18. De vijf faculteiten.

In de vorige is de Theologische faculteit bij de andere vier meegeteld, om althans het feit te constateeren, dat ze uit de practijk der historie geboren werd, en bij geen der andere in de wijze van formatie achterstond. Moeilijk zelfs kan haar het recht van eerstgeboorte onder het vijftal worden betwist. Maar welk belangrijk gewicht dit feit ook in de schaal werpe, toch is hiermee de positie, die aan de Theologie in het organisme der wetenschap toekomt, nog lang niet uitgemaakt. Immers het feit mag niet voorbijgezien, dat de practijk van meer dan ééne universiteit de faculteit der Theologie reeds weer wegsneed; dat ze aan tal van Universiteiten nog slechts als vrucht der traditie voortbestaat; en dat ze, bij dit traditioneel rekken van haar leven, meer dan eenige andere faculteit, een metamorphose onderging van zoo geweldigen aard, dat de identiteit van het studieobject ten slotte geheel wegviel. Niet enkel dus de behoefte aan het vellen van een critisch oordeel, maar de practijk zelve plaats hier achter dit erfstuk der historie een zeer ernstig vraagteeken, en dwingt met name bij de Theologie tot een nader onderzoek van haar geboorteacte en haar acte van domicilie. Hiertoe echter is het noodig, ons eerst op het overige terrein eenigszins te oriënteeren, en tot een vaste voorstelling omtrent de vier overige faculteiten te geraken.

De Philologische, als voor ons onderzoek de belangrijkste, ga hierbij voorop. Gereed met haar zelfbewustzijn is deze faculteit nog niet. Ze zou dit veel eerder geweest zijn, indien ook in Duitschland de splitsing tusschen de Natuurkudige faculteit en haar, even tijdig als bij ons, ware tot stand gekomen. Nu daarentegen heeft deze onnatuurlijke samenkoppeling het inzicht in den aard der Philologische studie nog veelszins verward. Ook al brengt men echter de splitsing tusschen de Philologische en Natuurkundige studiën tot stand, dan is men op verre na nog niet alle moeilijkheid te boven, maar stuit aanstonds op de tegenstelling tusschen de Philosophische en de Philologische studie in engeren zin. De voorslag is dan ook reeds meer dan eens gedaan, |143| om aan de Philosophie een eigen faculteit te gunnen, en haar straks het huis te laten betrekken, waarin de Theologie op sterven ligt. De Philologische faculteit zou dan uitsluitend de faculteit der letteren worden en zich in eminenten zin bezighouden met al die studiën, waartoe de littera scripta aanleiding geeft of toe in staat stelt. Op dat standpunt echter duikt aanstonds een derde tegenstelling op, t.w. die tusschen de Historische en eigenlijk Philologische studiën. Ligt toch het criterium voor het object der Philologie in de littera scripta, dan kan en moet ze wel de historische actestukken en de historische uiteenzettingen, als literaire producten, onderzoeken, maar ligt de eigenlijke inhoud der Historie buiten haar horizon. Zoo schilfert de faculteit al meer af, en ten slotte houdt ze als eenig object het geschrevene over, om hiermee zichzelf als zelfstandige faculteit te veroordeelen. Het literaire toch, hoe hoog men zijn waardij ook schatte, vormt in het organisme van het object nooit een hoofdgroep; en is tot op zekere hoogte zelfs contingent. Eeuwenlang immers bestond het object, eer zich het literaire leven vertoonde. Van den naam Letterkundige fuculteit kan men dus in geen geval uitgaan. Dezen naam danken we aan het Humanisme, dat ook hierin zijn oppervlakkig karakter niet verloochende. „Philologische” is dan in elk geval een rijkere en diepergaande naam, omdat de Logos niet op de letter wijst, maar op datgene waarvoor de letter als sma dienst doet. Toch hechtte men langen tijd aan het logos in „Philologie” nog te veel de enge beteekenis van het woord of de taal, en bleef zoo de Philologie opvatten, als staande buiten de Philosophie en de Historie. juist hieruit bleek, hoe weinig men nog doorgedrongen was tot het besef, dat elke faculteit een hoofdgroep in het object der wetenschap tot voorwerp van haar onderzoek moet hebben. Al is toch het woord, en nog meer de taal, een wijder begrip dan dat van de littera scripta, toch kan ook taal en woord nooit de beteekenis erlangen van een hoofdgroep in het object der wetenschap te zijn. Als levensuiting van den mensch toch is het leven der taal gecoördineerd met de uitingen van het ethisch, aesthetisch en materieel leven, en zou men dus ook voor deze een afzonderlijke |144| faculteit moeten openen. In het object der wetenschap dringt men niet door, zoolang men bij de levensuiting staan blijft, maar dan pas als men is aangeland bij het leven zelf, waarvan de uiting wordt waargenomen. Bij den logos nu is dit in algemeenen zin: het leven van het menschelijk bewustzijn. Het is dit leven, dat zich in den logos, als gedachte genomen, resumeert; in den logos, als woord bedoeld, zich uitspreekt; en in de literarische producten voor een zeer aanmerkelijk deel ter onzer beschikking ligt. En hiermee hebben we metterdaad in het groote object der wetenschap op een hoofdgroep de hand gelegd; want tot dit object behoort de mensch niet alleen, maar van dit object is de mensch zelf het voornaamste, en het is in zijn wonderlijk bewustzijn, dat straks geheel de kosmos zich afspiegelt. Vat men nu in dezen zin het object dezer faculteit als het bewuste leven van den mensch, dan dient hierbij het woord bewust natuurlijk in praegnanten zin genomen. Anders toch kon men onder deze faculteit alle wetenschap trekken, zelfs die der natuur. Legt men daarentegen op de qualiteit van bewust leven den vollen nadruk, zoodat in deze faculteit ons leven alleen aan de orde komt van de zijde van ons bewustzijn, dan is dit gevaar uitgesloten. Hiermee blijven we in het spoor, waarop Boeckh de eerste voetstappen zette, en dat door mijn geachten ambtgenoot, Dr. J. Woltjer, in zijn rectorale oratie van 1891, zooveel verder in de juiste lijn getrokken is. Stond toch bij Boeckh nog te zeer het denken op den voorgrond, Dr. Woltjer zag terecht in, dat van het denken op den Logos als rede in den mensch moet teruggegaan; en het is dan ook geheel in het door hem gelegde verband, dat we in Philologie het woord Logos opvatten als de aanduiding van het bewuste in ons leven.

