22. De theologische modaliteit van het begrip der Theologie.

Reeds Thomas Aquino protesteerde (Summa Theol. I. qu. 1. art. 7) |187| art. 7) tegen het misbruik, om het wezen der Theologie niet in de kennisse Gods, maar in een geheel ander voorwerp van onderzoek te stellen; en alzoo tegen hen, die niet God, maar „aliter assignaverunt hujus scientiae subjectum, sc., vel res, et signa, vel opera reparationis, vel totum Christum, id est, caput et membra,” want, zegt hij, „de omnibus istis tractatur in ista scientia, sed secundum ordinem ad Deum1). Voor zooverre nu dit protest gaat tegen de soteriologische of Christologische opvatting van de Theologische wetenschap, doet het tevens dienst tegen bijna alle definities, die in den loop der vorige eeuw van het begrip Theologie gegeven zijn. Wat hij daaromtrent zegt van de Theologie als studie van de Signa et res, doelt ten deele op Petrus Lombardus’ Sententiae, maar ten principale op Augustinus, die in zijn Libri IV De doctrina Christiana de indeeling in Signa et res gevolgd was; een indeeling, die Thomas wel niet verwerpt, maar die volgens hem het „subjectum theologiae”, wat wij zouden zeggen: het object der Theologie, niet bepaalt.

Het gewichtig belang, door Thomas in dit protest verdedigd, een protest, waaraan alle vroegere Gereformeerde Theologen hun bijval schonken, ligt hierin, dat het begrip der Theologie niet abstract logisch, maar tegelijk theologisch behoort geconstrueerd te worden. Dit nu poogde reeds Augustinus te doen, al gebruikte hij hoogst zelden, om het door ons bedoelde begrip uit te drukken, het woord Theologie. Voor wat later ook in de Westersche Kerk Theologie heette, gebruikte hij de uitdrukking: |188| Doctrina de Deo, of ook Doctrina Christiana; en, hoe vreemd het klinke, verstaat Augustinus nog onder het woord Theologie meer de paganistische dan de Christelijke voorstellingen omtrent het Goddelijke. Dit komt sterk uit in zijn De Civitate Dei, waarin hij Lib. VI. c. 5. v.v. het stelsel van Varro ter sprake brengt, alsof er „tria genera theologiae” waren, de theologia fabulosa, die in de traditie en op het theater leefde, de theologia naturalis, die in de werken der philosofen was te vinden, en de theologia civilis, die door den officieelen eeredienst in stand werd gehouden. En nu is het opmerkelijk, dat Augustinus, deze drievoudige omschrijving van de Theologie gedurig overnemende, er nergens de theologia Christiana, of vera, tegenover stelt, maar altoos van de doctrina Christiana spreekt. Slechts éénmaal, in caput 8, neemt hij theologia in algemeenen zin, doch niet om er hetzelfde als de doctrina Christiana mee uit te drukken, maar datgene, waarnaar de doctrina Christiana zoekt. Hij zegt toch met terugslag op de physiologische voorstellingen van de philosofen: „At enim habent ista physiologicas quasdam, sicut aiunt, i.e. naturalium rationum interpretationes; quasi vero nos in hac disputatione physiologiam quaeramus, et non theologiam, i.e. rationem, non naturae, sed Dei.” Hieruit ziet men, dat Augustinus onder theologia niet de beoefening onzer wetenschap, noch ook die wetenschap zelve verstond; deze heette bij hem doctrina; maar veel meer de kennisse Gods, waarop zich de theologische studie richt.

Dit diepere begrip nu van Theologie droeg reeds bij Augustinus een beslist theologisch karakter, gelijk uit zijn Libri IV. De doctrina Christiana blijkt, waar hij teruggaat op God, als zelve de Sapientia, en den Christus, als het Verbum Dei, de prima ad Deum via noemt (l. I. c. 38) en dienvolgens naast de intellectueele methode, om tot de kennisse Gods te geraken, ook op de via contemplationis en op het zien van God nadruk legt. Ditzelfde standpunt neemt nu in hoofdzaak ook nog Thomas Aquinas, en op zijn voetspoor Calvijn in. Want wel draagt Thomas’ hoofdwerk den titel van Summa theologica, maar in zijn inleiding spreekt hij stelselmatig van de sacra doctrina, die eigenlijk niet zelve de Theologie is, maar |189| circa theologiam versatur. Slechts een enkele maal duikt het woord theologia zelf bij hem op, zoo b.v. als hij in P. I. Qu. i. art. 7., ed. Parmae, 1852. I. p. 46 zegt: „Sed in hac scientia principaliter fit sermo de Deo; dicitur enim theologia, quasi sermo de Deo.” Te dezer plaatse geeft hij echter allerminst een definitie, maar ontleent hij aan de etymologie van het woord een argument, om Qev als het object der Sacra doctrina te handhaven. Het eigenlijke begrip door hem aan Theologie gehecht, blijkt dan ook veel zuiverder, uit wat hij over de fides, spes en charitas als de drie virtutes theologicae zegt (Zie I. secundae. qu. 62. art. 1 v.v.). Ook lette men er op, dat hij als titel boven zijn werk schreef niet: Summa Theologiae, maar Summa Theologica. De Moor, in zijn Comm. op à Marck, Tom. I. p. 9, citeert als uitspraak van Thomas deze woorden: „Theologia a Deo docetur, Deum docet et ad Deum ducit”; daar hij echter de plaats niet noemt, waar hij dit citaat vond, viel het niet te contrôleeren. 2) Evenzoo nu geeft ook Calvijn aan zijn dogmatiek niet den titel van Epitome Theologiae, maar van Institutio religionis Christianae, en vertaalt het woord theologia, dat hij bijna overal mijdt, door notitia Dei (cf. l. I. c. I. 1 v.v.). De indices kan men in dit opzicht niet vertrouwen. Zoowel toch de index op Thomas’ als op Calvijns Institutie geven op het woord Theologie meest een inhoud, waarin noch door Thomas, noch door Calvijn het woord zelf van Theologie gebruikt werd. |190|

