Hoofdstuk V.

De Theologie in het organisme der wetenschap.

19. Is er in het organisme der wetenschap plaats voor de Theologie?

Het stellen van deze vraag bedoelt in het minst geen coquetteeren met de hooggeroemde „wetenschap”. Een theoloog, die, gedrukt door den weinigen eerbied, die thans door de publieke |162| opinie voor de Theologische studie wordt gekoesterd, zich in de gunst dier publieke opinie indringt, door luide te roepen, dat wat hij beoefent, heusch ook wetenschap is, heeft reeds daardoor zijn recht op den eerenaam van theoloog verbeurd. Stel toch, dat de Theologie geen wetenschap bleek te zijn, maar, gelijk de beoefening der muziek, geroepen, om ons geestelijk leven, en het bewustzijn van dat leven, langs geheel anderen weg te verrijken, wat zou dit aan haar waarde te kort doen? Staat Mozart dan in rangorde beneden Edison, omdat hij niet als Edison met de gegevens der exacte wetenschappen heeft getooverd? De poging, die herhaaldelijk is aangewend, om de Theologie uit het gezelschap der wetenschappen uit te leiden, en als mystiek meer met de wereld der tonen te coördineeren, was dan op zichzelf ook volkomen eerbiedwaardig, en dwong gemeenlijk aan de publieke opinie meer eerbied af, dan de scholastieke distinctiën. Ook al bleek dus, dat er in het organisme der wetenschap geen plaats voor de Theologie was, dit zou haar op zichzelf nog in het minst niet declineeren, gelijk ze omgekeerd niet het minst in waarde klimt, zoo het blijkt, dat ze metterdaad onder de wetenschappen is te rangschikken. In geen geval mag de Theologie beginnen met haar eigen eergevoel weg te werpen; en die theologen, die zich hier kennelijk aan schuldig maakten, zich voor de Theologie min of meer schaamden, en haar zochten te rehabiliteeren, door het wetenschappelijk brevet voor haar af te bedelen, zijn voor hun eigen lafheid gestraft, doordien de niet-Theologische wetenschap hen dwong, het hart aan de Theologie uit te snijden, en haar om te zetten in een vak van studie, dat in het kader der naturalistische wetenschap paste. Het zij daarom duidelijk uitgesproken, dat onzerzijds ons opkomen voor het wetenschappelijk karakter der Godgeleerdheid met dit weinig eervol streven niets gemeen heeft. Aan het wegwerpen van ons karakter als theoloog doet geen Calvinist mede. En nu ter zake.

Aan de hand van de historische ontwikkeling der faculteiten bleek ons, dat het algemeene organisme der wetenschap zich langs zuivere en duidelijk waarneembare lijnen in zijn deelen ontleden laat. De denkende mensch onderscheidt eerst in zichzelf, |163| wat op zijn innerlijk of psychisch, en uiterlijk of somatisch bestaan betrekking heeft. Hij onderscheidt ten tweede tusschen zijn eigen persoonlijk bestaan en zijn saamleven met anderen, voor zoover dit niet door het persoonlijk bestaan van de enkelen beheerscht wordt. En ten derde onderscheidt hij tusschen het menschelijk leven en het leven der natuur. Deze indeeling loopt vanzelf, is ongezocht, ziet zich door de historie der faculteiten gerechtvaardigd, en is geheel in overeenstemming met de behoefte der practijk. De vraag blijft nu alleen, of er, naast deze vier, nog een vijfde zelfstandig deel of orgaan in het organisme der wetenschap overblijft. En dan ligt het antwoord voor de hand, dat er wel terdege nog een laatste onderscheiding is, de onderscheiding namelijk tusschen den mensch en zijn God. Zoo zou men dus in het volledige object der wetenschap vier tegenstellingen en alzog vijf zelfstandige deelen erlangen. 1. God en zijn schepping. 2. In die schepping de overige schepping en de mensch. 3. In dien mensch ten eerste de distinctie tusschen zijn stoffelijk en geestelijk bestaan, en ten andere (4.) de tegenstelling tusschen de eenheid en de veelheid. Of wilt ge, er zouden zich aan den denkenden mensch vijf zelfstandige en toch organisch samenhangende objecten aanbieden: 1. zijn God, 2. zijn psychisch bestaan, 3. zijn somatisch bestaan, 4. zijn bestaan als lid van de menschheid en 5. de natuur buiten den mensch. Een indeeling, die volkomen beantwoorden zou aan de Theologische faculteit (object: God), de Philologische (’s menschen yuc), de Medische (’s menschen sma), de Juridische (de rechtsverhouding onder menschen) en de natuurkundige (de kosmos buiten den mensch). Een ontleding van het geheele organisme in vijf deelen, die, althans bij de vier besprokene faculteiten, het organisch verband tusschen de deelen scherp doet uitkomen, zoowel in het object zelf, als bij den reflex er van in het subject, en in elk der vier deelen de onderdeelen organisch ontwikkelt.

