Hoofdstuk IV.

Verdeeling der wetenschap.

17. De organische verdeeling van den wetenschappelijken arbeid.

Eer we in de slotparagraaf van dit hoofdstuk een voorloopig antwoord kunnen vinden op de vraag, of de Theologie al dan niet een noodzakelijk en integreerend deel van het organisme der wetenschap is, moet dit organisme zelf van naderbij bezien. Eerst als de anatomie van dit organisme gelukt is, kan blijken, uit welke deelen het bestaat, en of onder deze deelen ook een wetenschap in den geest, van wat wij Theologie noemen, een eigen plaats inneemt. Natuurlijk zullen we bij het opmaken van deze slotsom moeten uitgaan van een definitie der Theologie, die eerst in het volgend hoofstuk kan worden toegelicht, maar deze hypothetische bewijsvoering is hier, zal de gang van het betoog niet te zeer aan duidelijkheid verliezen, onmisbaar.

Wat nu dit organisme der wetenschap zelf aangaat, zoo kozen we met opzet als titel voor deze de uitdrukking: De organische verdeeling van den wetenschappelijken arbeid. Beschouwt men toch de organische verdeeling der wetenschap zelve, buiten verband met de practijk, dan verkrijgt men niets dan een abstractie, die buiten de geschiedenis en de werkelijkheid omgaat; en zou dus nooit de vraag, of de Theologie een wetenschap in dit wetenschappelijk organisme is, te beantwoorden zijn. Immers Theologie is een historisch-concrete complex, die ons onmiddellijk door de vingers glippen en vervluchtingen zou, zoo wij dien overhaalden in de retort der abstractiën.

Wat nu het organisch karakter der wetenschap aangaat, zoo moet rekening gehouden met drieërlei gegevens: 1. met den organischen samenhang, die tusschen de onderscheidene deelen |133| van het object der wetenschap bestaat; 2. met den organischen samenhang, die bestaat tusschen de verschillende vermogensvan het subject, en de gegevens, die tot wetenschap van het object leiden; en 3. met den organischen samenhang, die als gevolg van 1 en 2 in het resultaat van den wetenschappelijken arbeid moet uitkomen. Het object bestaat organisch; het subject bestaat zelf organisch en staat organisch met het object in verband; en dientengevolge moet dit organisch karakter ook worden teruggevonden, zoodra de kennis van het object door het subject genoegzame volledigheid en juistheid bereikt. De eenheid nu van deze drie spreekt zich historisch uit in den wetenschappelijken arbeid, die niet begonnen is met zich deze onderscheidingen duidelijk te maken, maar aanving in het instinctief geloof aan dezen onderlingen samenhang. De prikkel voor het ondernemen van dezen wetenschappelijken arbeid is niet gegeven door een Academie van Wetenschappen, maar door de ons ingeschapen neiging tot onderzoek. Gelijk een kind zijn speelgoed stuksnijdt en stukbreekt, om te onderzoeken, wat het is, en hoe het in elkaar zit; of ook, buiten zijn speeluren, u overstelpt met vraag op vraag; zoo wordt ook de mensch door eigen aandrift tot onderzoek van den kosmos aangezet. En waar deze weetgierigheid ook bij den volwassene te zeer een spelend vragen zou blijven, komt de behoefte van het leven in dit spelend onderzoek een hoogeren ernst mengen, en wordt eerst hierdoor aan den wettenschappelijken arbeid regel en continuïteit geschonken. Indien ook nu de practische behoefte aan artsen, rechtskundigen, dienaren des Woords, gymnasiaal-leeraren enz. niet voortdurend hare eischen deed gelden, zou het voortbestaan der universiteiten onmiddelijk bedreigd worden. Vielen deze en werd hiermee de levenscarrière gesloten, voor wie zijn leven aan den wetenschappelijken arbeid wenscht toe te wijden, zoo zou alleen een kleine groep van vermogende personen zich de weelde van dezen arbeid veroorloven kunnen. En kromp op die wijze het getal van beoefenaren der wetenschap in, zoo zou hare beoefening tevens lijden onder het allengs verdwijnen van geheel het apparaat, dat thans in bibliotheken, laboratoria, observatoria enz. geboden is. |134| Het vitae non scolae is ook in dien zin waar, dat alleen het leven aan de school levensvatbaarheid geeft.

