14. Tweeërlei wetenschap.

Onder tweeërlei wetenschap mag niet worden verstaan, dat tegelijk tweeërlei principieel onderscheiden voorstelling van den kosmos met gelijken rechte stand zoude kunnen houden. De waarheid is één, en deswege kan ook de wetenschap, voor zooverre ge hieronder het in ons menschelijk bewustzijn gereflecteerde object verstaat, slechts één wezen. Vat ge dus wetenschap op als het gesystematiseerde resultaat van uw waarnemen, gewaarworden en denken, dan moge er gradueel, maar kan er geen principieel verschil in de uitkomst van uw onderzoek bestaan. Staat dus het resultaat van A contrair tegen het resultaat van B over, dan is òf één van beiden, of zijn beiden op het pad der wetenschap uitgegleden, maar in geen geval kan beider resultaat tegelijk en met gelijk recht waar zijn. Doch dit bedoelt ons spreken van |103| tweeërlei wetenschap dan ook niet. Bedoeld is hiermede, dat beide deelen der menschheid, zoowel het door palingenesie bewerkte, als het van palingenesie verstokene, de aandrift in zich gevoelen, om het object te onderzoeken, om dit te doen op wetenschappelijke wijze, en alzoo tot een wetenschappelijke systematiseering van het bestaande te geraken. Beider streven en actie dragen dus eenzelfde karakter; ze worden beide gedreven door eenzelfde doel; beide wijden hun kracht aan eenzelfde soort bezigheid; en deze soort bezigheid heet beide maal: de beoefening der wetenschap. Maar hoezeer nu ook beide formeel hetzelfde doen, loopt toch beider bezigheid uiteen, omdat ze andere uitgangspunten hebben; als anders van aard tot dezen arbeid toetreden; en alzoo de dingen op andere wijze zien. Omdat ze zelve anders bestaan, bestaan de dingen voor hen anders. Dit nu maakt, dat ze niet aan de verschillende deelen van eenzelfde huis bouwen, maar elk een eigen huis optrekken. Niet alsof hierbij een bestaand plan, conventie of overleg den regel zou aangeven. Dit geschiedt zoomin in den éénen als in den anderen kring. Geslacht na geslacht bouwt in eeuw na eeuw, in allerlei land en onder allerlei volk, aan dit huis der wetenschap, zonder afspraak en zonder architectonisch bestek, en het is een geheimzinnige macht, die teweeg brengt, dat toch uit dezen sporadischen arbeid één geheel voltooid wordt. Een ieder legt voor dit gebouw zijn steentje op de muren, en in die muren op de rechte plaats, zonder het zelf te weten of te bedoelen. Maar ook bij afwezigheid van alle architectonisch inzicht wordt er toch gebouwd, en het huis komt er, ook al zal het nooit geheel voltooid zijn. Doch dit doen beide, zoowel de door palingenesie omgezette, als zij die bleven, wat zij waren. Al deze studie, zoo in den éénen als in den anderen kring, sticht, bouwt, en draagt bij tot het doen verrijzen van een geheel. Alleen maar, en dit is het, waarop we nadruk leggen, deze beide soort menschen wijden hun tijd en hun kracht aan de optrekking van twee verschillende gebouwen, die elk bedoelen een volledig gebouw der wetenschap te zijn. Vraagt ge nu echter aan den één, of het gebouw, waaraan de ander arbeidt, ons metterdaad op wetenschappelijk gebied levert, wat we hebben moeten, dan natuurlijk |104| zal grosso modo elk hunner, over en weer, den hoogen edelen naam van de wetenschap alleen voor zichzelven opeischen, en aan den ander betwisten.

Dit moet zoo, dit kan niet anders. Immers, erkende men ook dat andere als ware wetenschap, dan zou men het ook zelf aanvaarden moeten. Ge kunt niet iets voor wetenschappelijk goud verklaren en het toch verwerpen. Het recht, om iets te verwerpen, ontleent ge alleen aan uw overtuiging, dat iets geen waarheid zij; en omgekeerd uw overtuiging, dat het waarheid is, dwingt u het zelf te aanvaarden. Die tweeërlei stroom van wetenschap, die in gescheiden bedding zich voortbeweegt, heft dus in beginsel de eenheid der wetenschap in het minst niet op. Dit kan niet, dit ware volstrekt ondenkbaar. Slechts wordt uitgesproken, dat beide groepen formeel wetenschappelijken arbeid verrichten; en in zooverre erkennen ze over en weer elkanders wetenschappelijk karakter, op gelijke manier als twee over elkander staande legers over en weder in elkander de krijgsmanseer en den militairen adel waardeeren kunnen. Maar toegekomen aan hun resultaat, kunnen ze zich niet verhelen, dat die resultaten veelszins strijdig zijn en geheel uiteenloopen; en voor zooverre dit nu het geval is, loochent natuurlijk elke groep, door wat ze zelve poneert, al hetgeen de andere groep hier tegenover stelt.