Met de voorstelling daarentegen, alsof de Theologie tot haar object zou hebben het religieus gevoel, de subjectieve religie, de phaenomena van de vroomheid, en wat dies meer zij, en deswege niet als Godgeleerdheid, maar als Godsdienstwetenschap |164| zou te verstaan zijn, komt men niet uit. Onmogelijk toch kunt ge in organischen zin coördineeren: ’s menschen psychisch bestaan, ’s menschen somatisch bestaan, den mensch als onderdeel der menschheid en de natuur buiten den mensch; en dan, als vijfde rad aan den wagen, ’s menschen religieus gevoel. Immers, ook dit religieus gevoel behoort tot ’s menschen psychisch bestaan, en de studie er van strekt als zoodanig, om het object mensch te onderzoeken. Het religieus gevoel kan dus geen zelfstandig deel in het te onderzoeken object zijn, dat door een principieele distinctie van de andere gecoördineerde deelen onderscheiden is. Wel is ook dit religieuze gevoel in hooge mate belangrijk, en kan het zeker de moeite loonen, ook dit verschijnsel in het leven des menschen en der menschheid te onderzoeken; maar dit religieuze leven staat dan gecoördineerd met zijn ethisch, aesthetisch en intellectueel leven; en hoort dus tot zijn psychisch bestaan. Deze studiën vallen dus vanzelf onder de Philologische faculteit, en kunnen nooit aanleiding geven tot het opkomen van een afzonderlijke faculteit der Theologie.

Slechts ééne bedenking ware hiertegen in te brengen. Op het standpunt der Trichotomisten kon men namelijk tegenwerpen, dat de mensch niet uit sma en yuc, maar uit sma, yuc en pnema bestaat, en dat het derhalve volkomen rationeel is, naast een faculteit voor het sma, en een faculteit voor de yuc, nog een derde faculteit te plaatsen, die het pnema van den mensch als object koos, en dit zou dan de Theologische zijn. Er zou dan naast de Somatologie en Psychologie nog een Pneumatologie als „Dritte im Bunde” komen. Deze tegenwerping houdt echter geen steek. Nooit toch kan het organisme der wetenschap ontleend, of wilt ge ingedeeld, naar den maatstaf van een distinctie, die slechts door een enkele school wordt aangenomen, maar door andere scholen wordt betwist, en in het algemeen menschelijk besef geen weerklank vindt. Met alle Gereformeerden verwerpen ook wij de Trichotomie, althans voor zoover ze drie substantiën in den mensch stelt. We zijn Dichotomisten. En ook al ware het, dat de distinctie tusschen yuc en pnema zich tot op zekere hoogte kon handhaven, dan zou men nog nooit sma, yuc en pnema kunnen coördineeren, |165| maar zou juist de tegenstelling zijn sma tegenover yuc, en in die yuc zekere onderscheiding tusschen het psychische en het pneumatische. Zelfs zij, die van een faculteit der Godsdienstwetenschap spreken, hebben dan ook zeer goed ingezien, dat met het pnema als zoodanig hier niets was uit te richten, en wierpen zich daarom op de religie, als zeer gecompliceerde levensuiting en rijk aan phaenomenaal leven. Het pneumatische an und für sich zou voor onderzoek van eenigen omvang onvatbaar zijn. Langs dien weg is dus geen mogelijkheid, om in het object der algemeene wetenschap een eigen terrein voor een wetenschap der Theologie aan te wijzen, en van een Theologische faculteit komt geen sprake. Sprake van beide kan er dan alleen zijn, zoo ge op de tegenstelling van den zelfbewusten mensch en zijn God komt, en nu in God, en niet in de religie het object voor uw faculteit vindt.