Doch hiermee is dan ook het standpunt gewonnen, waardoor de practijk gerechtvaardigd wordt, die steeds de philosophische en historische studiën met die der Letteren saamverbond. Al is toch de taal en al, wat met de taal samenhangt, het voertuig van het menschelijk bewustzijn, toch is met de bestudeering van dit voertuig de studie van dat bewustzijn zelf niet ten einde gebracht. Dat menschelijk bewustzijn moet ook als zoodanig, naar vorm |145| en saamvattenden inhoud, voorwerp van onderzoek zijn, en noopt dus tot de formeele en materieele studie der Philosophie. En veelmeer nog dient er op gelet, dat niet het bewustzijn van een enkel individu, maar het bewustzijn van den mensch als zoodanig, en alzoo van de menschheid, in zijn samenhang en doorloopend proces, gekend dient te worden; juist dus de taak der Historie. Het is dus metterdaad de ééne Logos, als bewustzijn der menschheid verstaan, die èn voor de Linguistische èn voor de Historische èn voor de Philosophische studie het motief levert; zoodat er op den naam van Philologische faculteit geen gegronde aanmerking te maken is. Logoi was immers ook het woord, dat oorspronkelijk voor een historisch verhaal werd gebezigd, en aan de geschiedschrijvers den naam van Logographen gaf. Zoo leidt de bijeenvoeging van de Linguistische, Historische en Philosophische studiën niet tot een aggregaat, maar tot een organische eenheid, die op uitnemende wijze een hoofdgroep van het object der wetenschap tot een eigen terrein afbakent. Het is de mensch in tegenstelling met de natuur, en in dien mensch zijn logische, in tegenstelling met zijn lichamelijke verschijning, die de grenzen voor dit terrein bepaalt. De eenheid, die hierin ligt, mag niet prijsgegeven.

Intusschen zij hierbij opgemerkt, dat de taak dezer faculteit niet extensief, maar intensief is op te vatten. Het doel, waarmee ze optreedt, is niet om alle denkbare talen te beoefenen, noch om alle historie te onderzoeken, noch eindelijk om allen inhoud van het menschelijk bewustzijn te systematiseeren. De Faculteit als zoodanig heeft steeds haar oogmerk te richten op het bewustzijn der menschheid, als organische eenheid gedacht, en heeft dus haar kracht te concentreeren op datgene, waarin het proces van dit menschelijk bewustzijn uitkomt. Ze werpt haar dieplood uit, niet in den stilstaanden poel, maar daar, waar de stroom van het menschelijk leven gaat. Niet wat vegeteert in zijn geïsoleerde positie, maar wat leeft en meeleeft en op het leven der menschheid inwerkt, boeit haar aandacht. De classieke, rijk ontwikkelde talen uit de oude en de nieuwe wereld hebben daarom voor deze Faculteit als zoodanig een geheel ander belang dan de gebrekkige |146| talen der niet ontwikkelde en meer sluimerende volken. Letterkunde is voor haar geen aggregraat, van al wat in schrift werd overgeleverd, maar een organisch begrip, dat alleen het naar vorm en inhoud uitnemende omvat. Historie is haar evenzoo alleen datgene, waarin het menschelijk bewustzijn kracht ontwikkelde, om het menschelijk leven tot de vollere ontplooiing van zijn idee te brengen. En als materieele Philosophie biedt ze alleen datgene, wat de stroom van het menschelijk denken verder heeft gebracht en zijn verschillende richtingen tot juiste uiting deed komen. De voorslag, om deze Faculteit te overladen met de studie van alle denkbare talen en volken en voorstellingen, moet daarom afgewezen. Zoo vermoordt men de faculteit, maakt ze topzwaar, en doet haar alle eenheid van zelfbesef verliezen. Ze moet, om faculteit te blijven, hoofdzaak en bijzaak scheiden, de eenheid in de veelheid handhaven, en daartoe haar oogmerk blijven richten, op wat het bewustzijn van ons menschelijk geslacht in gestadig proces rijker ontplooid, tot voller daad bekwaamd en tot helderder besef gebracht heeft. Iets, waarmee natuurlijk niet ontkend is, dat ook de andere talen, volken en voorstellingen voorwerp van wetenschappelijk onderzoek kunnen zijn, maar deze soort studiën moeten zich aan den arbeid der faculteit aansluiten, niet haar kracht verbruiken. Een zelfbeperking, niet alleen noodzakelijk, opdat ze de stof beheersche, maar ook opdat ze haar aansluiting aan het leven niet verlieze, en niet in conflict kome met de eischen der practijk. Daartoe nu is het eisch, dat ze bij de bestudeering van het menschelijk bewustzijn niet afzwenke naar de peripherie, maar hare positie in het centrum neme, en nimmer uit het oog verlieze, dat object van haar onderzoek is: het bewuste leven van ons menschelijk geslacht als organische eenheid genomen. Met het oog daarop onderzoeke ze dan de taal, als het wondere instrument, dat aan ons bewustzijn als voertuig geschonken is; de rijkste ontwikkeling, waarvoor die taal in de classieke talen van den ouden en den nieuwen tijd vatbaar bleek; en de volgroeide en gerijpte vrucht, die dit taalwezen in de classieke letterkunde voortbracht. Op deze studie van de taal, als het voertuig en de incorporatie van ons bewustzijn |147| volge dan het onderzoek naar de actie, die dit bewustzijn in het leven der menschheid heeft uitgeoefend, d.i. de breede studie der Historie. En dan kome ten slotte de formeele en materieele Philosophie; de eerste, om het bewuste leven in zijn aard en in de wetten, die het beheerschen, te onderzoeken; de tweede, om de vraag te beantwoorden, hoe zich in dit bewustzijn allengs het „Weltbild” gevormd heeft en in wat vorm het op dit oogenblik zich vertoont. Een volgorde, die zeer zeker aanleiding geeft tot de opmerking, dat de formeele Philosophie eigenlijk voorop moest gaan; maar die we nochtans meenen te moeten handhaven, omdat evenzeer de formeele als de materieele Philosophie de voorafgaande ontwikkeling van het taalwezen, en dus ook een voorafgaande historie, onderstelt.