*

Dit nu zou, in alle Christelijke landen althans, terstond en duidelijk zijn uitgekomen, indien de ontwikkeling van beide groepen zich van meet af zuiver binnen eigen, wel afgepaalde grenzen bewogen had. Maar dit was niet het geval en kon het niet zijn. Dit kon reeds aanstonds niet, omdat er een zeer breed terrein van onderzoek is, waarop het verschil tusschen beide groepen geen invloed oefent. Immers de palingenesie verandert in deze bedeeling niets aan de zintuigen, noch ook aan de plastische conceptie der zichtbare dingen. Geheel het gebied van de meer primitieve waarneming, die zich tot meten, wegen en tellen bepaalt, is dus aan beide gemeen. Het geheele empirisch onderzoek der door onze zintuigen (gewapend of ongewapend) |105| waarneembare dingen valt buiten het verschil, dat beide groepen principieel uiteen doet gaan. Hiermee is nog volstrekt niet gezegd, dat de natuurkundige wetenschappen, als zoodanig en in haar geheel, buiten het verschil zouden vallen, maar wel dat het verschil, dat beide groepen scheidt, niet van invloed is op datgene, waarmede het onderzoek bij deze wetenschappen aanvangt. Of iets twee of drie milligrammen weegt, is absoluut, voor al wie wegen kan, uit te maken. Begaat men nu de fout van te wanen, dat de natuurkundige wetenschappen in dit eerste en laagste deel van haar onderzoek geheel opgaan, dan natuurlijk komt men tot de geheel onjuiste conclusie, dat deze wetenschappen, als zoodanig, buiten het verschil vallen. Maar even onjuist als dit geoordeeld ware, evenmin mag men, om toch maar het verschil te accentueeren, het absoluut karakter van de zintuigelijke waarneming loochenen. Ieder, wie ook, die iets, wat het zij, op het gebied der zichtbare dingen met volkomen juistheid waarnam en constateeren kon, diende daarmede beide groepen. Aan dit voor alle mensch en voor altoos geldend karakter van deze constateering danken de natuurkundige wetenschappen dan ook haar roep van zekerheid, en, overmits ons practisch zeer veel aan de beheersching van de stof gelegen is, haar waardeering en overschatting. Ter juistere bepaling van ons oordeel, mocht daarom hier de opmerking niet achterwege blijven, dat deze constateeringen en de macht, die ze ons over de natuur geven, hoe rijk ook in practische vrucht, toch altoos op de scala van het wetenschappelijk onderzoek geheel onderaan staan, en zoo weinig een hoog wetenschappelijk karakter dragen, dat ze veeleer formeel geheel gelijk staan met de kennis van den landman, die leerde inzien, hoe het land moet bebouwd en hoe deugdelijk vee kan gefokt worden. Want wel is de waarneming in het laboratorium veel fijner, en de arbeid van het nadenken veel meer inspannend, en de vindingrijkheid veel bewonderenswaardiger, edoch, dit alles geeft nog slechts een gradueel onderscheid; in beginsel blijft de empirische kennis van den landman en de empirische kennis van onze natuurkundigen één. Doch al is het zaak, de beteekenis van hetgeen in de resultaten der natuurkundige studiën absoluut vaststaat, aldus |106| tot haar juiste evenredigheden terug te brengen, toch dient dankbaar erkend, dat in het lagere deel dezer studiën een gemeenschappelijk terrein geboden is, waarop het verschil van uitgangspunt en standpunt zich niet laat gelden.

Niet alleen echter bij de natuurkundige wetenschappen, maar ook wel terdege bij de geestelijke wetenschappen opent zich zulk een gemeenschappelijk gebied. Dit ligt aan de gemengd psychisch-somatische natuur van den mensch. Gevolg hiervan is toch, dat ook het object der geestelijke wetenschappen tot op zekere hoogte neigt om zich in het somatische te uiten. Denk slechts aan den lgov, die, zelf psychisch van aard, zich in de taal zijn sma schept. Dit nu brengt teweeg, dat het onderzoek bij de geestelijke wetenschappen zich ook, ten deele althans, bezighoudt met de constateering van uitwendig waarneembare feiten. Zoo is het in de Historie, wier beenderengestel, als we ons zoo mogen uitdrukken, geheel uit gebeurtenissen en feiten bestaat, waarvan het juist verhaal rusten moet op het onderzoek van allerlei tastbare bescheiden. Zoo is het met de studie der Taal, die beginnen moet met klanken, woorden en vormen in hun bestand en historische ontwikkeling uit allerlei bescheiden en allerlei waarneming, met oog en oor, vast te stellen. Ja, zoo is het met schier elke geestelijke wetenschap, ten deele zelfs met de psychologie, als zoodanig, die wel terdege ook haar physiologische zijde heeft. Alle deze onderzoekingen nu staan, tot op zekere hoogte, met de lagere natuurkundige wetenschappen op één lijn. Een archief te doorzoeken, monumenten op te graven, wat eerst onleesbaar scheen te lezen en in uw eigen taal om te zetten, taalvormen uit den mond van een volk op te vangen en die vormen in hun verloop na te gaan, en zoo ook het verband na te speuren tusschen zekere aandoeningen van onze zintuigen en de psychische reactie, die hierop volgt, en zooveel meer, zijn al te gader bezigheden, die in zekeren zin een objectief karakter dragen, en niet dan in zeer geringe mate door den invloed van het individueele in het onderzoekend object beheerscht worden. Wel mag dit niet te absoluut toegegeven, en is de constateering, of een objectief stuk echt zij al of niet, of de inhoud er van zus of zoo vertaald moet worden, |107| in zeer vele gevallen niet voor zoo absolute beslissing vatbaar. Maar, mits de studie van de objectieve zijde der geestelijke wetenschappen zich niet onbescheiden gedrage en binnen haar grenzen blijve, dient toch met vreugde erkend, dat ook hier zich een zeer breed terrein van studie opent, waarvan de resultaten aan beide groepen van denkers, en alzoo aan de tweeërlei wetenschap ten goede komt.