Dit onderscheid nu, dat langen tijd tusschen de Theologische wetenschap als sacra doctrina, institutio enz. en de eigenlijke Theologie als notitia Dei standhield, was niet beuzelachtig; maar strekte, om het begrip van de Theologie theologice op te vatten, gelijk dit theologisch begrip nader in de theologia archetypa en ectypa ontleed is. En hieraan nu dient vastgehouden. Het veld van kennis toch, dat zich in de Theologie voor ons ontsluit, kan niet logisch gecoördineerd met de overige terreinen, die door onze kennis onderzocht worden. Zoodra men in deze coördinatie vervalt, is de Theologie reeds van haar eigenaardig karakter beroofd, en kan niet anders worden opgevat dan òf als een deel der metaphysica, òf als een wetenschap, die het empirisch verschijnsel van de, of wel van de Christelijke religie tot voorwerp van onderzoek heeft. Is daarentegen de Theologie een kennisse, die ons niet over het geschapene, maar over den Schepper, en alzoo over het principium et finis omnium rerum licht ontsteekt, zoo volgt reeds hieruit, dat deze kennisse van andere natuur moet zijn, en langs anderen weg tot ons moet komen. De elders geldende normae voor onze kennis kunnen hier niet gebruikt worden; de via cognitionis moet hier een andere zijn, en de aard zelf van deze kennis van alle overige scientia verschillen. Gelijk ge nu reeds binnen de grenzen van het eindige een andere via cognitionis voor de geestelijke dan voor de natuurlijke wetenschappen moet volgen, zoo kan ook de via cognitionis voor de kennis, van hetgeen het eindige perk te buiten gaat en er de grens van is, niet met de Erkenntnisstheorie van het eindige saamvallen. Men mag dus niet logisch indeelen en zeggen: De wetenschap onderzoekt de natuur, den mensch en God, en de wetenschap, die het laatste doet, is de Theologie, eenvoudig wijl de coördinatie van natuur, God en mensch valsch is. Wie deze drie als coördinata beschouwt, gaat hiermee logisch van de loochening van God als God uit. Uit dien hoofde nu was het volkomen juist gezien, dat èn de Grieksche patres, èn op Augustinus’ voetspoor, de Westersche, zij het ook zonder genoegzame helderheid van inzicht, geweigerd hebben de Theologie met de overige -logieën of -nomieën op één lijn te stellen, en voor |191| het begrip Theologie eene theologische opvatting eischten. Deze theologische opvatting werkte dan ook nog door, tot in de tweede helft der 18e eeuw, zoo dikwijls de dogmatici de Dogmatiek niet als onderdeel van de Theologie of als één der theologische studievakken, maar als de theologia propria omschreven, waar exegese, kerkhistorie, kerkrecht enz. dan als hulpstudiën bijkwamen. Want wel liep het begrip Theologie bij hen reeds in zooverre om, dat zij, niet theoretisch, maar dan toch practisch, de menschelijke studie, die aan deze geopenbaarde notitia Dei gewijd werd, met den naam van Theologie bestempelden; maar uit hun beperking van dezen naam tot de Dogmatiek bleek dan toch, dat zij deze studie bedoelden, als leidende tot recht verstand van de wezenlijke kennisse Gods. Niet om allerlei geleerdheid, maar om God zelven was het hun te doen, en alleen wat ons de kennisse van dien God nader bracht, mocht in engeren zin op den naam van Theologie aanspraak maken. En nu is het wel waar, dat, gelijk de historie der Encyclopaedie ons leerde, de encyclopaedisten allengs onder Theologie de samenvatting van de onderscheidene theologische studievakken gingen verstaan; maar niemand zal beweren, dat zij hierdoor tot een organische opvatting van het begrip Theologie bijdroegen. Eigenlijk kan dan ook eerst van Schleiermacher gezegd, dat hij, de onbeholpenheid der vroegere encyclopaedisten inziende, een ernstige poging heeft gewaagd, om de Theologie, niet als cognitio Dei, maar als Theologische wetenschap genomen, tot eenheid van opvatting te brengen. Jammer slechts, dat hij hierbij zoo onhistorisch te werk ging; bijna niet op het verloop van het begrip Theologie in vroegere eeuwen lette; en meer nog, dat hij, het object verkeerd kiezende, tot geen organische opvatting geraken kon, en het niet verder bracht dan tot een aggregaat, vereenigd door de strekking van deze onderscheidene studiën voor de opleiding tot het ambt. Hiermee toch sneed hij het theologischverstand van het begrip Theologie af, en die na hem zijn gekomen, hebben wel zijn aggregaat door een organische voorstelling, en zijn uiterst beperkt object door een breeder object vervangen, maar de gaping, tusschen wat de Theologie oorspronkelijk was, en wat men er sinds onder verstond, werd |192| hiermee niet weggenomen. Men bleef uitsluitend aan de Logica den regel ontleenen, waarnaar het begrip van Theologie moest gedefinieerd worden, en was hierdoor buiten staat, om het theologisch begrip van deze wetenschap te herwinnen. Iets, wat uiteraard niet gezegd wordt, als bedoelden wij, dat men met de repristinatie van dit vroegere begrip volstaan kon. Het tegendeel zal uit onze verdere uiteenzetting blijken. Slechts is hiermee uitgesproken, dat ook hier niet verder is te komen, tenzij men aanknoopt aan den draad, die in het verleden gesponnen ligt.