En toch komt ge ook hiermee zonder meer niet verder. Niet zoozeer, omdat het niet aangaat, God te coördineeren met het sma, de yuc, de politea, en de fsiv. Immers men kon zeer wel de distinctie maken tusschen ktstjv en ktsiv, in de ktsiv tusschen nqrwpov en fsiv en in den nqrwpov tusschen zijn sma en yuc. Dit zou geen logische fout zijn. Maar wel drukt het bezwaar, dat in de wetenschap, gelijk die in dit hoofdstuk besproken is, de mensch en niet God het denkende subject is; dat dit denkende subject als zoodanig boven het object der wetenschap moet staan, en de macht moet bezitten, om het te onderzoeken en in zijn denken te bevatten. En dit nu gaat wel bij de natuur, wel bij ons sma, bij onze yuc en bij onze politea door; maar gaat niet door bij God, als object van onze menschelijke wetenschap gedacht. De denkende mensch als subject tegenover God als object gedacht, is een logische contradictio in terminis. Het blijft eenmaal een onomstootelijke waarheid: t to Qeo odev gnwken e m t pnema to Qeo. Reeds tegenover den mensch zouden we voor een gesloten mysterie staan, indien we niet zelf mensch waren, en alzoo uit ons zelf tot hem konden concludeeren. Tv gr oden nqrpwn t to nqrpou e m t pnema to nqrpou t n at? Maar bij den mensch zou ons |166| dan toch nog altoos zijn phaenomenaal optreden ten dienste staan; waarneming zou mogelijk blijken; en de veelheid der objecten door vergelijking u op eenig spoor brengen. Maar bij God als object gedacht begeeft ons dit alles. Hij is in den meest absoluten zin univocus. Uit uzelven kunt ge tot Hem (althans zoolang Hij u zelf de schepping naar zijn beeld niet heeft ontdekt) in niets besluiten, en zien of hooren of waarnemen op eenigerlei wijze kunt ge Hem evenmin. Uit dien hoofde is het dan ook volkomen consequent, dat de naturalistische richting in de wetenschap geen oogenblik heeft geaarzeld, de Theologie te schrappen, en dat de Vrije Universiteit te Brussel, en na haar meer dan ééne universiteit in Amerika geen faculteit, of, gelijk men in Amerika zegt, „Department” voor Theologie geopend heeft. En ook kunnen we verstaan, dat de Theologen, die met de Bijzondere Openbaring braken, geweigerd hebben, langer in het oude spoor te loopen, Qev als object van wetenschap hebben prijsgegeven, en verklaard hebben: We kunnen niet God onderzoeken, maar wel de religie. Iets, waar dan ook niets op aan te merken zou geweest zijn, mits ze de consequentie van deze metamorphose van het object hadden aangedurfd, en hun studie van de religie, na slooping van de Theologische faculteit, naar de Philologische hadden overgebracht.