*

En hierop moet nadruk gelegd, omdat het in het belang van beiderlei wetenschap is, dat men over en weer zijn voordeel doe, met hetgeen in beide kringen voor den algemeenen schat der wetenschap wordt bijgedragen. Wat goed gedaan is door een ander, behoeft door u niet te worden overgedaan. Dit zou slechts ophouden en tijdverspilling zijn. Tevens is het van belang, dat de tweeërlei wetenschap, hoezeer geen oogenblik aarzelende, om uiteen te gaan, zoodra het beginsel dit eischt, toch zoolang mogelijk er zich van bewust blijve, dat men beiderzijds, althans formeel, arbeidt aan een gemeenschappelijke taak. Juist met het oog daarop dient aan de beide reeds aangewezen gemeenschappelijke terreinen nog een derde toegevoegd, dat stellig van niet minder belang is. Door het feit der zonde is namelijk de formeele arbeid van het denken niet aangetast, en uit dien hoofde brengt de palingenesie in dezen denkarbeid ook geen verandering teweeg. Er is niet tweeërlei, er is slechts ééne logica. Vloeide hieruit nu alleen voort, dat de eigenlijk gezegde logica, als onderdeel van de philosophische of psychologische wetenschappen, niet dubbel behoeft beoefend te worden, zoo zou de bate hiervan slechts gering zijn; te meer daar dit nog slechts tot op zekere hoogte waar is, en bij het methodologisch onderzoek aanstonds allerlei verschil en tegenstelling opduikt. Maar de werking van het feit, waarop we wezen, strekt dan ook veel verder, en draagt er op tweeërlei wijs in hoogst belangrijke mate toe bij, om de tweeërlei wetenschap in zeker onderling contact te houden. Vooreerst toch volgt uit dit feit, dat men over en weder de juistheid van elkanders bewijsvoering beoordeelen en contrôleeren kan, althans voor |108| zooverre de uitkomst in strengen zin van de gemaakte deductie afhangt. Scherp op elkander toeziende, zal men dus over en weer elkander den dienst doen, om de logische fouten in elkanders bewijsvoering te ontdekken, en alzoo formeel steeds op elkander inwerken. Maar ook, ten andere, zal men over en weder elkaar dwingen kunnen, om zijn standpunt voor elkander te rechtvaardigen.

Dit laatste worde niet misverstaan. Indien metterdaad, naar onze opmerking, de palingenesie teweegbrengt, dat de ééne groep menschen anders bestaat dan de andere, dan zal elk pogen ijdel blijken, om op eenig punt van onderzoek, waarbij dit verschil in het spel komt, elkander over en weer te verstaan, of het verschil in inzicht te vereffenen. Alle detailpolemiek tusschen deze tweeërlei wetenschap, die niet loopt over de constateering van een objectief waarneembaar feit, noch ook over de somatische zijde der psychische wetenschappen, noch eindelijk over een logische fout in de redeneering, kan daarom nooit doel treffen. Dit is dan ook de oorzaak, waarom de Apologetiek, zoodra ze zich in de details liet lokken, en over iets anders dan tastbare verschijnselen of logische fouten liep, steeds, onvruchtbaar is gebleven, en den pleitbezorger meer verzwakt dan gesterkt heeft. Maar juist omdat, zoodra de lijnen een eindweegs gedivergeerd zijn, de divergentie niet meer te overbruggen is, heeft het te hooger waarde, dat men op het snijpunt van beide lijnen, waar de divergentie begint, bestendig en scherp de aandacht vestige. Want wel weet men vooruit, dat men ook op dit snijpunt niet tot overeenstemming kan geraken; dan toch zou er geen divergentie volgen; maar wel kan men op dat snijpunt elkander over en weer duidelijk maken, wat ons dwingt, om uit dat snijpunt onze lijn te trekken, gelijk we doen. Verzuimt men dit, dan komt hoogmoed en laatdunkendheid in het spel, en heeft men voor den wetenschappelijken tegenstander weinig anders dan den spot van den lach over. Omdat hij ons spoor niet volgt, betwisten we dan niet alleen de juistheid van zijn resultaten, maar ontzeggen ook formeel aan zijn streven het wetenschappelijk karakter. En dit nu mag niet. Elke richting, |109| die zich als wetenschappelijke richting handhaven wil, moet aan de andere hiervan althans rekenschap geven, waarom ze zich uit dat snijpunt langs het ééne en niet langs het andere paar rails voortbeweegt.

En ook al kan men het hierbij nu niet verder brengen, dan dat men aantoont, met welk recht men weigert zich door den ander tot het volgen van zijn richting te laten dwingen, dan is reeds hiervan het voordeel onmetelijk. Zoo toch voorkomt men van de ééne zijde de zelfgenoegzaamheid, die elk onderzoek naar de diepste gronden mijdt, en dus wel bezien van het „stat pro ratione voluntas” leeft. Men ziet zich zoodoende genoodzaakt, niet alleen formeel op streng wetenschappelijke wijze voort te arbeiden; maar ook om zich steeds helderder rekenschap te geven van het goed en deugdelijk recht, waarmee men staan blijft op het standpunt, dat men innam, en formeel te werk gaat, gelijk men dit doet. En waar men onder geestverwanten zoo licht geneigd is, hierbij als reeds gerechtvaardigd aan te nemen, wat nog adstructie mist, doen de beide richtingen hierbij elkander over en weder den dienst, om tot voortzetting van het onderzoek te noodzaken, tot ook de bodem, waarin het fundament ligt, onderzocht zij. Maar ook van de andere zijde levert dit elkaar rekenschap geven op het snijpunt het zeer groote voordeel op, dat men niet eenvoudig naast elkander heenloopt, maar in logische gemeenschap met elkander blijft en tezamen den eisch der wetenschap als zoodanig blijft eeren. Dit nu snijdt de zoo licht verbitterende polemiek over de detailpunten, die toch nooit vruchtbaar kan zijn, af, en trekt den onderlingen strijd saam op die uitgangen van ons bewustzijn, waardoor geheel het proces van het leven der wetenschap bepaald wordt. Hoe onverbloemd en onverholen we dus ook van tweeërlei wetenschap spreken, en achten, dat in geen enkele faculteit het wetenschappelijk onderzoek door allen saam kan worden ten einde gebracht, ja, zelfs niet voortgezet, zoodra de palingenesie scheiding tusschen de onderzoekers maakt, even beslist erkennen we, niet onzes ondanks, maar met vreugde, dat er wel terdege, bijna voor elke faculteit, zekere arbeid overblijft, die gemeenschappelijk is te |110| achten, en, wat bijna nog meer zegt, dat van beide uitgangspunten over en weder rekenschap is te geven.