De ideale voorstelling, alsof de wetenschap ook dan nog zou kunnen bloeien, als ze alleen om haarzelve beoefend werd, rust op zelfmisleiding. Men merkt dit het best aan die bijzondere wetenschappen, wier beoefening niet rechtstreeks door de practische behoefte van het leven gedragen wordt, en wier ontwikkeling dientengevolge vergelijkenderwijs zoo verre ten achter bleef. School nu in die practische behoefte van het leven geen logica, en stond zij buiten verband met het organisch motief der wetenschap zelve, zoo zou deze gebondenheid van de school aan het leven allernoodlottigst zijn, en aan den goeden gang van het wetenschappelijk onderzoek in den weg staan. Dit echter is niet zoo. De practische behoefte van het leven wordt geboren uit de verhouding, waarin het subject tot het object staat, en uit de noodzakelijke wijze, waarop het subject (de menschheid) zich uit zichzelven organisch ontwikkelt. Dat de eischen, die deze practische behoefte doet gelden, niet altoos in juiste volgorde aan het woord komen, en, eerst na veel horten en stooten, een meer normaal karakter aannemen, dient toegegeven; maar de uitkomst toont dan ook, dat de wetenschappelijke arbeid al deze slingeringen heeft meegemaakt, en eerst toen een meer normaal karakter aannam, toen de practische behoefte van het leven zich in duidelijker taal, en dus met helderder zelfbewustzijn, ging uitspreken. Dit nu zou zeer zeker bezwaar hebben opgeleverd, zoo de langzame rijping van dit helder inzicht in de eischen der practische behoefte aan een andere wet ware gebonden geweest dan de wet, waardoor de ontwikkeling van de wetenschap zelve beheerscht werd; maar bracht geen stoornis teweeg, nu beide èn de ontwikkeling dier practische behoefte èn de ontwikkeling van den wetenschappelijken arbeid beheerscht werden door eenzelfde macht, t.w. door het werkelijk bestand en het organisch verband van object en subject. Elke encyclopaedische indeeling der wetenschappen, die iets meer dan proeve van denkgymnastiek wil zijn, zal daarom altoos in hoofdzaak uitgaan van de practische indeeling, die in de faculteiten historisch gegeven is. Niet alsof |135| men die indeeling eenvoudig had te kopieeren, want ook die indeeling, die reeds gestadig zekere wijziging onderging, blijft nog steeds voor wijziging vatbaar; maar ook die toekomstige wijzigingen zullen zich niet abstract naar de eischen van uw schema regelen, maar duurzaam door de practijk beheerscht worden; en dan eerst als uw schematisch inzicht wijziging teweegbracht in den vorm, waarin de practische levensbehoefte zich doet gelden, zou dit inzicht, door het intermediair van het practisch leven, invloed oefenen op de grensbepaling der faculteiten.

Critiek op de indeeling van dien wetenschappelijken arbeid, gelijk die door de indeeling der faculteiten beheerscht wordt, blijft dus alleszins geoorloofd en plichtmatig; maar de encyclopaedische wetenschap blijft niettemin geroepen, om van deze historische indeeling uit te gaan. Ze heeft niet een denkbeeldig organisme der wetenschap te ontleden, maar het lichaam der wetenschap, gelijk zich dit feitelijk en historisch aanbiedt, als punt van uitgang te kiezen; de gedachte op te sporen, die den gang van dezen arbeid geleid heeft; en, met deze leidende gedachten gewapend, critiek te oefenen, op wat bestaat. Ook de Encyclopaedie is geen speculatieve, maar een positieve wetenschap; ze vindt in de feitelijk gegeven ontwikkeling derweten,schap het object van haar onderzoek gereed. Zoolang dit object nog niet tot genoegzame ontwikkeling geraakt was, kwam zelfs de gedachte aan de encyclopaedische wetenschap niet op. Haar beoefening begint eerst, waar de beoefening der wetenschappen tot zekere mate van vastheid is gekomen. Waar nu historisch de Theologie een eigen faculteit in het leven riep en ze in deze faculteit als een complex van studiën voor ons treedt; en het ons uitsluitend te doen is, om tot de beantwoording van de vraag te komen, of de Theologie in het organisme der wetenschappen een eigen plaats inneemt, zou het ons dus niets baten, of we het organisme der wetenschap al in het afgetrokkene schetsten. Dan toch zou èn bij ons èn bij onzen tegenstander deze schets noodzakelijkerwijze beheerscht worden door de sympathie of de antipathie, die men voor de Theologie koesterde. En grond onder |136| de voeten bekomen we slechts dan, zoo we ons niet in speculatieve abstractiën verliezen, maar uitgaan van het historisch verloop, dat de beoefening der wetenschappen onder den invloed van de practische behoefte des levens nam.

