal lager te stellen, verlaagt de Theologische wetenschap zich zelve. Naar haar idee gaat de Theologie niet eerst bewijzen, dat er een God is, maar ze ontstaat uit den overweldigenden indruk, dien God zelf, als de eenig absoluut bestaande, op het menschelijk bewustzijn uitoefent, en vindt haar motief in de bewondering, die vanzelf den dorst om God te kennen krachtig wekt. Almoge dus de Theologie naar bewijzen voor Gods bestaan zoeken, om den half blinde het oog te openen, zelve kan ze niet van den twijfel uitgaan, en evenmin zich richten op het onderzoek van religieuze verschijnselen, of op het speculatief uitspinnen van de idee van het absolute. Dit alles moge ze, waar het pas geeft en als dialectisch hulpmiddel, óók doen, maar het is haar bijzaak; hoogstens een noodbrug, waarvan ze zich bedient, om zelve naar den overkant te komen, of anderen naar den overkant te brengen, maar haar doel blijft, den bergstroom doorwadend, den berg zelven naderbij te komen, en zóólang in het zweet haars aanschijns het bergpad op te stijgen, tot eindelijk het hoogste punt, de top zelve, waar het panorama, de kennisse Gods, zich ontsluiert, bereikt wordt. Eerst zoo opgevat herwint de Theologie haar karakter van noodzakelijkheid, waar ze anders in accidenteel dilettantisme verloopt. Eerst zoo herwint ze haar waardij en herkrijgt ze, afgezien van elk utiliteitsbegrip of eudaemonistisch doel, een absolute beteekenis in zich zelve. Alzoo schrijdt ze naar heur idee zelfs over de grens van ons tegenwoordig bestaan om zich tot in het eeuwige en het oneindige uit te strekken.

Dit juistere inzicht nu in het eigenlijke wezen der Theologie en deze noodzakelijke onderscheiding tusschen de idee en de verschillende begrippen van de ééne Theologie dankten de oudere Theologen aan de Heilige Schrift. Duidelijk toch werd in die Schrift „het kennen van God” als de forma van het „eeuwige leven” gesteld, en voor dat kennen van God op onderscheidene gradatiën gewezen. Er bestond al aanstonds onderscheid tusschen de kennisse Gods, die zich ontsloot voor den mensch, eer hij zondaar werd, en die gewijzigde kennisse Gods, die voor den zondaar mogelijk werd gesteld. Een ander was de kennisse Gods |195| voor hem, die zelf sprak: „Niemand kent den Vader dan de Zoon en wien het de Zoon wil openbaren”; en een andere voor hen, die niet dan door dien Zoon tot de kennisse Gods konden geraken. En eindelijk werd in de Schrift eveneens een zeer beteekenend onderscheid gesteld tusschen de kennisse Gods van den pefwtismnov en den nog n t skot peripatn; en evenzoo tusschen de kennisse Gods die aan de pefwtismnoi reeds hier ten deel viel, en die eens hun deel zou zijn in het rijk der heerlijkheid. Reeds in de Schrift vond men dus een rijke verscheidenheid van vorm, en toch was aan alle deze vormen dezelfde idee gemeen, en die idee was en bleef: God te kennen, en wel God te kennen, terwijl men mensch was. Want wel wordt er in de Schrift ook een kennisse van God in de wereld der engelen gesteld, die zelfs in de gevallen engelen niet geheel verdwijnt, zoodat dan ook „de duivelen nog gelooven, dat er een God is”; maar overmits deze kennisse Gods een ander subject onderstelt, behoeft met deze hier niet gerekend te worden. Hier wordt uitsluitend gehandeld van de theologia humana, en duidelijkheidshalve laten we hierbij voorshands de overige onderscheidingen rusten, om alleen die tusschen de theologia stadii en patriae in het oog te vatten.