*

Verklaart het zich reeds hieruit, waarom deze tweeërlei wetenschap dusver nog meest dooreengestrengeld bleef, er is nog een andere niet minder gewichtige oorzaak, die het duidelijker uiteengaan van deze tweeërlei wetenschap veelal tegenhield: we bedoelen het langzame proces, dat verloopt, eer zich actie ontwikkelt, uit wat potentieel in de palingenesie gegeven is. Werkte de palingenesie op eenmaal en plotseling uit het centrum van ons innerlijk leven door tot aan den buitensten omtrek van ons zijn en ons bewustzijn, zoo zou de tegenstelling van de wetenschap, die uit haar leeft en die haar loochent, in elk subject op eenmaal absoluut zijn. Maar zoo staat de zaak niet. Veeleer gaat het beeld van de enting ook hier door. De edele loot, die in den wilden boom wordt ingent, is eerst nog bijster klein en zwak; de wilde stam daarentegen wil onder het entsel nog breed in zijn takken uitslaan; en het is alleen door zorgvuldig wegsnoeien van al het wilde uitspruitsel, dat men de levenskracht, die uit den wortel opkomt, dwingen kan zich aan den dienst van den wilden stam te onttrekken, en in den dienst van de edele loot over te gaan. Later vordert dit dan wel en wordt het beter, zoodat ten slotte de edele loot geheel de overhand krijgt en de wilde stam nauwelijks meer uitloopt; maar het duurt soms zeven en meer jaren, eer het zoover komt. Soortgelijk verschijnsel neemt ge nu waar bij de palingenesie, zoo zelfs dat ge, zoo de hier op aarde begonnen ontwikkeling niet bestemd ware in een hooger leven tot voltooiing te komen, de ratio sufficiens van heel het feit ternauwernood in zoudt kunnen zien; vooral niet, waar het tot deze palingenesie eerst op hooger leeftijd komt. Doch ook waar dezei palingenesie nog in de kracht des jeugdigen levens tot metnoia (omzetting van het bewustzijn) en tot pistrof (ommekeer in de levensuiting) leidt, is het er zeer verre vandaan, dat òf alle uitbotting van den wilden stam reeds zou zijn uitgesloten, òf ook dat de uitbotting van de edele loot reeds aanstonds eenigszins volkomen zou zijn. |111|

In de kringen, die van deze palingenesie professie doen, is zulks dan ook nooit beweerd. Wel voerden ze onderling strijd over de vraag, of aan deze zijde des grafs de volkomene triomf van het nieuwe element reeds bereikbaar ware (Perfectionisten), maar, dat er aan die volkomenheid in elk geval een periode van overgang en worsteling moest voorafgaan, was aller ervaring en aller eenparige belijdenis. Let men er nu op, hoe zij, die dit Perfectionisme als secte drijven, theologisch bijna niet ontwikkeld zijn, en al spoedig blijken alleen door een legaal pelagiaansche opvatting van de zonde en een mystieke opvatting der deugd tot hun zonderlinge conclusiën te komen, terwijl de eigenlijke theologen, die in Rome’s kerk deze stelling verdedigen, zulk een vroegrijpe voltooiing tot zeer hooge exceptie maken, dan volgt reeds hieruit, dat voor het onderwerp, dat ons thans bezig houdt, dit Perfectionisme geheel buiten behandeling kan blijven. Immers, deze sectarische drijvers laten zich ganschelijk niet met wetenschap in, en de gecanoniseerden zijn te weinig in aantal, om op den gang der wetenschappelijke ontwikkeling invloed te oefenen. Feitelijk hebben we dus te doen met een inwerking van de palingenesie, die wel gestadig doorwerkt, maar niet aanstonds tot een stuiting van de voorafgaande ontwikkeling, noch ook aanstonds tot een genoegzaam krachtige ontplooiing van de nieuwe ontwikkeling leidt; en gevolg hiervan moet wel zijn, dat de wetenschappelijke rekenschap, die men zich beiderzijds in zijn bewustzijn gaf, niet aanstonds tot principieele en welbewuste scheiding kon leiden.

*

Het nog langen tijd voortduren der vermenging werd bovendien door onderscheidene oorzaken bevorderd. Allereerst hierdoor, dat de grondvoorstellingen, waarvan men beiderzijds uitging, lange eeuwen geheel beheerscht werden door de Bijzondere Openbaring. Zoowel zij, die in de palingenesie deelden, als zij, die er van verstoken bleven, gingen toch langen tijd beide uit van het bestaan van God, van de schepping der wereld, van de schepping van den mensch als sui generis, van den val, en zooveel meer. Enkelen |112| mochten twijfel aangaande een en ander opwerpen; een zeer enkele de loochening er van aandurven; maar het algemeen bewustzijn rustte beiderzijds eeuwenlang in deze vaste voorstellingen.

Eigenlijk kan men dan ook niet zeggen, dat er vóór de Humanisten reactie plaats greep, en tot het vormen van een communis opinio op den grondslag van het Pantheïsme en Naturalisme begint het wel bezien eerst sinds de achttiende eeuw te komen. Daar nu zij, die uit de palingenesie leefden, die aloude voorstellingen juist geheel conform hun eigen bewustzijn vonden, sprak het vanzelf, dat er voor hen geen aanleiding bestond, op het bouwen van een eigen wetenschappelijk huis bedacht te zijn, zoolang de algemeene, ook buiten hun kring geldende wetenschap uit premissen leefde, die juist bij de palingenesie thuis hoorden. Thans echter is dit alles geheel anders geworden. Zij, die buiten de palingenesie staan, hebben met toenemende helderheid ingezien, dat deze aloude voorstellingen als premissen niet bij hen, maar bij hun tegenstanders thuis hooren, en in betrekkelijk korten tijd dan ook een geheel ander stel premissen hier tegenover gesteld. De Schepping is voor de Evolutie geweken, en de groote menigte heeft dáárom den overgang van Schepping op Evolutie met zoo verbazende snelheid meegemaakt, omdat ze feitelijk nooit aan de Schepping geloofd had, of althans de wereld van gedachten, die in dit ééne woord van Schepping schuilt, nooit had geassimileerd. Even natuurlijk als het dus was, dat op wetenschappelijk gebied beide kringen dusver één gezelschap vormden, even natuurlijk is het, dat thans de éénheid van dit gezelschap onherstelbaar verbroken is. Wie, zelf op den grondslag der Schepping bouwende, acht dat hij nog aan denzelfden muur metselt met een ander, die van de Evolutie uitgaat, doet aan Sisyphus denken. De steen is zoo niet omhoog gekruid, of hij rolt onverbiddelijk weer naar beneden.