*

De Medische faculteit, als voor ons onderzoek van meer ondergeschikt belang, worde in beknopter vorm besproken. Wij voor ons wenschen den naam van Medische niet in dien van Somatologische faculteit, of Philosomatische faculteit veranderd te zien. De herinnering aan het feit, hoe deze wetenschap opgekomen is, niet uit zucht naar kennis van ons lichaam, maar uit de behoefte, om voor de krankheden van dit lichaam genezing te zoeken, zien we liefst niet teloorgaan. Zoo toch ligt er de erkenning in uitgedrukt, dat onze algemeen menschelijke toestand noch gaaf noch normaal is, maar in worsteling verkeert met een verdervende macht, waartegen bij een reddende macht hulp moet gezocht en kan gevonden. Dit neemt echter niet weg, dat het Medisch karakter van deze studiën niet in te volstrekten zin mag worden volgehouden. De verloskunde is op zichzelve geen eigenlijke medische studie. Bovendien heeft de medische studie altoos de kennis van het gezonde lichaam ondersteld. En de Hygiëniek, die al breeder plaats eischt, is niet alleen medisch prophylactisch, maar staat ten deele met de leer der voeding, kleeding enz. op één lijn, als strekkende, tot instandhouding van het gezonde lichaam. Op dien grond schijnt het niet wel voor tegenspraak vatbaar, dat het object van onderzoek voor deze faculteit het |148| sma van den mensch, of beter nog de mensch naar zijn somatische zijde is. Reeds hierom dient geprotesteerd tegen de poging, om het sma van het dier bij deze faculteit op te nemen; en evenzoo tegen de te hoog gaande verwachtingen, en daarom tegen de te ver gaande exploiten, van de vivisectie gewaarschuwd. De veeartsenijkunde zou op zichzelf nooit anders dan een empirische kunde geworden zijn; en het inzicht, dat haar uit de Medische faculteit ten goede komt, is een weldaad, die uit ons menschelijk leven naar het lijden van het dier afdaalt. Nooit echter mag het Darwinisme ons verleiden, om in deze faculteit mensch en dier onder begrip van t zon saam te vatten. Indien niet het menschelijk lichaam aan krankheid onderhevig ware, zou er nooit een medische wetenschap geweest zijn. Ook het plantenrijk heeft zijn krankheden en lokt tot medische behandeling uit; maar wien zal bet daarom in den zin komen, om de geneeskunde der planten op te nemen in de Medische faculteit? Het menschelijke sma, en dat alleen, moet dus het object voor den complex der medische studiën blijven. Ook de proplastische vormen of praeformatiën, die in het planten- en dierenrijk voor dit sma aanwezig waren, moeten dus wel onderzocht met het oog op dit sma, maar de studiën, waartoe dit onderzoek leidt, treden hier uitsluitend op, om hulpdienst te verleenen,zonder de grens tusschen het sma van den mensch en deze praeformatiën te mogen uitwisschen. En evenzoo moet de grens bewaakt, die het somatisch leven van den mensch onderscheidt van zijn psychisch leven. Dit psychisch leven is het erfdeel der Philologische en niet der Medische faculteit. Glipt men over die grens heen, dan moet de Medische faculteit de psychische verschijnselen wel aan het somatisch leven ondergeschikt maken, en kan ze niet rusten, alvorens het haar gelukt is, onder den drang van haar eigen object, dit psychische leven materialistisch te verklaren. Toch mag evenmin vergeten, dat tusschen het somatisch en het psychisch leven een onzeker en gemengd terrein ligt. Beide zijden van het ééne menschelijke leven staan in organisch verband. Het lichaam werkt op de ziel en de ziel op het lichaam. Er is dan ook eenerzijds een physico-psychische studie, die de |149| psychische verschijnselen moet naspeuren op physisch terrein, en anderzijds een psychico-physische studie, die den invloed nagaat, welke door de yuc op het sma wordt uitgeoefend. Hierbij nu moet als regel gelden, dat de Psychologie haar physische gegevens aan de Medische faculteit ontleent; en omgekeerd de Medische faculteit haar psychologische gegevens aan de Philologische faculteit. Dat ook de Theologische faculteit hierbij in aanmerking komt, wordt hiermee niet ontkend, maar omdat ons onderzoek juist ten doel heeft, de plaats aan te wijzen, die in het organisme der wetenschap aan de Theologische faculteit toekomt, blijve zij voorshands buiten rekening. Slechts sta hier de noodzakelijke opmerking, dat het in tegenspraak is met het eigenaardig karakter der medische studiën, om de gewichtige beslissing over de toerekenbaarheid van schuld in het strafproces, zonder meer, aan medici ter beantwoording over te laten. Een laatste grens eindelijk moet voor de Medische faculteit getrokken naar den kant der juridische faculteit. Ook naar die zijde toch overschrijdt de medische wetenschap gedurig haar bevoegdheid. Ze wil toch, dat de overheid haar resultaten op medisch en hygiënisch terrein als ordinantiën op civiel terrein zal overnemen, en uit zal voeren, wat zij voorschrijft. Een eisch, die daarom moet afgewezen, ten eerste, omdat deze resultaten een absoluut, soms zelfs elk constant karakter missen; en ten tweede, omdat niet zij, maar de juridische wetenschap te onderzoeken heeft, in hoeverre de eischen van het sma behooren af te stuiten op hoogere eischen van het psychische en het sociale leven.