Locus classicus hiervoor is uiteraard 1 Cor. XIII : 8-13, waar de heilige Apostel stellig uitspreekt, dat de gnosis, die we nu hebben, katargjqsetai, overmits het nu nog slechts een ginskein k mrouv is. Dat tegenover dit k mrouv ook in zake onze kennisse Gods een tleion staat; dat, als dit tleion ingaat, een blpein prswpon prv prswpon in de plaats zal treden; en dat dit blpein zal zijn een piginskein kaqv pegnsqjmen. Ook elders, in Matth. V : 8, in Hebr. XII: 14, in Psalm XVII : 15 enz., wordt van zulk een kennisse Gods gesproken, die bestaan zal in een zien van God; maar kortheidshalve bepalen we ons tot de uitspraak in 1 Cor. XIII. Tweeërlei nu biedt ons deze uitspraak. Vooreerst toch trekt ze een scherpe grenslijn tusschen de gnsiv to Qeo, die op aarde bereikbaar is, en die andere gnsiv to Qeo, die aan de overzijde van het graf in uitzicht wordt gesteld. Maar ook wijst ze ten tweede op het verband, dat desniettemin tusschen beide deze vormen van de gnsiv |196| bestaan blijft. Het is niet, dat de gnsiv ondergaat, om voor de qewra plaats te maken. Niet hier een kennen en daar een zien van God. Neen, het is hier en blijft daar een kennen; slechts hierin onderscheiden, dat het hier k mrouv is, en daar het tleion zal zijn. Het blpein daarentegen is, zoowel daar als hier, het middel, om tot die gnsiv te geraken. Hier een blpein diH sptrou n angmati, daar een blpein prswpon prv prswpon. Zelfs gaat de heilige Apostel nog dieper op het verband tusschen de theologia viatorum et patriae in, door ons te wijzen op de analogie van het kind, dat man wordt. En het kind èn de man hebben beiden zekere gnsiv, maar de gnsiv van het kind gaat in die van den man onder. Door man te worden brengt hij zelf de katrgjsiv van wat des kinds was, tot stand. Hierdoor wordt dus zoo sterk mogelijk de eenheid tusschen de beide vormen van onze cognitio Dei vastgehouden, en uitgesproken, dat beide begrippen van gnsiv hun hoogere eenheid vinden in de idee der Theologie, die is en blijft: het kennen van God. Dat toch Paulus hier zeer bepaaldelijk van de kennisse Gods, en niet in het algemeen van „de kennis van Goddelijke zaken” spreekt, blijkt duidelijk uit het kaqv pegnsqjn in vs. 12. „Kennen, gelijk ik gekend ben”, kan toch niet anders beteekenen dan Hem-kennen, door wien ik ben gekend.

Ook de tegenwerping, dat dit toekomstig zien van God bloot mystisch of contemplatief zou zijn, alzoo niets met ons logisch bewustzijn zou uitstaande hebben, en derhalve buiten de Theologia zou vallen, wordt door 1 Cor. XIII weersproken. Het logische is niet een tijdelijke, in den grond fictieve, en daarom straks voorbijgaande vorm van ons menschelijk bewustzijn. Veeleer is God zelf logisch, want ook in Hem wordt gnsiv gesteld, en tusschen de gnsiv, die hier ons deel is, en eens in de eeuwigheid ons ten deel zal vallen, bestaat geen principieel, maar alleen een gradueel verschil. Nu het k mrouv, dan het tleion. En evenzoo bestaat het verschil tusschen de beide modi cognoscendi alleen in het rechtstreeksche of mediate. Dàn zal ons kennen zich rechtstreeks op God zelf kunnen richten, thans kunnen we het beeld Gods alleen waarnemen in een spiegel, waarin het is |197| afgekaatst. Door het katargjqsetai wordt alzoo de continuïteit van onze cognitio Dei niet verbroken. Ook als het k mrouv zal zijn voorbijgegaan, zal de identiteit van ons bewustzijn standhouden. Datzelfde ik, dat nu het beeld Gods slechts in een spiegel kan bespieden, zal straks weten, dat het alsdan dienzelfden God kent, wiens beeld we eerst n angmati zagen, en zal alsdan in de trekken van het Goddelijk gelaat dezelfde trekken terugvinden, die het vroeger op gebrekkige en afgeleide wijze in den spiegel waarnam. Slechts zooveel blijkt hieruit, dat het dusgenaamde wetenschappelijk onderzoek dan wegvalt; dat dit alzoo geen absoluut karakter draagt; en zijn tijdelijke noodzakelijkheid slechts ontleent aan den toestand, waarin de zonde ons bracht, en zijn mogelijkheid, logisch aan de gratia communis, en theologice aan de gratia specialis van den fwtismv. En is dit zoo, dan volgt hier immers vanzelf uit, dat het wetenschappelijk onderzoek nooit de Theologie zelve kan zijn, en niets dan een accidenteele actie is, waartoe de drang naar Theologie, of wil men de drang naar kennisse Gods, in onzen huidigen toestand, en binnen bepaalde grenzen aandrijft. Het hoogere denkbeeld van de kennisse Gods bepaalt dientengevolge de Theologische wetenschap en niet omgekeerd de Theologische wetenschap het denkbeeld der Theologie. Er kan, er zal eens rijke Theologie bestaan, zonder het hulpmiddel der Theologische wetenschap; terwijl omgekeerd de Theologische wetenschap alle ratio sufficiens verliest, en niet dan een nominaal bestaan kan leiden, waar ze zich van de Godskennisse afsluit.