Practisch nu zien we, dat de Theologische faculteit de eerste is, die vaster vorm erlangt. Naast haar komt op, en haar volgt onmiddellijk op den voet, de juridische faculteit. En naast deze beide verrijst, hoewel langzaam, als derde zelfstandige faculteit de medische. Want wel vindt de dusgenaamde philosophische faculteit reeds haar voorloopers in de Artisten; maar het duurt zeer lang, eer deze het louter propaedeutisch karakter, dat hun studie aanvankelijk droeg, teboven komen. Eerst van lieverlede treedt de facultas literaria, al dan niet gescheiden van de faculteit der natuurkunde, naast de vier eerstgenoemde als evenknie op. Geestelijken, juristen en artsen waren heel het land door noodig, een literator en natuurkundige kon slechts aan enkele scholen een plaats vinden. Tegen honderd jonge mannen, die in de drie eerste faculteiten studeerden, waren er geen vijf, die in de letterkundige of natuurkundige studie een carrière vonden. En dit was oorzaak, dat langen tijd de drie eerste faculteiten als hoofdfaculteit golden, terwijl de studiën der Artisten en Physici meer hulpdienst deden, om voor de hoofdfaculteiten voor te bereiden. Niet de zelfstandige beoefening van Letteren of Natuurkunde, maar de propaedeuse was hoofdzaak. Hieruit moet het dan ook verklaard, dat aan zoo menige universiteit de studie der Letteren en der Natuurkunde nog altoos in eenzelfde faculteit gemengd bleef. Ten onzent is de onhoudbaarheid van deze bijeenvoeging sinds lang ingezien, en heeft men de Letterkundige en Natuurkundige faculteiten elk afzonderlijk laten optreden; en dat ze elders nog gemengd blijven, is eenvoudig het gevolg van het gemeenschappelijk propaedeutisch karakter, waarin vroeger haar reden van bestaan werd gezocht. Toch heeft de practische levensbehoefte, om de kennis der natuur te verbreeden, feitelijk reeds meer dan een eeuw op overtuigende wijze het zelfstandig karakter der natuurwetenschappen doen uitkomen, en juist dit losweeken van de natuurkundige studiën heeft ook bij de literarische studiën het besef van eigen zelfstandigheid |137| gewekt. Vooral het verschil in methode tusschen beide soort wetenschappen sprak te sterk, om het auxiliair karakter der letterkundige studiën te laten voortduren. Dit laatste proces van de zelfstandigmaking der letterkundige faculteit is echter nog zoo weinig afgeloopen, dat er nog zelfs geen communis opinio over de eenheid van materie, of wilt ge, over het eigenlijke object van deze groep van wetenschappen verkregen is. De philologische, historische en philosophische studin zoeken nog naar haar organische eenheid. Doch in elk geval schijnt te kunnen worden aangenomen, dat de cyclus der studiën in den kring dezer vijf faculteiten rond zal loopen. Al is toch zekere neiging te bespeuren, om de Theologische faculteit te laten uitsterven, of wel haar feitelijk door een faculteit van de Philosophie te vervangen, eenigszins ernstigen aandrang om het geheel der faculteiten tot boven de vijf uit te breiden, ontwaart men niet, en het is nauwlijks denkbaar, hoe de practische behoefte van het leven ooit vermeerdering van dit aantal wettigen zou. Niet toch het kleiner of grooter aantal studievakken, noch ook het geringer of uitgebreider aantal der hoogleeraren, maar alleen de combinatie van vakken, die door de practische opleiding geëischt wordt, beslist ten slotte over het aantal en de indeeling der faculteiten.

Hiermee is intusschen volstrekt niet beweerd, dat de beoefening der wetenschap, en in verband hiermee het universitaire leven, uitsluitend de practische opleiding zou moeten bedoelen. Integendeel, de beoefening der wetenschap om haarzelve blijft het ideaal, dat nooit mag losgelaten. Slechts wordt uitgesproken, dat de weg, die naar dit ideaal toeleidt, niet door lucht en wolken, maar door het practische leven loopt. Een wetenschap, die zich in speculatie en abstractie verliest, bereikt haar ideaal nooit, maar zinkt in; en alleen dan zal men het hooge ideaal der wetenschap feitelijk nader komen, als de dorst naar en de behoefte aan dit ideaal sterker in het menschelijk leven gaat spreken, en dus de practische behoefte er aan door het leven geprikkeld wordt. Naarmate de overgang uit het onbewuste leven in het bewuste leven voortschrijdt, klimt vanzelf de aandrang, die uit de maatschappij opkomt, om zich van alle moment en |138| alle relatie rekenschap te geven, en het is, dank zij dezen aandrang, dat de beoefening van de wetenschap om haarzelve veld wint.

