15. Proces der wetenschap.

Onze stelling, dat er tweeërlei wetenschap bestaat, is uiteraard slechts de accommodatie aan een spraakgebruik. Nooit toch mogen beide wetenschappen met elkander gecoördineerd worden. Er kan rechtens voor niemands overtuiging meer dan ééne wetenschap bestaan, en wat daarnaast of daartegenover zich als wetenschap aandient, kan in absoluten zin nooit door hem als zoodanig worden erkend. Zoodra de denker der palingenesie toegekomen is aan het punt op den weg, waar de denker van het naturalisme zijns weegs gaat, houdt diens wetenschap op iets anders dan yeudnumov gnsiv voor hem te zijn. Juist zooals de naturalistische denker den naam van wetenschap moet betwisten, aan wat de beoefenaar der sofa to qeo uit zijn premissen afleidt. Wat buiten het gebied van deze uiteenloopende premissen ligt, is voor beiden gemeenschappelijk, maar wat rechtstreeks of zijdelings door die premissen beheerscht wordt, komt voor den één geheel anders dan voor den ander te staan. Altoos zoo natuurlijk, dat slechts één van beiden gelijk heeft en de wezenlijke realiteit grijpt; maar zonder dat ze elkander over en weer van ongelijk overtuigen kunnen. Wel komt eens de beslissing tusschen beiden, maar eerst met de suntleia tn anwn kan die beslissing intreden. Want al dient toegegeven, dat reeds nu niet zelden in wat men het moreel en sociaal „Bankerott der Wissenschaft” noemt, ten deele proef op de tweeërlei som geleverd wordt; en al is het even duidelijk, dat voor elk onderzoeker persoonlijk de beslissing bij zijn dood komt; toch verandert dit niets aan het |126| feit, dat de tweeërlei wetenschap met noodzakelijkheid aan haar tweeërlei draad blijft voortspinnen, zoolang de tegenstelling tusschen het naturalisme en de palingenesie aanhoudt; en juist aan deze tegenstelling zal eerst de parousie een einde maken of . . . dit einde komt nooit.

Erkenning is daarom wederzijds slechts formeel mogelijk. Dat men toch over en weder dankbaar al zulke resultaten van onderzoek overneemt, die buiten het geding liggen, is geen erkenning, maar alleen saam oogsten op den gemeenschappelijken akker. Zoodra daarentegen de tegenstelling tusschen onze menschelijke persoonlijkheid, gelijk die in de zondige natuur uitkomt en door de palingenesie veranderd wordt, het onderzoek en de bewijsvoering beheerscht, staat men exclusief tegenover elkander en moet de één leugen heeten, wat voor den ander als waarheid geldt. Slechts formeel kan men dan toegeven, gelijk wij onzerzijds dit zonder voorbehoud doen, dat de wetenschappelijke aandrift, ook bij de ernstigste bedoeling, op het standpunt van den tegenstander tot geen andere beoefening der wetenschap kon leiden, en dat derhalve, ook al moeten zijn resultaten verworpen, toch zijn formeele bezigheid en zijn ernstige bedoeling aanspraak hebben op waardeering. Dat men van de overzijde ons die waardeering nog meest onthoudt, moet hoofdzakelijk daaruit verklaard, dat men zich, op het standpunt der palingenesie staande, zeer wel verplaatsen kan op het standpunt der onherborene natuur, maar dat wie de gevallen natuur voor de normale aanziet, zich zelfs in de mogelijkheid eener palingenesie niet in kan denken. Dit leidt er dan toe, dat men elk wetenschappelijk pogen, dat van het beginsel der palingenesie uitgaat, òf uit dweepzucht verklaart, òf toeschrijft aan motieven van eerzucht en baatzucht.

Juist daarom echter is het dringend noodzakelijk, de valsche voorstelling te bestrijden, alsof de wetenschap, die uit het beginsel der palingenesie leeft, elk organisch proces zou missen, en slechts bestaan zou in het schematisch toepassen van enkele dogmata op de onderscheidene problemen, die zich voordoen. Zulk eene voorstelling ware in strijd met het begrip zelf van wetenschap, en wordt door de ervaring weersproken. Immers, onder de beoefenaren |127| der wetenschap, die uit het beginsel der palingenesie opereert, heerscht, evenals bij de andere, zeer uiteenlooperid verschil van inzicht, en vormen zich allerlei richtingen en scholen. Er is dus niet een organisch, veelvormig proces der wetenschap bij de naturalisten, en een schematische, dorre eentonigheid bij de mannen der palingenesie; maar de roeping der wetenschap, om, door alle slingeringen der subjectiviteit henen, te streven naar een objectieve eenheid van resultaat, die uit de veelvormigheid geboren wordt, is gemeen aan beiden.