Binnen deze grenzen nu splitsen deze medische studiën zich vanzelf naar haar object in studiën, om het gezonde lichaam te onderzoeken; in studiën, die verschijnselen van krankheid naspeuren; en in studiën, die de genezing van deze abnormale verschijnselen ten doel hebben. De studiën van het sma als zoodanig, d.i. in zijn gezonden staat, splitsen zich voorts even vanzelf in de somatische en in de psychico-somatische, terwijl de somatische weer in anatomie en physiologie uiteenvallen. De wetenschappen, die de afwijkingen van het normale, d.i, het kranke lichaam tot object hebben, zijn de pathologie en de |150| psychopathologie. De studiën eindelijk, die zich op de therapie richten, gaan uiteen in medische, chirugische en psychiatrische, waarbij zich dan de Medicijnkunde en de toegepaste Medica aansluiten. Alleen de plaats der Obstetrie is niet zoo gemakkelijk aan te wijzen, omdat een normale verlossing, zonder smart, geen pathologisch verschijnsel ware, en in zooverre de Verloskunde haar motief niet in het medisch, maar in het somatisch karakter dezer studiën zou vinden. Als zoodaning zou ze dan als technisch vak bij de Physiologie hooren. Op het standpunt der Openbaring echter is het baren met smarte wel terdege een abnormaal verschijnsel, en in zoover bestaat er ónzerzijds althans geen bezwaar, om de Obstetrie naar ouden trant te coördineeren met de medische en chirurgische kunde. Deze bijkomstige quaestie daargelaten springt het intusschen in het oog, hoe de Medische wetenschap, zoolang zij zich tot deze op zichzelf staande studiën bepaalt, nog altoos haar hoogere eenheid derft, en niet geacht kan worden reeds tot een helder zelfbewustzijn te zijn gekomen. Iets, wat haar dan eerst mogelijk zou worden, zoo ze tot de diepere oorzaak van het verderf, waaruit alle ziekten opkomen, kon doordringen; omgekeerd het verband tusschen deze oorzaak en de reagentia kon blootleggen; en zoo haar arbeid kronen kon door het leveren van een Medische philosophie.

*

Iets uitvoeriger dient hier de Juridische faculteit besproken te worden, wijl zij in nauwer samenhang staat met die der Theologie. In het object der wetenschap vonden we het haar toekomende terrein in den mensch, niet op zichzelven, maar in zijn verband met andere menschen genomen. Toch wenschen we dit niet zóó opgevat, als bedoelden we den mensch bloot als sociaal wezen, en als moest de juridische studie in sociologie ondergaan. Hiertegen dient de oorsprong dezer faculteit protest in. Ze was van meet af een faculteit voor de studie van het Recht, dienstbaar aan de opleiding van hen, die in het staatsbestuur en bij de rechterlijke macht hadden op te treden. Deze beide begrippen van het staatsbestuur en van de rechterlijke macht waren twee afgeleide begrippen van het hoofdbegrip: Het hoog gezag. Immers, de dwaasheid van de deeling der staatsmachten was nog niet |151| uitgevonden, en de eenheid van alle wetgevende, rechtsprekende en besturende macht stond voor ieders besef nog vast. Er werd gezag op aarde over menschen uitgeoefend; dit gezag was niet uit den mensch opgekomen, maar van Godswege op de Overheid gelegd. De wijze, waarop deze Overheid haar gezag had uit te oefenen, was dus niet aan de willekeur der despotie overgelaten, maar dit gezag beantwoordde dan eerst aan zijn bestemming, zoo het werkte in overeenstemming met de door God voor de menschelijke samenleving gewilde orde. De wetten en reaelingen, waaraan het gezag de onderdanen en zichzelf bond, moesten dus beantwoorden aan een vasten eisch; en die eisch was door God zelf in de ordinantiën van Zijn Schepping gesteld en nader toegelicht door zijn bijzondere Openbaring. Al gold dus hetgeen de Overheid vaststelde, feitelijk als recht binnen den kring, waarover haar gezag ging, en al bond het als zoodanig formeel de conscientie, toch bleef de drang onafwijsbaar, dat dit geldende recht zich ook voor Hooger vierschaar als recht zou legitimeeren, en anders correctie zou ondergaan. Uit dezen drang nu is de rechtsstudie in hoogeren zin geboren, want eerst door grondige wetenschappelijke studie kon het inzicht verkregen worden en in het wezen van het recht in het algemeen, èn in de speciale rechtsverhoudingen, gelijk die zijn moesten, om te beantwoorden aan de verhoudingen, gelijk die, in de Schepping en door de Historie, van Godswege tusschen mensch en mensch, of ook tusschen groepen van menschen, onderling gewild waren.