In verband hiermee is het opmerkelijk, hoe de drie oorspronkelijke hoofdfaculteiten uit den nood, d.i. ter afwending van een hinderlijk kwaad, geboren zijn. Het sterkst treedt dit aan het licht bij de medische faculteit, die thans nog in haar naam, en ten deele zelfs in haar practijk, dit negatieve karakter vertoont. Ze heet toch niet somatische faculteit, om uit te drukken, dat het voorwerp van haar studie in het menschelijk lichaam is geboden; noch ook hygiënische faculteit, om uit te drukken, dat zij de gezondheid tot object koos; maar medische, een naam waardoor als haar object eigenlijk alleen het kranke lichaam wordt aangewezen. Dit nu is in overeenstemming met de aandacht, die men in het werkelijke leven aan zijn lichaam schenkt. Zoolang men gezond is en niets,voelt, vraagt men niet naar de ligging der deelen en de werking der factoren in zijn lichaam; en eerst als men pijn voelt en onwel wordt, neemt de bemoeiing met het lichaam een aanvang. Gelijke opmerking nu geldt voor de juridische faculteit. Als er geen kwaad in de wereld was, zou er geen Overheid zijn, en het is om het bestaande kwaad, dat de Overheid optrad, dat de rechter recht spreekt, en dat het vaststellen van rechtsbepalingen geboden werd. Niet om het recht als zoodanig te bestudeeren, maar om temidden eener zondige maatschappij een geordende menschelijke samenleving mogelijk te maken, toog de jurisprudentie aan den arbeid, en om mannen op te leiden, die als staatslieden en rechters de maatschappij leiden konden, trad de juridische faculteit in het leven. En ditzelfde nu geldt, hoewel niet in zoo volstrekten zin, ook van de Theologische faculteit. Omdat er redding voor den zondaar, en een geestelijk voorbehoedmiddel tegen de fatale werking der boosheid, onmisbaar bleek, moest de wet Gods, de schrik van het oordeel en de redding in Christus in de maatschappij worden ingedragen. Evenzoo derhalve een medische bedoeling, maar in de Theologische faculteit psychisch, gelijk ze somatisch was bij de alzoo genoemde medische faculteit. |139| Want al moet erkend, dat de Theologische faculteit van den aanvang af niet uitsluitend soteriologisch optrad, maar integendeel ook thetisch kennisse Gods zocht aan te kweeken, toch is de behoefte aan de opleiding van geestelijken, en daarmee de bloei dezer faculteit in de eerste plaats te danken aan het feit, dat er allerwegen mannen noodig waren, die als medicijnmeesters tegen de zonde en haar gevolgen konden optreden. Het is dus feitelijk de worsteling tegen het kwaad, in het lichaam, in de maatschappij en in de ziel, waaruit de aandrift voor deze drie groepen van wetenschappen, de behoefte aan geheel een schaar van mannen, om tegen dit kwaad te strijden, en dienvolgens de noodzakelijkheid voor het optreden van deze drie faculteiten geboren is. Ze droegen alle drie oorspronkelijk een militant karakter. Dit nu geldt niet van de Artisten, noch ook van de later uit hun kring gevormde Letterkundige en Natuurkundige faculteiten. Bij deze studiën was het veel meer rechtstreeks om positieve kennis te doen, ook al dient erkend, dat deze kennis slechts zeer zelden om haarzelve, en veel meer uit utiliteit, werd nagestreefd. Men studeerde natuurkunde en letteren om jurist, medicus en theoloog te kunnen worden, of ook om macht over de natuur te erlangen. Maar met dit voorbehoud blijkt dan toch, dat deze aanvankelijk ondergeschikte faculteiten van meet af nader aan het wetenschappelijk ideaal stonden, en formeel hooger standpunt innamen.