Voor beiden is en blijft het generale subject der wetenschap niet het ik van den enkelen onderzoeker, maar de geest der menschheid. Doch óók geldt voor beiden de regel, dat de geest der menschheid niet dan door het subject van de individueele onderzoekers werkt, en dat deze, naar verschil van aanleg en levensmilieu en tijd, elk slechts een zeer geringe en beperkte, een zeer subjectief getinte en eenzijdig voorgestelde bijdrage voor den finalen oogst der wetenschap leveren kunnen. Deze veelzijdige varieteit geeft dan den oorsprong aan allerlei tegenstellingen en contradictoire voorstellingen, die zich allengs voor een tijdlang in onderscheidene richtingen en scholen vastzetten, om na verloop van zekeren tijd weer door andere tegenstellingen vervangen te worden, waaruit dan nieuwe richtingen en scholen geboren worden. Zoo is er rustelooze wrijving, bestendige gisting, en onder dit alles volkomen vrije ontwikkeling, niet anders gebonden dan aan haar uitgangspunt, ’t zij in de onherboren, ’t zij in de herboren menschelijke natuur. Men wane dus in het minst niet, dat de Christelijke wetenschap, zoo we de wetenschap, die de palingenesie tot uitgangspunt heeft, kortweg zoo noemen mogen, terstond en bij al haar onderzoekers tot geheel overeenstemmende en gelijkluidende resultaten zal leiden. Dit kan niet, omdat ook bij den wedergeborene het verschil van subjectieven aanleg, van levensmilieu en van de eeuw, waarin men leeft, bestaan blijft. En kan evenmin, omdat de Christelijke wetenschap geen wetenschap zijn zou, indien ze niet een proces doorliep, van minder tot meer voortschreed, en, behoudens de gebondenheid aan haar uitgangspunt, niet vrij in haar onderzoek was. Hetgeen de beoefenaar |128| der Christelijke wetenschap als uitgangspunt bezit, is voor hem zoomin als voor den naturalist ooit resultaat van wetenschap; maar wat voor hem resultaat van wetenschap zal zijn, moet evenals bij den naturalist door onderzoek en bewijsvoering door hem verworven zijn.

*

Slechts houde men wel in het oog, dat lang niet elke subjectieve voorstelling, die zich voor wetenschappelijk uitgeeft, daarom een schakel vormt in het ontwikkelingsproces der wetenschap. Het subjectieve element draagt zeker van de ééne zijde een noodzakelijk, maar ook slechts al te dikwijls een bloot toevallig of zelfs zondig karakter. Er is in den geest der menschheid een pluriformiteit, waarvan geen enkel element voor de volle harmonie kan gemist worden; maar er is ook een valsch subjectivisme, dat, in plaats van de enkele tonen voor het volle akkoord te doen ruischen, dit akkoord door wanklanken verstoort. Dit valsche subjectivisme te overwinnen, en deze wanklanken tot zwijgen te brengen, behoort tot het niet minst gewichtig deel van de taak der wetenschap. Hoezeer nu echter dit valsche subjectivisme ook op het erf der Christelijke wetenschap, evengoed als op dat der naturalistische wetenschap, woekert, mag toch geconstateerd, dat deze woekerplant bij de Christelijke wetenschap niet tot gelijke krachtsontwikkeling komt. De palingenesie neemt veel uit ’s menschen geest weg, waarop anders deze woekerplant teert, en de fwtismv, die zich uit de wedergeboorte ontwikkelt, legt aan dit valsche subjectivisme een heilzamen teugel aan. Maar toch, ontbreken zal deze woekerplant ook op het erf der Christelijke wetenschap nooit, om de eenvoudige reden, dat de palingenesie de nawerking van de onherboren natuur niet volstrekt opheft. Ook de Christelijke wetenschap heeft deswege de roeping dit valsche subjectivisme te keer te gaan, mits door wetenschappelijke bestrijding.