Hierbij nu ging men uit van het alleszins juiste besef dat er noch Overheid, noch rechtsregeling, noch dus ook rechtsstudie, noodig zou geweest zijn, indien er geen zedelijk kwaad onder menschen ware geweest. In onzondigen toestand zou de samenleving der menschen spontaan naar het zuiverst recht toegaan. Vandaar, toen deze faculteit opkwam, de nog algemeene belijdenis, dat alleen de zonde oorzaak werd, dat de ééne mensch met dwingend gezag over den anderen werd bekleed. In een maatschappij zonder zonde zou elke aanleiding voor het optreden van zulk een dwingend gezag vervallen, omdat een ieder rechtstreeks en in alle ding zich gebonden zou gevoelen door het gezag Gods. |152| Hierdoor nu kwam het, dat de juridische faculteit, evengoed als de Medische en Theologische, de strekking vertoonde, om tegen een bestaand kwaad op te treden. Strekte de Theologische faculteit, om het kwaad in het hart des menschen te bestrijden, en de Medische, om het kwaad in ’s menschen lichaam te bezweren, evenzoo strekte de Juridische faculteit, om het kwaad in de rechtssfeer tegen te gaan. In verband hiermede droeg de juridische faculteit dan ook een gewijd karakter. Ze bestudeerde toch niet in eigen zelfgenoegzaamheid de menschelijke verhoudingen, maar gevoelde de roeping, om het gezag, dat van Godswege op menschen gelegd was, te leiden in het door Hem gewilde spoor van het Recht. Deze schier gewijde oorsprong van de Juridische faculteit belet intusschen de wetenschap niet, om ook op juridisch gebied het logisch doel van alle wetenschap allengs meer op den voorgrond te laten treden, en zich rekenschap te geven van de plaats, die ook deze studiën in het organisch geheel der wetenschap innemen. Zoo nu beschouwd moest in het object der algemeene wetenschap ook aan deze studie een eigen, afgeperkt erfdeel worden aangewezen; en in dien zin is er niets op tegen, om dit eigen terrein der juridische wetenschap, deze provincia iuris te zoeken in het saam bestaan van mensch en mensch. Vooral de groote uitbreiding, die de sociologische en oeconomische hulpvakken allengs verkregen, bewijst dan ook, hoe de rechtsstudie zich feitelijk in deze richting beweegt, zonder dat er in ernst aan gedacht wordt, om alle sociologische en oeconomische studiën geheel van deze faculteit af te scheiden en te trekken bij de Philologische faculteit, of, voor wat het materieele object der oeconomische studiën aangaat, bij de Natuurkundige.

Toch zou men een zeer bedenkelijken weg inslaan, zoo men deswege het oorspronkelijk juridisch karakter van deze faculteit prijsgaf, en haar ongemerkt in eene, bij voorkeur, sociologische liet overgaan. Bedeelde men toch aan deze faculteit de studie toe, van al wat de samenleving van mensch en mensch ontstaan doet, haar verwerkelijkt, en in vollen omvang tot haar wezen behoort, zoo zou allengs ook de Ethiek bij haar herberg moeten vinden, zou het leven van wetenschap en kunst onder haar hoede |153| komen, zou de paedagogiek haar hoogheid moeten erkennen, en zou ook de techniek van landbouw, handel en nijverheid ten deele onder haar autoriteit geraken. Beperking van het object dezer faculteit, door nadere bepaling, is daarom onmisbaar, en die nadere bepaling kan geen andere zijn, dan dat de menschelijke saamleving alleen voor zóóverre aan deze faculteit is toegewezen, als die saamleving rechtsverhoudingen in het leven roept. Zoo blijft dus het kenmerk van deze faculteit altoos in het gezag liggen, naardien alleen het gezag in staat is, om deze rechtsverhoudingen als recht te ijken, te handhaven, waar ze normaal, te wijzigen, waar ze abnormaal zijn, en waar ze nog onontwikkeld waren, ze allengs te doen uitkomen. Iets, wat geldt zoowel voor de rechtsverhoudingen tusschen de Overheid en haar onderdanen, als voor de rechtsverhoudingen van deze onderdanen onderling, en voor de volkeren tegenover elkander. De sociologische en oeconomische studiën hebben dus in deze faculteit niet het abstracte doel, om op alle punten het organisch verband tusschen mensch en mensch na te speuren, noch ook om het verband tusschen onze menschelijke samenleving en het stoffelijk goed van alle zijden te bezien; maar uitsluitend, om zulk een inzicht in dit dubbele, zeer gewichtige verband te erlangen, waardoor de hierin schuilende rechtsverhoudingen duidelijk worden, en de Overheid ontdekken kunne, wat haar op dit terrein te doen staat en wat ze heeft te laten.

Feitelijk zal de studie der Juridische faculteit dan ook altoos beheerscht worden door de beginselen, die men belijdt in zake het gezag. Acht men, dat het gezag uit den Staat opkomt, en dat deze Staat de hoogste, natuurlijke levensvorm in het organisme der menschheid is, zoo kan de neiging niet uitblijven, om de beteekenis van den Staat steeds verder uit te breiden, en alzoo de bemoeiing van het gezag steeds verder uit te strekken, iets wat, gelijk men weet, reeds Plato zóó ver dreef, dat ook de paedagogiek en het zedelijk leven bijna geheel in de sfeer van den Staat werden getrokken. Metterdaad is ook nu meer dan één socioloog in de Juridische faculteit reeds op weg, om ook over geheel het psychisch leven des menschen, in religieuzen, |154| ethischen, aesthetischen en hygiënischen zin, al meer zijn licht te laten schijnen. Mochten dan ook vroeg of laat door een sociaal-democratisch gouvernement de katheders voor deze faculteit aangewezen en bezet worden, dan zou ongetwijfeld in diezelfde richting verder worden gestuurd. Erkent men daarentegen, dat het gezag over menschen oorspronkelijk niet anders dan in God kan rusten, en door Hem slechts voor een bepaalde sfeer op menschen gelegd is, dan natuurlijk is aan deze zucht tot gestadige uitbreiding paal en perk gesteld, en valt buiten de Juridische faculteit al, wat niet behoort tot die bepaalde sfeer. In het zedelijk leven, dat hier niet onder begrepen is, blijft dan God zelf rechtstreeks de rechter, die reeds nu vonnist in de conscientie en velerlei tijdelijk oordeel, en die eens zijn eindvonnis geven zal in den jongsten dag; terwijl de Overheid op aarde het recht alleen heeft te bestellen, en als rechter recht heeft te spreken, bij wat door dwang in de uitwendige levensverhoudingen kan worden recht gezet en recht gehouden. De Ethiek, als rakende de verhouding van den mensch in foro interno, blijft dan in de Theologische en Philologische faculteit; de paedagogiek, als gericht op het psychisch leven, hoort dan in de Philologische faculteit thuis; de hygiëniek blijft bij de Medische; de materieele zijde van het stoffelijk goed vindt haar bestudeering in de Natuurkundige faculteit; terwijl al, wat de eigenlijke techniek raakt, bij de Artes en niet bij de Scientiae wordt beoefend. Met alle overige faculteiten staat de Juridische dus in organisch verband; de voorlichting van niet ééne kan ze missen; aan alle moet ze Lehnsätze ontleenen; maar zelve verdiept ze zich in deze studiën niet, wijl het object van haar eigen wetenschap steeds is en blijft: het saamleven van mensch en mensch, niet als aan gril en toeval overgelaten, maar als beheerscht door een gezag, en dus gebonden aan een recht, dat wel door menschen beschreven wordt, maar zijn diepsten grond, en dus zijn bindenden regel, vindt in Hem, die deze menschelijke samenleving schiep, en in die samenleving, om der zonde wil, voor de uitwendige levensverhoudingen, macht op menschen over menschen gelegd heeft.