Een tweede oorzaak, die hierbij komt, ligt in het feit, dat de palingenesie niet in de eerste plaats tot wetenschappelijken arbeid uitdrijft. Ze staat daarvoor te hoog, ze is daarvoor te edel van oorsprong. Men zij toch nuchteren, en ontwake toch uit den roes, |113| waarin zoo menigeen verzonk, die zich aan den wijn der wetenschap dronken dronk. Zondert ge een zeer kleine aristocratie uit, dan is voor het grooter deel der wetenschappelijke studie de prikkel gelegen in de zucht, om de stoffelijke en zichtbare wereld te beheerschen; om voldoening te schenken aan zekere intellectualistische neiging van den geest; om een positie in het leven te veroveren; om naam te maken en roem in te oogsten; en om met zeker gevoel, van meerderheid op de minder ontwikkelden te kunnen neerzien. Noem nu slechts den éénen naam van Jezus Christus en ge gevoelt aanstonds, hoe geheel deze wetenschappelijke bemoeiing haar eisch, van in onze levenswaardeering de eerste plaats in te nemen, moet laten varen. Jezus schreef nooit een Summa als Thomas Aquinas, noch ooit een Kritik der reinen Vernunft als Kant, en toch klinkt nu nog zijn heilige naam ook in de kringen der naturalisten hoog boven den naam van alle dezer corypheeën der wetenschap uit.

Er is dus iets anders, waardoor men groot kan zijn, en dat buiten de wetenschap in concreten en technischen zin ligt. Er is een menschelijke ontwikkeling en levensuiting, die zich niet op wetenschappelijk gebied beweegt, en toch veel hooger staat. Er is een aanbidding en zelfverloochening voor God, er is een liefde en zelfverloochening voor den naaste, er is een opbloeien, in wat rein en heldenmoedig en karaktervormend is, dat zeer verre boven alle schoon der wetenschap uitgaat. Of de wetenschap, gebonden als ze is aan de bewustzijnsvormen van dit ons aanzijn, in ons eeuwig aanzijn nog iets zal geven, is in hooge mate twijfelachtig; maar dit weten we, dat, zoo zeker er een vonk van heilige liefde in ons hart gloort, deze vonk niet kan gebluscht worden, en eerst bij den ademtocht der eeuwigheid in vollen gloed kan ontbranden. En nu leert de ervaring, dat het nieuwe leven, dat uit de palingenesie opstaat, veel meer geneigd is zich in deze edeler richting te bewegen, dan te dorsten naar wetenschap. Dit nu kan een gebrek worden, en is er vaak in ontaard, zoo het uitliep op afkeer of minachting van de wetenschap. De historie der Mystiek weet er van te verhalen, en het Methodisme is er verre van onschuldig aan. Maar zoolang er geen af keer van |114| de wetenschap, doch alleen voorkeur van edeler bemoeiing bij in het spel is, ligt er niets onnatuurlijks in, dat het leven der palingenesie zijn grootheid bij voorkeur zoekt in datgene, waardoor de naam van Jezus zoo hoog staat, en zich minder voelt aangetrokken, door wat aan Kant en Darwin hun Europeeschen naam bezorgde. Breng hierbij nu in rekening, dat ook de beoefening der wetenschap voor verreweg de meesten afhankelijk is van de mogelijkheid, om een professoraat of lectoraat te ontvangen, en dat zij, die deze positiën te vergeven hebben, in den regel de zonen der palingenesie liefst niet tot zulke betrekkingen benoemen, en het wordt u volkomen duidelijk, hoe betrekkelijk zeer klein het aantal onder hen moet zijn, die zich met al hun levenskracht op de studie der wetenschappen werpen konden. Dit nu maakte, dat zij te klein in kracht en te gering in aantal waren, om aanstonds een eigen positie in te nemen en op een zelfstandige beoefening der wetenschap van hun eigen standpunt uit bedacht te zijn.

*

Nog een laatste opmerking blijft ons voor de volledige verklaring van dit verschijnsel over. Men kan zeer wel wetenschappelijken zin bezitten en door dien zin geleid belangrijke bijdragen voor het wetenschappelijk resultaat leveren, zonder nu juist de diepste levensbeginselen tot het onderwerp van zijn studie te kiezen. Er ligt ook een breed veld van detailstudie open, waarop, lauweren te behalen zijn, zonder dat men afdaalt tot de diepste tegenstellingen der twee wereldbeschouwingen, die al meer tegenover elkander komen te staan. Bij deze soort studiën kan men volstaan met minder talent, met minder denkkracht, met minder offer van tijd en inspanning. Ook werkt men op dit terrein zekerder; er zijn meer rechtstreeksche resultaten te vinden; er zijn meer quaestiën van historischen aard, die men ook binnen beperkter horizon kan uitmaken. Dit nu is oorzaak, dat van de tien mannen, die zich aan de wetenschap wijden, stellig negen aan deze soort studie de voorkeur geven. En wel maken de theologen ten deze een uitzondering, maar hun positie aan de universiteiten is dan ook een ongewone. Men draagt in hen, wat |115| men in geen ander dragen zou, en zekere klove tusschen de theologische en de andere faculteiten wordt stilzwijgend aangenomen. Indien de kerken het bestaan dezer faculteiten niet gebiedend noodzakelijk maakten, zouden ze aan verreweg de meeste universiteiten eenvoudig worden afgeschaft. En laat men hen, gelijk billijk is, dus buiten rekening, dan is de verhouding van n tot negen, die we voor de mannen der principieele en der detailstudie aannamen, stellig eer te gunstig dan te ongunstig genomen. Een reden die, toegepast op de weinige zonen der palingenesie, die zich aan de wetenschap wijden en in een officieele positie benoemd werden, het getal der principieele beoefenaars onder hen tot zulk een minimum deed slinken, dat er van hun zelfstandig en welbewust optreden nauwelijks sprake kon zijn.