Voor zoover daarentegen dit subjectieve element op noodzakelijke wijze samenhangt met de pluriformiteit van alle menschelijk leven, zal de hieruit geboren verscheidenheid zich dáárom bij de |129| Christelijke wetenschap eer sterker dan zwakker openbaren, omdat juist de palingenesie deze subjectieve verscheidenheid tot haar recht doet komen, en niet, gelijk het naturalisme, doodt. Van de eerste eeuwen der Christelijke religie af, hebben op het erf der Christelijke wetenschap deze tegenstellingen, en de daaruit geboren richtingen, dan ook een veel vaster en concreter vorm aangenomen, vooral waar ze met de kerkelijke onderscheidingen parallel liepen. Toch kunnen ook op het terrein der Christelijke wetenschap deze onderscheidene richtingen nooit volstaan met te verwijzen naar de kerkelijke basis van operatie, die haar meerdere duurzaamheid schonk. Steeds heeft elke richting haar eigen beweringen tegenover die der andere richtingen wetenschappelijk te verdedigen. Zelfs kan men zeggen, dat deze wetenschappelijke arbeid de geestelijke gemeenschap onderhoudt tusschen hen, die kerkelijk gescheiden, en van elkander vervreemd zijn. En werpt men hiertegen in, dat toch de beoefenaars dezer wetenschap vaak tegenover elkander een houding aannamen, als waren zij zelven alleen in het bezit der absolute waarheid, zoo zij hiertegen drieërlei opgemerkt. Vooreerst, dat de beoefenaars der naturalistische wetenschap op hun terrein vaak precies hetzelfde doen. Ook bij hen staat vaak de ééne school tegenover de andere met de pretentie van absolute waarheid te verkondigen. Ten tweede dient hier wel onderscheiden, tusschen hetgeen de beoefenaar der Christelijke wetenschap als lid van zijn kerk belijdt, en hetgeen hij aanbiedt als resultaat van zijn wetenschappelijk onderzoek. Maar ook, ten derde, eischt het idealisme in de wetenschap, dat elk man van overtuiging vastelijk geloove, dat ieder ander onderzoeker, mits zijn ontwikkeling normaal ware, tot gelijk resultaat zou moeten komen als hij. Wie dit niet aandurft, kan niet zeggen, dat hijzelf het resultaat van zijn eigen onderzoek voor waar houdt; hij wordt scepticist. Wie voor zijn eigen besef niet uit zijn subjectiviteit is uitgetreden om het eeuwig ware te grijpen, bezit geen overtuiging. En al is het nu volkomen waar, dat toch de historie duidelijk toont, hoe zelfs de rijpste en edelste overtuiging nooit aan de eenzijdigheid van eigen subjectiviteit ontkomen is, toch verloochent zich nimmer de onuitroeibare aandrift onzer |130| menschelijke natuur, om waarheid te zien, in wat ze als waarheid voor zichzelve gegrepen heeft.

Het resultaat, waartoe we komen, is derhalve, dat het in onze natuur zich openbarende streven, om door onderzoek en bewijsvoering tot wetenschappelijke kennis van den kosmos te geraken, altoos gebonden blijft aan de premissen in onze natuur, vanwaar dit streven uitgaat. Dat uit dien hoofde dit streven tot een gemeenschappelijke beoefening der wetenschap leidt, voor zoover die premissen gelijk blijven; maar uiteen moet gaan, zoodra de tweesprong bereikt wordt, waar de verandering, door de palingenesie in deze premissen teweeggebracht, op het onderzoek invloed gaat oefenen. Dat er voor dit gedeelte van het onderzoek dus tweeërlei beoefening van de wetenschap evenwijdig loopt, eenerzijds eene, die wel, en anderzijds eene, die niet door het feit der palingenesie beheerscht wordt. Dat hierbij zoowel zij, die de wetenschap onder den invloed der palingenesie beoefenen, als zij, die haar werking buiten rekening laten, over en weder alleen voor waar kunnen houden, wat op hun eigen premissen rust, en alzoo slechts formeel elkanders studie waardeeren kunnen. Dat overigens bij beide, zoowel bij de Christelijke als bij de naturalistische wetenschap, alleen datgene wetenschappelijk vaststaat, wat zij, uitgaande van haar eigen premissen, als resultaat van wetenschappelijk onderzoek vond. Dat dientengevolge bij beide beoefeningen der wetenschap zich allerlei tegenstelling, allerlei richting en allerlei school zal openbaren, en dat beiderzijds de wetenschap alleen door dit proces voortschrijdt. En eindelijk dat, waar bij beide de invloed van het subjectieve element door verschil van aanleg, levensmilieu, geestesrichting en tijd zich gelden doet, een iegelijk onderzoeker zijn eigen resultaat van wetenschap voor in vollen zin waar houdt; hierbij uitgaande van de overtuiging, dat elk normaal onderzoeker, zoo hij zich bij zijn onderzoek wel aanstelt, zal komen tot gelijk resultaat als hij.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001