Uit het bovenstaande volgt, dat de Rechtswetenschap niet |155| alleen ten taak heeft, om licht te ontsteken over de verhouding van Overheid en onderdaan (staatsrecht en strafrecht), over de verhouding van burger tot burger (burgerlijk recht, handelsrecht enz.) en over de verhouding van volk tot volk (volkerenrecht); maar, zelfs eer ze hiertoe voortschrijdt, de idee zelve van het recht heeft te ontwikkelen, zoodat wel vaststa, op welk standpunt ze zich stelt, en naar welke wet de ontwikkeling van het recht moet geleid worden. Ze kan hiertoe niet volstaan met de bestaande rechtsinstituten te onderzoeken, deze met andere te vergelijken, en in hun historische wording na te speuren. Dit toch kan haar nooit verder brengen dan tot de kennis van het formeele recht, terwijl toch het recht eerst dan in zijn majesteit verschijnt, als het zijn onwrikbaar steunpunt in ons psychisch leven verkrijgt, en met noodzakelijkheid voortvloeit, uit wat voor ons diepste levensbesef het hoogste en het heiligste is. De vraag, of men dit hoogste en heiligste in den levenden God aanbidt, of wel ’tzij in de pantheïstische idee, ’tzij in den drang van het natuurlijk leven zoekt, beslist hier natuurlijk voor geheel den gang, dien onze verdere studiën nemen. Maar in elk geval heeft de Rechtswetenschap haar uitgangspunt vast te stellen, haar rechtsidee te omschrijven, en de levenswet van het recht duidelijk te maken. Want wel heeft ze haar gegevens hiervoor aan de Theologie, de Psychologie en de Phosophie in algemeenen zin te ontleenen, maar op haar rust de taak, om door eigen Rechtsphilosophie deze Lehnsätze zelfstandig met het oog op het Recht te verwerken, en organisch tot één geheel, waarin het zelfbewustzijn van het recht spreekt, te vereenigen. De Encyclopaedie der rechtswetenschap heft de noodzakelijkheid van een afzonderlijke beoefening der Rechtsphilosophie niet op. Immers, object van de Encyclopaedie is niet het recht zelf, maar de rechtswetenschap, en al spreekt het nu vanzelf, dat men de Rechtswetenschap niet als organisch geheel uiteen kan zetten, zonder ook op de vraag, naar wat recht is, waaruit het recht geboren wordt, en hoe wij het recht leeren kennen, in te gaan, toch hoort de vaststelling van een en ander niet in de Encyclopaedie thuis, maar wordt ze in de Encyclopaedie als vaststaande |156| aangenomen; en dit juist is alleen mogelijk, zoo de Encyclopaedie in het organisme der Rechtswetenschap ook de Rechtsphilosophie, met haar resultaten, vindt.

Hiermede wordt aan de beteekenis der historische rechtsstudie niet in het minst te kort gedaan. De historische studie strekt toch volstrekt niet alleen, om de bestaande rechtsinstituten in hun oorsprong te verklaren, maar toont tegelijk wel terdege aan, welke vormen de aard onzer menschelijke natuur, in verband met de nationale en klimatische verscheidenheid, aan het recht schonk, en naar welk proces zich deze vormen de ééne uit den andere ontwikkelden. Ook blijkt wel terdege uit deze historische studiën, dat in de ééne ontwikkeling het recht gezonder te voorschijn kwam, en dat in bepaalde kringen de ontwikkeling van het recht een classieke meerderheid vertoonde. Wat we alleen betwisten is, dat hierbij een critiek of ook slechts een oordeel mogelijk is, tenzij er subjectief in den onderzoeker een criticus aanwezig zij, en de macht, die aan het recht zijn klem geeft, vooruit vaststa. Ja, zelfs daar, waar men deze critiek uit beginsel afwijst, en in pantheïstischen zin feitelijk het onderscheid tusschen recht en onrecht opheft, om alleen in het geldende recht, zoolang het standhoudt, recht te zien, steekt reeds hierin een premisse, en schuilt achter die premisse een geheel stelsel, dat geheel onze rechtswetenschap beheerscht. Ook waar men de Rechtsphilosophie elimineert, gaat men toch ongemerkt, edoch dan zonder helder zelfbewustzijn, uit van een uitgangspunt, dat alleen door de Rechtsphilosophie wetenschappelijk kan gerechtvaardigd worden; en juist daarom is de weglating van deze studie in den diepsten grond een oneerlijkheid.