Tot op zekere hoogte levert de naamgeving der dieren door den oorspronkelijken mensch in het paradijs hier een analogon op. Ook op zoölogisch gebied is het eigenlijke, waarom het te doen is, niet de wetenschappelijke studie, maar de kennis van het dier. Nu is in onzen tegenwoordigen toestand deze kennis voor ons niet te verwerven dan door empirisch onderzoek en door het trekken van conclusiën uit de gegevens, die dit empirisch onderzoek ons verschaft. Maar èn dit empirisch onderzoek èn dit concludeeren zou uiteraard doelloos zijn, en dus worden nagelaten, indien we rechtstreeks het dier kenden en verstonden. |198| En iets hiervan nu wordt ons uit het paradijs gemeld. Hier was werkelijk een kennis van het dier door het blpein prswpon prv prswpon. De dieren waren voor Adam geen anigma gelijk voor ons; maar lagen voor hem open; en dáárom kon hij hun een naam geven naar hun aard. Had nu dit vermogen in ons standgehouden, dan zou natuurlijk de zoölogie een geheel anderen vorm hebben aangenomen, en toch niet in minderen, maar in veel hoogeren zin zoölogie geweest zijn. Immers, de kennis, die van de dieren in den paradijs-mensch blijkt, was niet analoog met de vage asqjsiv, die wij nu nog rechtstreeks van de wereld der tonen of van de zedelijke phaenomena hebben, maar wel terdege logisch, gelijk blijkt uit het feit, dat ze tot naamgeving leidde. En in dien zin nu is hier een analogon voor de Theologie in haar twee onderscheidene phasen aanwezig. Gelijk thans op zoölogisch gebied wetenschappelijke studie onmisbaar is, om tot de logische kennis van het dier te geraken, zoo is ook de Theologische studie onmisbaar in deze tegenwooraige bedeeling, om te geraken tot de logische kennisse van God. Maar gelijk in het paradijs kennisse van het dier zonder deze studie ter beschikking van den mensch stond, zoo zal de mensch ook in de bedeeling der heerlijkheid, die komt, zonder theologische studie, tot een veel volkomener en toch logische kennisse van God komen. Iets, wat natuurlijk evenzeer van toepassing is op de theologia paradisi en de theologia unionis; maar hiervan zwegen we met opzet, omdat we duidelijkheidshalve alleen de tegenstelling tusschen de theologia viatoris en de theologia patriae of visionis op den voorgrond schoven.

Ons doel is dan ook bereikt, zoo duidelijk werd, dat de theologische idee ligt in den drang van ons menschelijk bewustzijn, om God te leeren kennen, geheel afgescheiden van den weg, die ons tot deze kennis leiden moet. Zoo is de idee der Theologie onvergankelijk, en leidt ons, al naar gelang van de eischen, die onze toestand ons stelt, langs verschillende wegen naar ons ideaal. De weg, die hiervoor thans moet bewandeld worden, is die van de theologische studie, en in zooverre kan thans met het volste recht aan de wetenschap zelve, die uit deze studie geboren |199| wordt, de naam van Theologie worden gegeven, mits dit maar niet in exclusieven zin geschiede, en deze wetenschap metterdaad geen ander motief toelate, dan God te kennen of te leeren kennen. Elk begrip toch van de Theologie gaat feil, dat niet aan de idee der Theologie gesubordineerd is.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001