Anders komt daarentegen de zaak te staan, zoo men de oude definitie weder opneemt, dat de Theologische wetenschap haar voorwerp van onderzoek vindt in de ons geopenbaarde, ectypische kennisse Gods; een definitie, waar ook wij ons aan houden, maar die eerst in het volgende hoofdstuk kan toegelicht. Hier zij het genoeg te herinneren, dat naar deze voorstelling alleen God zichzelven kent (cognitio Dei archetypa), en dat niemand onder de creaturen iets van Hem kennen kan, tenzij Hij zelf iets uit zijn zelfkennisse en zelfbewustzijn openbaart in een vorm, die onder de bevatting van het schepsel valt (cognito Dei ectypa). Geschiedde nu deze openbaring in een vorm van volledige analyse en synthese, dan zou zij, gelijk ze daar lag, aan de strengste eischen van onze wetenschappelijke behoefte voldoen, en eenvoudig in het resultaat van onzen overigen wetenschappelijken arbeid |167| zijn in te voegen; juist zooals ge bij een historische schets over een gebeurtenis, waarin ge zelf een rol van beteekenis hebt vervuld, datgene, wat ge zelf beoogdet en deedt, zonder nader onderzoek, eenvoudig inschuift en inlascht, omdat ge uw persoonlijk aandeel kent op een wijze, die tot geen nader wetenschappelijk onderzoek aanleiding geeft. Zulk een karakter draagt deze openbaring echter volstrekt niet. Veeleer trad ze in zulk een vorm op, dat u allerlei gegevens werden verstrekt, waaruit door uzelven het resultaat moet worden opgemaakt. En zoo nu verstaan, vormt de complex van al, wat tot deze openbaring behoort, een in zijn uitgangspunt en doel „einheitlich” object, dat uitnoodigt tot onderzoek, en door wetenschappelijk streven moet omgezet in dien vorm, die de eischen van ons menschelijk bewustzijn bevredigt. Denk u, dat de Egyptologische vondsten nog toenamen, en, wat niet ondenkbaar is, omtrent een dusver nog minder bekenden Pharaö tal van inscriptiën, mededeelingen en berichten van allerlei aard aan het licht brachten; u onder den grond bedolven monumenten van zijn activiteit deden ontdekken; en u allerlei brieven, staten en bescheiden omtrent zijn regeering deden kennen; dan zou al dit gevondene u uitlokken en in staat stellen, om op wetenschappelijke wijze de historische verschijning van dezen vorst te construeeren. Dan echter zou nog altoos die Pharaö zelf, en niet die kennisse van zijn persoon, object van uw onderzoek zijn, om de eenvoudige reden, dat al deze monumenten en documenten niet opzettelijk door hem opgericht en geschreven waren, om een bepaalde, door hem gewilde, voorstelling van zijn persoon bij u te vestigen. Maar neem nu ook dit er bij. Denk, dat een Oostersch despoot opzettelijk bij een volgend geslacht een bepaalde voorstelling van zijn verschijning had willen wekken, die niet met de werkelijkheid overeenkwam, en hiertoe allerlei monumenten en documenten had vervaardigd, dan natuurlijk zou uit deze monumenten en documenten niet zijn wezenlijke figuur, maar alleen die door hem bedoelde voorstelling zijn te construeeren. Object van uw onderzoek zou dan dus niet zijn die despoot zelf, maar wel degelijk „de kennisse van zijn persoon,” gelijk hij die heeft willen overleveren aan het navolgend |168| nageslacht. 1) En juist zoo nu is het hier. Het is niet, dat God, zonder het te bedoelen, allerlei sporen van zijn arbeid en allerlei openbaring van zijne gedachten in monumenten en documenten heeft achtergelaten, en dat wij nu hieruit pogen op te sporen, wie God is. Neen, opzettelijk, geheel wetende wat Hij deed, heeft God de Heere een kennisse van zijn Wezen meegedeeld, gelijk Hij wilde, dat die kennisse zijn zou, en wel op zulk een wijs, dat deze openbaring niet zijn absoluut beeld inhield, maar u deze kennisse aanbracht in dien bepaalden vorm, die voor u alleen bruikbaar was. Wat wij bij dien Aziatischen despoot onderstelden als voortgesproten uit de zucht, om een ander beeld van zich te doen voortleven, dan hij in de werkelijkheid vertoond had, grijpt ook hier dus door het tertium comparationis plaats. Ook hier toch is het beeld, dat opzettelijk getoond wordt, anders dan het eigen Wezen, eenvoudig omdat het alleen in dien bepaalden vorm, pro mensura hominis, door ons kan worden opgenomen. Ook hier hebben we dus volle recht om te zeggen, dat hetgeen in die monumenten en documenten voor ons ligt, niet is de kennisse van het eigen Wezen Gods, die wij er uit zullen opsporen, maar, omgekeerd, dat in deze monumenten en documenten door God zelf, met opzet, een beeld van zichzelven geschetst ligt, gelijk Hij wil, dat wij dit in ons zullen opnemen. Onderzoeken we dus deze monumenten en documenten, dan is het object, dat we hierin naspeuren, niet het Wezen Gods, maar die cognitio ectypa Dei, die God zelf hierin gedeponeerd heeft, en gedeponeerd heeft op een wijze, die met den aard van onze menschelijke natuur en ons menschelijk bewustzijn overeenstemt. Het onderzoeken van die monumenten en documenten, en het daaruit opsporen van de Cognitio Dei ectypa, die er in ligt, is alzoo in even strengen zin wetenschappelijke arbeid, als het historisch construeeren van het beeld van zulk |169| een Pharaö of Aziatisch despoot in het onderstelde geval een wetenschappelijk karakter zou dragen.