In dit verleden nu vertoont zich in het begrip van Theologie bijna constant een karakteristiek theologische modaliteit; waarmee door ons wordt aangeduid, dat het eigenaardig karakter der Theologie ook op de vorming zelve van dit begrip invloed heeft uitgeoefend. Hoever die invloed strekte, kan eerst in de volgende blijken; maar toch moest, om de beteekenis dier in het gewenschte licht te stellen, vooraf afzonderlijk op dit punt gewezen worden.




1. Scientiae subjectum staat hier, voor wat wij zouden zeggen: Scientiae objectum. Deze verwarring tusschen de grammatische en de logische tegenstelling van subject en object komt voor rekening van Aristoteles, die t pokemenon i.e. het subject, ook nam voor t per o lgov gnetai. Vgl. Prantl, Geschichte der Logik im Abendlande, Leipzig, 1855, III, 208, noot 105. „An unzähligen Stellen treffen wir fortan (sedert Duns Scotus 1308, die ze het eerst als vaste termini tegenover elkander stelde) bis in das 18. Jahrhundert (d.h. bis Alex. Baumgarten) diesen Gebrauch der Worte „subiective” und „obiective”, welcher zu dem jetzigen sich genau umgekehrt verhält: nemlich damals hiess subiectivum dasjenige, was sich auf das Subject der Urtheile, also auf die concreten Gegenstände des Denkens, bezieht; hingegen obiectivum jenes, was im blossen obiicere, d.h. im Vorstelligmachen, liegt und hiemit auf Rechnung des Vorstellenden fällt.”

2. Ds. F.M. ten Hoor wees er in de Vrije Kerk, 21e jaarg. p. 261 noot 1 op, dat dit citaat reeds vóór de Moor door F. Turrettinus in zijn Institutio Theol. Elenc. Pars I. qu I. VII was aangehaald en daar vermeld stond, waar dit citaat bij Thomas zou te vinden zijn. Metterdaad verwijst Turrettinus (ed. 1696 t. I. p. 2) voor deze woorden naar Thomas Ia Iae qu. 7 (waarmede wel bedoeld is de Summa Pars I. qu. I. Art. VII) maar ook hier is dit citaat, evenmin als elders, bij Thomas te vinden. Sommige Roomsche dogmatici (bijv. Dr. P. Mannens, Theol. Dogm. Inst. Pars I. 1901, p. 5) schrijven deze woorden aan Albertus Magnus toe, zonder echter de plaats te vermelden, waar dit citaat voorkomt. Naar Dr. Mannens de vriendelijkheid had mij mee te deelen, komen deze woorden zelf echter noch bij Albertus Magnus, noch bij Thomas Aquinas voor, maar zijn ze de korte saamvatting door latere schrijvers, van wat door Albertus in den Prologus zijner Summa Theologiae, tom. XXI, ed. Paris, 1895 pag. 3 en door Thomas in zijn Summa Pars I. qu. I. Art. V en VII geleerd wordt.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001