Vraagt men nu, door welke onderscheidingen deze feitelijke indeeling van den wetenschappelijken arbeid beheerscht is, dan blijkt terstond, dat de aandacht van den denkenden geest zich afzonderlijk gericht heeft op den mensch en op de natuur, die hem omringt; dat de mensch, voor wat zijn eigen wezen aangaat, zich onderscheidenlijk met zijn somatisch, onderscheidenlijk met zijn psychisch, en onderscheidenlijk met zijn sociaal bestaan bezig hield; en dat hij, eer zelfs nog dan op deze vier groepen van wetenschappen, zijn oogmerk afzonderlijk richtte op de kennisse Gods. De juistheid van deze uit de practijk ontstane indeeling springt in het oog. Principium divisionis is het subject der wetenschap, d.i. nqrwpov. Dit nu leidt tot de coördinatie |140| van den mensch zelven, met de natuur, die hij beheerscht, en met zijn God, door wien hij zich beheerscht gevoelt. En het is deze trilogie, die doorkruist wordt door een andere driedeeling, die „den mensch” qua talis betreft, t.w. de onderscheiding tusschen den éénen mensch en de vele menschen, en daarnaast de tegenstelling tusschen zijn somatisch en psychisch bestaan. Zoo kwam dus het subject er toe, om in de Theologische faculteit de kennisse Gods te onderzoeken, en in de Natuurkundige faculteit naar de kennisse der natuur te staan. Voorts om naar het somatisch bestaan van den mensch onderzoek te doen in de Medische, naar zijn psychisch bestaan in de Philologische; en eindelijk om in de Juridische faculteit alle studiën saam te vatten, die zich richten op de verhouding van mensch tot mensch. Want wel staat de grensbepaling tusschen deze provinciae scientiarum nergens in volstrekten zin vast, en ligt er tusschen elke twee faculteiten altoos een min of meer betwist gebied; maar dit kan niet anders, omdat de deelen van het object der wetenschap organisch samenhangen, en evenzoo de reflex van dit object in het bewustzijn van het subject een organisch karakter vertoont.

Ware de wetenschap begonnen met een schema voor de verdeeling van den arbeid te ontwerpen, dan zou dit betwiste grensgebied der faculteiten behoorlijk zijn ingedeeld geworden. Nu daarentegen èn de wetenschap èn de indeeling der faculteiten een product van het organisch levensproces was, kon het niet anders, of de onzekerheid op de grenzen, die het kenmerk van alle organische indeeling is, moest zich ook hier vertoonen. Moet de Medische faculteit ter wille van de psychiatrie en van de psychische invloeden op het lichaam ook zelve psychologie doceeren? Behoort de philosophie van de Natuur en van het Recht thuis in de Philologische, of in de Physische en Juridische faculteit? Is de plaats van het Kerkrecht in de Theologische of in de Juridische faculteit, die er als Decretorum facultas zelf uit ontstond, en er in den titel van iuris utriusque doctor nog lange jaten pretentie op maakte? Vragen, nog met vele andere te vermeerderen, doch die alle practisch zulk een oplossing ontvingen, |141| als natuurlijk door de zelfbewuste wetenschap in haar Encyclopaedie beoordeeld moet worden, maar die bij nader onderzoek toch steeds meer eerbied afdwingt voor de juistheid, waarmee de practijk beslist heeft. De Encyclopaedie der wetenschappen gaat dan ook veiligst, zoo ze dit historisch, door de practijk getrokken, spoor niet verlaat. Een speculatief schema, waarin de organisch-genetische samenhang der wetenschappen op geheel andere leest geschoeid werd, zou bijna geen andere waarde hebben, dan om ons de vindingrijkheid van den schrijver te doen bewonderen. Zoodoende toch zou men allerlei titels van vakken verkrijgen waar eenvoudig geen vakken van studie voor bestonden. Gelijk uit ons overzicht van de historie der theologische Encyclopaedie blijkt, heeft men zulke speculatiën ook aan de studie der Theologie niet gespaard, en allerlei loketten voor nieuwe, denkbeeldige vakken klaar gemaakt; maar inmiddels is de practijk rustig haar gang gegaan, en de wezenlijke studie heeft zich bij dit practisch kader het best bevonden. Dit zou niet zoo zijn, indien het object en het subject der wetenschap, en evenzoo de ontwikkeling van het leven en van het levensbewustzijn, in geen noodzakelijk verband met elkander stonden; maar nu dit alzijdig verband onloochenbaar is, en het proces van de wetenschap en het proces van het leven zelf, in gestadige wisselwerking tredende, bijna altoos gelijken tred houden, biedt de practijk der historie een niet geringen objectieven waarborg van juistheid. Er is een macht, die den gang van ons levensproces, en er is evenzoo een macht, die den gang van het proces der wetenschap beheerscht. Die heerschappij berust niet in de hand van eenig individu, maar voor het leven en voor de wetenschap beide in de hand van een Geest, die boven alle individuen staat; en wijl nu die macht op beide terreinen, zoo op dat van het leven als van de wetenschap, door éénzelfden Geest wordt uitgeoefend, komt ongemerkt en vanzelf uit de practijk der historie de juiste idee van het organisme der wetenschap, zij het ook slechts van lieverlee en niet zonder horten en stooten, aan het licht.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001