Natuurlijk geven we hierbij toe, dat het feit, dat God de Heere zulke monumenten en documenten voor ons plaatste, daarin opzettelijk een beeld van zichzelf verborg, en dat het ons gelukken kan, hieruit deze cognitio ectypa te vinden, in deze nog niets dan hypothese is. Het was er ons slechts om te doen, dat blijken zou, hoe er bij deze hypothese metterdaad noodzakelijkheid ontstaat tot een eigenaardigen wetenschappelijken arbeid, die tot object heeft niet God, wat niet kan, maar zijn cognitio ectypa; mits er een bepaalde kring van phaenomena is, waaruit dit object door onderzoek kan worden gekend. Blijkt dus later waarheid, wat hier slechts hypothetisch gesteld wordt, dan is op deze wijze metterdaad een Theologie gevonden, die de roeping heeft, om een wetenschappelijke taak te volvoeren, en als zoodanig in het organisme der wetenschap hare plaats heeft. Immers, in deze hypothese ligt vanzelf in, dat èn de phaenomena, waaruit deze cognitio moet geput, èn deze cognitio zelve, organisch samenhangen zoo met het object als met het subject der wetenschap. Met het object, omdat deze phaenomena in den kosmos en in de historie gegeven zijn, en met het subject, overmits deze cognitio juist als ectypa in overeenstemming is met de „mensura humana.” En dit nu zoo zijnde, is hiermee vanzelf het optreden van een eigen faculteit voor dit wetenschappelijk onderzoek gerechtvaardigd. Het object toch, dat in deze phaenomena wordt gezocht, is onder geen der vier andere hoofden te brengen; de phaenomena, die onderzocht moeten worden, vormen een geheel eigenaardige groep; en het object zelf is van zoo eminent belang, dat niet alleen de behoefte van het practisch leven, maar evenzeer het onvolledig karakter van de overige wetenschap, de beoefening der Theologie noodzakelijk maakt.

Nog slechts ééne bedenking moet hierbij onder de oogen gezien. Men kon namelijk tegenwerpen, dat door onszelven in 3 van dit tweede Deel de kosmos als eenig object voor de wetenschap is aangewezen; dat nu God, tenzij men in Pantheisme vervalle, niet tot den kosmos behoort, maar als wezensgrond en oorzaak |170| van den kosmos, buiten den kosmos zelven moet worden gezocht; er dus niet toe behoort; en dat alzoo het onderzoek naar God, d.i. de Theologie, niet tot de wetenschap kan gerekend worden. Hierop nu zij geantwoord, dat deze bedenking juist op onze voorstelling van de zaak geen vat heeft. Voor ons toch is het object der Theologie niet het ongekende Wezen Gods, maar de ons bekend gemaakte cognitio ectypa. Deze cognitio revelata nu ligt niet buiten, maar juist in den kosmos, en treedt nooit anders dan in kosmischen vorm voor ons. Zonder iets in onze definitie van het object der wetenschap te wijzigen, erlangt alzoo de Theologie, mits z opgevat, wel ter dege in het organisme der wetenschap de haar toekomende plaats. En verder strekt dan ook de Theologie niet. Want al sluit het poneeren van een kosmos het belijden van een wezensgrond voor dien kosmos in zich, niet de wetenschap, en dus ook niet de Theologie, maar alleen de mystiek van ons innerlijk leven besluit in zich de gegevens, waardoor we persoonlijk weten en ervaren, dat we met dien extra-kosmischen wezensgrond in gemeenschap staan.




1. Dit beeld is genomen in den geest van de gelijkenis van den onrechtvaardigen rechter. Alle beeld ten deze aan het menschelijk leven ontleend moet aangrijpen, wat in den mensch afkeurenswaardig zou zijn, omdat bij hem de onderscheiding tusschen het verborgen wezen en de medegedeelde kennis, die bij God onmisbaar is, zoodra ze opzettelijk wordt, op misleiding uitloopt.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001