Wat nu de groepeering van de onderscheidene studievakken in deze faculteit betreft, zoo zal wel niemand meer de methode van Kirchner, Akademische Propädeutik, Leipzig, 1842, p. 277, verdedigen, om de bronnenstudie, de hermeneutiek, de critiek en de diplomatiek als exegetische groep voorop te stellen. Dit zijn eenvoudig geen juridische vakken, maar philologische, die hier bijzonder op documenten van juridischen inhoud worden toegepast. De groepeering behoort ook bij deze faculteit het |157| principium divisionis aan haar object te ontleenen, en dit principium kan dus alleen schuilen in de verschillende momenten, waartusschen de rechtsverhoudingen worden waargenomen, t.w. Overheid en onderdaan, volk en volk, burger en burger. De vierde relatie: God en de Overheid, laten we met opzet weg, omdat het recht ook daar zijn loop heeft, waar deze relatie niet erkend, maar zelfs geloochend wordt, en het recht der Overheid op andere wijze verklaard wordt. Juist hieruit echter volgt, dat de drie lijnen der relatiën die we opnoemden, slechts het bijzonder deel in de juridische wetenschap vormen, en dat aan deze drie studin, die samen het bijzonder deel vormen, een algemeen deel over het Recht als zoodanig moet voorafgaan. Dit algemeen deel omvat dan de twee vakken: 1. de philosophie van het Recht en 2. de historie van het Recht; waaraan dan de Encyclopaedie (hoewel, evenals bij de andere faculteiten eigenlijk een philosophische studie), om redenen boven uitvoerig ontwikkeld, op onregelmatige wijze kan worden toegevoegd. Dat ook de drie stukken van het bijzonder deel elk hun eigen historie hebben, is hiermee natuurlijk niet ontkend, maar zoozeer is men overtuigd van den gemeenschappelijken grondtrek, die deze deelen in elke, periode en bij elk volk beheerschte, dat men van Romeinsch recht, Germaansch recht enz. meestal zelfs in algemeenen zin spreekt. Op dit algemeen deel volgt dan het bijzonder deel, dat in drieën uiteengaat: Staatsrecht, Volkerenrecht, Civiel recht, elk met hun hulpwetenschappen. Het Staatsrecht splitst zich dan weer in het Staatsrecht in engeren zin en het Strafrecht, bij welk Strafrecht dan weer de procestheorie als onderdeel komt. Wat men daarentegen voorts als Staatswetenschappen afzonderlijk neemt t.w. de statistiek, de oeconomie, de politiek, de diplomatie, de sociologie enz., zijn al te gader slechts hulpwetenschappen, die strekken, om met name het Staatsrecht, maar ook ten deele het civiele recht niet op den gis te laten rondtasten, maar te doen wandelen bij het volle licht van de kennis der feiten, toestanden en verhoudingen. Het verschil bij vroeger is maar, dat oudtijds het onbewuste leven sterker was, en zoo ook het rechtsbesef, daar de usantie veelszins vanzelf velerlei verhoudingen |158| bepaalde, die thans in ons meer bewust leven eerst als resultaat van onderzoek verkregen worden. Natuurlijk komt het stoffelijk goed hierbij slechts in zooverre in aanmerking, als het onder den mensch gesubsumeerd en hierdoor onder het rechtsbegrip wordt gebracht, of althans op de bepaling der rechtsverhoudingen invloed kan oefenen. De relatie tusschen goud en zilver b.v. zou den jurist op zichzelf volmaakt onverschillig zijn, maar wordt voor hem van gewicht, zoodra de vraag rijst, op welke wijze de Overheid in haar muntstelsel de officieele verhouding tusschen beide te bepalen heeft. In verdere details begeven we ons hier niet. Nader het onderscheiden karakter van het Burgerlijk recht, het handelsrecht, het scheepvaartrecht enz. te ontleden, ligt niet op onzen weg, en dat de proceskunde, de staatkunde enz. minder een wetenschappelijk dan technisch karakter dragen, springt in het oog. Ons was het er alleen om te doen, die zijde van de Rechtswetenschap toe te lichten, waarmee ze organisch geschakeld ligt in het organisme der algemeene wetenschap; en om met name te wijzen op het ten deele gewijd karakter, dat de Juridische wetenschap moet blijven behouden, omdat de Iustitia òf sancta moet blijven, òf ophoudt Iustitia te zijn, en juist hierdoor in onmiddellijk verband staat met de twee groote problemen, hoe het gezag uit God op menschen komt, en of het, al dan niet, alleen uit oorzaak van de zonde op menschen gelegd is.