Practisch en institutair is de scheiding tusschen deze tweeërlei wetenschap dan ook nog slechts op enkele punten tot stand gekomen. De universiteiten van Brussel en van Leuven zijn er een voorbeeld van. Ook te Amsterdam en te Freiburg ontstond een eigen leven. En in Amerika is zekere splitsing reeds begonnen. Maar ook deze splitsingen dragen nog maar al te zeer een kerkelijk of anti-kerkelijk karakter en voor het grooter geheel der respublica literarum tellen ze nog nauwelijks mede. Bijna overal zijn de twee stengels nog dooreengestrengeld, en bijna allerwegen is de stengel, die uit de palingenesie opwast, nog geheel gedrukt en overschaduwd door den stengel van het naturalisme; naturalisme hier nu genomen als uiting van het leven, dat, buiten palingenesie, voorttiert, gelijk het ontstond. Want wel ligt er een conservatistische periode ook in het universitaire leven achter ons, waarin de aloude wereldbeschouwing, door het zetten van een gram gezicht, of zelfs door vervolging, nog dacht, den opkomenden storm te kunnen bezweren; of ook later door allerlei halve concessiën en apologieën zonder veerkracht de opkomende naturalistische richting zocht tegen te houden; maar dit eerst dwingende en later pleitende Conservatisme dankte allerminst aan de palingenesie zijn oorsprong, en miste daardoor den geestelijken wortel. Thans bloedt dit Conservatisme dan ook al meer dood. Zijn apologieën |116| verstommen. Het leent er zich toe, om, bij de gratie van het Naturalisme, althans nog geduld te worden; en vindt er niets smadelijks in, weg te schuilen in een vunzige kazemat van diezelfde vesting, waarbinnen het eertijds het commando voerde.

Zoomin echter als de traagheid, waarmee deze bifurcatie der wetenschap tot stand komt, kan de averechtsche poging, die dit Conservatisme waagde, om zijn bestaan te rekken, het gestadig meer uiteengaan van deze tweeërlei wetenschap tegenhouden. Wat hier beslist, is alleen de vraag, of er metterdaad tweeërlei uitgangspunt is. Is dit er niet, zoo moet de eenheid gehandhaafd, doordien de sterkere den zwakkere dooddrukt; maar is dit tweeërlei uitgangspunt er wel, dan blijft de eisch van tweeërlei wetenschap in den aangeduiden zin onafwijsbaar gelden, geheel afgescheiden van de vraag, of het aan beiden gelukt zich met eenig goed gevolg in zeker tijdstip te ontwikkelen. Dit tweeërlei uitgangspunt nu is metterdaad door de palingenesie gegeven. Dit zou niet zoo zijn, bijaldien de diepste fundamenten onzer kennis buiten ons en niet in ons lagen, of ook indien de palingenesie buiten deze principia cognitionis in het subject omging. Nu dit echter niet zoo is, maar de palingenesie, evenals de zonde, wier gevolg zij potentieel vernietigt, het subject in zijn diepste wezen anders doet worden, dan het was; en deze gesteldheid van het subject rechtstreekschen invloed oefent op de wetenschappelijke onderzoekingen onze wetenschappelijke overtuiging; kunnen twee ongelijke grootheden geen gelijk resultaat hebben, en moet derhalve uit dit anders-zijn van den tweeërlei kring van subjecten noodzakelijk een anders-zijn van beider wetenschap volgen.

Deze bifurcatie moet dus strekken, zoover als de invloed strekt van die subjectieve factoren, die de palingenesie in den één anders doet zijn dan in den ander. Niet verder, maar ook niet minder ver. Vandaar dat alle wetenschappelijk onderzoek, dat alleen de rat tot voorwerp heeft, of ook alleen gedreven wordt met die subjectieve factoren, die geen verandering ondergingen, voor beide gemeenschappelijk blijft. Laag bij den weg is de stam der wetenschap voor allen één. Maar nauwelijks verheft |117| deze plante zich opwaarts, of de twee takken gaan uit elkander, juist op dezelfde wijs, als dit te zien is aan een boom, die men rechts op den afgeknotten stam ent, en links nog met een spruit uit den wilden wortel laat voortgroeien. Dan is de plant in haar benedenste deelen één, maar op zekere hoogte gekomen, splitst zij zich, en als in tweeërlei ontwikkeling loopt de ééne tak naast den ander omhoog. Welke van die twee ontwikkelingen nu de wilde zij te achten, die dus doelloos wordt en weg moet, en welke de edele ontwikkeling van den stam is, die vrucht zal dragen, is door den één voor den ander niet uit te maken. De negatie van den één is hierbij de positie voor den ander. Dit staat echter voor beiden over en weder gelijk; en de keuze, die een iegelijk hierin doet, wordt niet beheerscht door de resultaten van zijn discursief nadenken, maar uitsluitend door de diepste aandrift van beider levensbewustzijn. Zoo de één in die diepste aandrift was gelijk de ander, zou hij evenzoo kiezen. Dat hij dit niet doet, is alleen, omdat hij anders bestaat.