*

De Natuurkundige faculteit kan vluchtiger besproken. Over het object der natuurkundige wetenschap bestaat slechts één verschil; daaruit voortspruitende, dat de mathematische wetenschappen oorspronkelijk bij de formeele Philosophie werden behandeld, terwijl men er thans meer toe neigt, om ze, als de wetenschappen van de relatiën der physische gegevens, op te nemen bij de natuurkundige wetenschappen. Zij, die deze relatiën voor onwezenlijk houden, of althans ze in hoofdzaak subjectief verklaren, moesten, om consequent te zijn, aan de gewoonte der oude philosophie voorkeur geven, en deze vakken onder de psychische studiën rangschikken. Nu echter het besef |159| steeds algemeener wordt, dat de wetenschap in het algemeen, en dus ook elke bijzondere wetenschap, meer nog in de kennis der relatiën dan in de kennis der momenten, waartusschen die relatiën werken. haar kracht heeft te zoeken, is het niet waarschijnlijk, dat ook ten opzichte van de plaatsing der Mathesis de subjectieve richting nogmaals boven zal komen. Dat ons menschelijk bewustzijn is aangelegd op maat en getal is volkomen waar; anders zou de ijverigste poging ons nooit het begrip van meet- of rekenkunde kunnen aanbrengen. En ook is volkomen waar, dat de wetten, die de combinatie van maten en getallen beheerschen, of wil men de Logica van maat en getal, een aansluiting moeten vinden in ons menschelijk bewustzijn; anders toch zou een abstract wiskunstig of rekenkunstig probleem nooit door ons kunnen worden gesteld of opgelost. Dit echter neemt het feit niet weg, dat het eerst de kosmos buiten ons is, die ons de maat en het getal tot ons bewustzijn brengt. Op grond hiervan schijnt er geen bedenking te bestaan, om de Arithmetica, Algebra en Geometrie als de drie formeele vakken onder de natuurkundige wetenschappen te blijven rangschikken. Voor de materieele vakken daarentegen ligt ook hier het principium divisionis in het object der natuurkundige wetenschap. Dit object klimt van de elementa naturae op tot den kosmos, en volgt bij deze opklimming de scala van de dusgenoemde natuurrijken van onze aarde, en van wat in den kosmos buiten onze aarde physisch werd waargenomen. Eerst krijgt men dus de vakken, die de elementen (zoo de stoffen als de krachten) onderzoeken, en die saam zijn te vatten onder Physica en Chemie. Dan komen de wetenschappen, die zekere groepen van elementen in haar organisch verband onderzoeken, t.w. de Mineralogie, de Botanie en de Zoölogie. Daarna komen de studiën, die zich op onze aarde als zoodanig richten, de Geologie, de Geographie in al haar omvang, en de Meteorologie. Ten slotte volgt de Astronomie; en eindelijk de Kosmologie als samenvatting van het geheel.

Men beelde zich echter niet in, dat deze wetenschappen als zoodanig alle tot de dusgenaamde exacte wetenschappen te rekenen zijn. Van de kosmogonie zal niemand dit kunnen |160| beweren, en reeds de evolutietheorie van Darwin bewijst genoegzaam, dat ook de natuurkunde niet bij de nuchtere resultaten van het wegen, tellen en meten kan blijven staan. De enkele waarneming, van wat men hoort, ziet, proeft en tast, zij het ook met behulp van instrumenteele versterking onzer zintuigen, en onder behoorlijke contrôle, is nog altoos niets meer dan het primitieve uitgangspunt van alle wetenschap en staat formeel met de gewone waarneming op één lijn. Eerst door de ontdekking van de wetten, die in al het bijzondere generale heerschappij oefenen, verheft deze wetenschap zich tot haar tweede stadium, en wordt ze tot machtsoefening over de materie bekwaam. Maar al doet ze op die wijze den dienst, om de heerschappij, die de mensch over al het nevens hem geschapene ontving, op vasten grondslag te vestigen, en al heeft de natuurkundige wetenschap daarom de kostelijke vrucht opgeleverd, dat ze het zelfstandig menschelijk besef verhief, en ons tegenover de stof vrijer maakte, toch is hiermee aan de hoogste wetenschappelijke behoefte nog geenszins voldaan. De denkende geest kan niet rusten, zoolang hij nog niets kent dan de afzonderlijke gegevens en de wet, waardoor die gegevens beheerscht worden. Hij vorscht óók naar het verband tusschen de onderscheidene rijken der natuur, naar het verband tusschen onze aarde en den overigen kosmos, naar het verband tusschen geheel de natuur buiten ons en den mensch, en eindelijk naar den oorsprong èn van die natuur èn van den band, die ons aan haar, tot in ons lichaam verbindt. Hier nu liggen de aanrakingspunten tusschen de Natuurkundige faculteit en de overige faculteiten; en reeds het feit, dat de natuurkundige wetenschap er toe neigt, zichzelve als de eenig ware wetenschap aan te dienen, om den mensch onder de objecten der zoölogie te rangschikken, en het psychische leven materialistisch te verklaren, toont, welk gevaar er in schuilt, zoo men de natuurkundige wetenschap eenvoudig practisch laat voortschrijden, zonder dat ze encyclopaedisch tot zelfbewustzijn geraakt, en zich rekenschap weet te geven van de plaats, die zij in het groot organisme der wetenschap inneemt. Juist echter aan een wetenschappelijke encyclopaedie, dien naam waard, ontbreekt het haar nog ten eenenmale; |161| en eerst als ze hiermee ernst gaat maken, zal de vraag tot beslissing kunnen komen, of ook de Philosophie der natuur niet als culmineerend vak in deze faculteit thuis hoort.

*

Is nu in het bovenstaande het beeld der genoemde vier faculteiten niet geheel onjuist geteekend, dan rijst thans de vraag, of de Theologische faculteit zich hieraan, in organischen samenhang, met een eigen object en in goede coördinatie, aansluit. Zal men hierover tot helderheid komen, dan mag men natuurlijk niet beginnen met het begrip Theologie vlottend te maken. Reeds over de Juridische faculteit wordt alle oordeel glibberig, zoo ge haar de ééne maal als facultas iuris, en de andere maal als facultas societatis, of sociologisch opvat. Maar nog veel minder vindt ge uw uitweg uit het labyrint op Theologisch terrein, zoo ge onder Theologie beurtelings verstaat, wat men er oorspronkelijk mee bedoelde, en dan weer voor dit geijkte begrip een heel ander begrip, b.v. de Godsdienstwetenschap, in de plaats stelt. Nu komt de bespreking van het wezen der Theologie eerst in de volgende afdeeling aan de orde, zoodat we in dit hoofdstuk niet anders kunnen doen, dan het begrip, waarvan we uitgaan, poneeren, daarnaar de Theologische faculteit beoordeelen, en, in historisch verband hiermee, de plaats van de Theologie in het organisme der wetenschap bepalen. Om het belang der zaak doen we dit in een afzonderlijk hoofdstuk.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001