*

Hieruit mag intusschen geenszins afgeleid, dat de wetenschappelijke ontwikkeling in den kring der palingenesie een eenvormige zou moeten zijn, in dien zin, dat allen, die zich binnen dien kring aan de beoefening der wetenschap wijdden, te beantwoorden hadden aan een vast model en te komen hadden tot eensluidende resultaten. Men stelt het van de overzijde niet ongaarne zoo voor. Dan tooit de naturalistische wetenschap zich met korenbloem en wijnruit, als symbool van het vrije karakter, dat haar eigen is, en de wetenschap der palingenesie verschijnt dan als met feuille-morte omhangen, en komt in het enge keurslijf, dat men haar aanreeg, niet noemenswaard vooruit. Geheel deze voorstelling is intusschen niets dan vrucht van phantasie, en in de werkelijkheid grijpt in beide kringen een wetenschappelijke ontwikkeling plaats, die alleen in de harmonie van het veelvormige het schoon der waarheid ontplooit.

Het mag van belang worden geacht, dit nader toe te lichten.

In het afgetrokkene geeft een ieder toe, dat de subjectieve |118| assimileering van de waarheid van het object niet bij allen dezelfde kan zijn, omdat de onderzoekende individuen niet als druppelen waters op elkander gelijken, maar onderling allen ongelijk zijn, als de sprieten in het grasveld en de bladeren aan een boom. Een wetenschap, die aan den invloed van den subjectieven factor ontkwam, is ondenkbaar, en zookan het niet anders, of bij de ongelijkheid der individuen moet de invloed van dezen factor uitkomen.

De wetenschap in absoluten zin is deswege in het bezit van niet één enkel individu. Het subject van de wetenschap is en blijft altoos het algemeen menschelijk bewustzijn in zijn rijkste ontplooiing genomen, en de enkele individuen kunnen in den kring en in den tijd, waarin ze leven, nooit iets anders zijn, dan de zeer partieele dragers van een stuk der wetenschap in een bepaalden vorm en bij een bepaald licht bezien. Hierbij nu verschillen deze individuen gradueel en specifiek. Gradueel, in zooverre de energie van het onderzoek, de critische scherpte en de kracht van het denken bij den één sterker zijn dan bij den ander. Maar ook specifiek, in zooverre het temperament, de persoonlijke neiging, de levenspositie, en de gunst of ongunst der omstandigheden elk individueel onderzoeker eenzijdig doen worden, in die eenzijdigheid zijn kracht doen vinden, maar ook juist daardoor de aanvulling en de critiek van anderen voor hem noodzakelijk maken. Vandaar allerlei theorieën en scholen, die elkaar bestrijden en door dien strijd zegenen. Vandaar in elke eeuw en in elken kring zekere zienswijzen, die bovendrijven en den toon aangeven. Vandaar allerlei persoonlijke invloed gestrengeld door de macht der communis opinio. Deze alsoortige stuk-arbeid zou dan ook nooit de wetenschap vooruitbrengen, indien het object der wetenschap zelf niet organisch bestond, en de onderzoekende individuen, zonder het te bedoelen of vaak te merken, niet onder alle hemelstreek en door alle eeuw toch in organisch verband stonden. Deze aanvullende, critiseerende en toch organisch samenhangende veelvormigheid te willen wegnemen, ware de dood voor de wetenschap. Niet de militaire mechaniek van het leger, maar de organische multiformiteit van het maatschappelijk leven, biedt |119| ons het type waaraan de wetenschap, om te kunnen bloeien, moet beantwoorden.

Is dit nu zoo voor de naturalistische wetenschap, zoo zou dit voor de wetenschap, die op den wortel der palingenesie moet bloeien, dan alleen anders zijn, indien door de palingenesie de oorzaak van deze subjectieve pluriformiteit werd afgesneden. Hiervan echter is het tegendeel waar. De palingenesie heft niet op het gradueel verschil tusschen het ééne individu en het andere. Ze snijdt niet af het verschil van temperament, van persoonlijken aanleg, van levenspositie, noch van bijkomende en het onderzoek beheerschende omstandigheden. En ook, de palingenesie neemt niet weg het verschil, dat geboren wordt uit het onderscheid van landaard en van het verloop der eeuwen. Er moge door de palingenesie worden teweeggebracht, dat deze verschillen een ander karakter aannemen, in sommige vormen niet voorkomen, en in andere, buiten haar ongekende, vormen wel; maar in elk geval blijft het subjectief divergeerende, ook waar de palingenesie intrad, op allerlei wijze bestaan. De uitkomst heeft dan ook geleerd, dat zich op dit terrein evengoed als op dat der naturalistische wetenschap allerlei scholen gevormd hebben, en dat van uniformiteit zelfs in de dagen der Middeleeuwen nimmer sprake was. Hoezeer Rome ook naar die eenvormigheid heendrong, ze heeft haar nooit tot stand kunnen brengen, en ten slotte zelve het systeem aanvaard, om aan elke uiting van het veelvormige een plaats aan te wijzen in de organische harmonie van haar kader.

Wel worden de tegenstellingen op het gebied der palingenesie soms geheel anders dan op het terrein der naturalistische wetenschap. Noch een atheïstisch, noch een materialistisch, noch een pessimistisch stelsel kan op haar erf bloeien. Haar scholen dragen daardoor andere namen en splitsen zich naar anderen maatstaf, Maar gelijk reeds aanstonds, na de intrede van de Christelijke religie in de wereld, de scholen van Alexandrië, van Antiochië, van Noord-Afrika, van Constantinopel en van Rome elk een eigen type vertegenwoordigden, zoo bleef het alle eeuwen door, zoo is het nog, en zoo zal het blijven tot den einde toe. Wrijving, gisting, worsteling |120| is het kenmerk van alle levensuiting op hooger gebied in deze tegenwoordige bedeeling, en ook de wetenschap der palingenesie ontkomt hier niet aan.

*

Slechts drieërlei bedenking ware hiertegen in te brengen: 1. dat deze wetenschap gebonden is aan den inhoud der Openbaring; 2. dat haar vrijheid belemmerd wordt door het kerkelijk placet; en 3. dat haar uitkomst vooraf vaststaat. Over elk dezer drie bedenkingen daarom een kort woord.

Voor zooverre het onderzoekende subject door de palingenesie anders werd dan het vroeger was, zal het ongetwijfeld ook tegenover de Openbaring Gods anders komen te staan. Het zal niet meer, gelijk in zijn naturalistische periode, die Openbaring als een hinderlijk beletsel pogen te loochenen, maar er behoefte aan gevoelen, er in leven, en er winste mee doen. Zeer zeker zal het dus met die Openbaring moeten rekenen, maar op geen anderb wijze dan waarop ook de naturalist gebonden is aan en rekenen moet met den bestaanden kosmos. Dit zou echter dan eerst het wetenschappelijk karakter van zijn wetenschap vernietigen, indien deze openbaring bestond uit een schema van conclusiën, zonder dat hem de mogelijkheid was geboden, om ook subjectief deze conclusiën te assimileeren. Dit is echter volstrekt niet het geval. De openbaring, die ons in Gods Woord is geboden, geeft ons het goud in de mijn, maar met den last, om het zelf uit die mijn op te delven; en wat daaruit opgedolven wordt, is van dien aard, dat het subject, zoodra het door palingenesie bewerkt is, dit op zijne wijze assimileert, en het in rapport weet te brengen met de diepste aandrift en met geheel de innerlijke gesteldheid van zijn wezen. Dat deze assimileering niet enkel door het verstand plaats heeft, levert geen bezwaar op, naardien ons bleek, hoe ook de naturalistische wetenschap zonder de pstiv geen stap vooruit kan. Bovendien heeft de naturalistische wetenschap evengoed als die der palingenesie hare grenzen, waar ze niet verder kan doordringen, hare antinomieën, die ze niet kan verzoenen, en haar mysteriën, waarvoor het vraagteeken |121| blijft staan. Wordt nu door de Openbaring ons kennisse aangebracht van over die grenzen, een verzoening voor menige antinomie geboden, en menig nieuw mysterie ontsluierd, dan pleit het in niets tegen het wetenschappelijk karakter van onze wetenschap, indien onze rede onmachtig blijkt, om deze nieuwe stof te ontleden en in organisch verband met het overige te plaatsen. Dat de pstiv ten opzichte van deze Openbaring een breedere actie ontplooit dan bij het onderzoek van den kosmos, heeft dus niets vreemds, en strookt geheel, niet het doel en het karakter van deze Openbaring, om eerst voor het practisch religieuze leven, ook van den eenvoudigste, en eerst daarna voor de wetenschap, dienst te doen. Hiertegen echter behoeft de wetenschap zoo weinig protest in te dienen, dat zij zich veeleer geroepen ziet, 1. om den aard en het wezen van deze Openbaring na te speuren; 2. om den inhoud, dien men uit haar tevoorschijn bracht, te ontleden ; en 3. om de wijze, waarop deze inhoud zoowel als die Openbaring zelve met het psychische leven van den mensch in verband treedt, te bespieden en te ontvouwen. Vandaar dan ook, dat er over geen dezer drie punten eenstemmigheid bestaat, maar dat er alle eeuwen door èn over deze drie punten èn over alles wat hiermede samenhangt, zoo onderscheidenlijk geoordeeld is. De richtingen van het mysticisme en piëtisme, van het realisme en spiritualisme, van het transcendente en de immanentie, van het monisme en dualisme, van het organische en individueele deden zich in deze vraagstukken steeds gelden, en kruisten weer die gemengde typen, die onder den naam van Romanisme, Lutheranisme en Calvinisme bekend staan. Richtingen en typen, waarin de kortzichtigheid alleen kerkelijke schakeeringen ziet, maar die voor den man van breeder blik zich over geheel het gebied des menschelijken levens, en dus ook over geheel het terrein der wetenschap uitstrekken. En al zal het nu aan de wetenschap der palingenesie, zoomin als aan de naturalistische wetenschap, ooit gelukken wetenschappelijk den strijd tusschen deze velerlei scholen en richtingen op eigen erf tot beslissing te brengen, toch blijft het de taak van de wetenschap ook op het gebied der palingenesie, om rusteloos de beweringen dezer |122| onderscheidene richtingen ter toetse te brengen, en daardoor voor elke richting de helderheid van het zelfbewustzijn te verhoogen.

Hiermee komen we vanzelf tot de tweede bedenking, of namelijk de vrijheid dezer wetenschup niet belemmerd wordt door het kerkelijk placet. Ook dit echter moet ontkend. Want wel is geen Ecclesia instituta zonder zulk een placet denkbaar, en wordt de positie van een onderzoeker, wiens resultaat met dit kerkelijk placet in strijd geraakt, valsch en daardoor onhoudbaar; maar dit belemmert de beoefening der wetenschap in het minst niet. Vooreerst toch geeft de kerk als ecclesia instituta nooit een uitspraak, over wat niet samenhangt met de fides salvifica. Zelfs de kerk van Rome, die ten deze het verst gaat, laat verreweg het grooter deel van het object vrij. Ten andere is dit kerkelijk placet zelf resultaat van een geestelijke worsteling, die zich contradictoir ontwikkeld heeft, en waarbij men zich over en weer wetenschappelijk verdedigde. Het blijft dus plicht en roeping, de over en weder aangevoerde gronden voortdurend wetenschappelijk te keuren. En in de derde plaats, gebeurt het nu, dat een onderzoeker metterdaad tot de overtuiging komt, dat het placet der kerk op onjuiste wijze uit de Openbaring is afgeleid, welnu dan moet hij zijn kerk hiervan pogen te overtuigen, of, staat ze dit niet toe, haar verlaten. Dit zou niet kunnen, zoo de kerk een wetenschappelijk instituut was, maar deze pretentie maakt geen enkele ecclesia instituta. Men blijft dan ook op het gebied der palingenesie man van wetenschap, ook al is het, dat men niet homogeen blijkt met de kerk, waarin men geboren werd; en het is niet de wetenschap, maar de eerlijkheid en het zedelijkheidsbesef, die in zulk een geval tot breken met zijn kerk dwingen. Toch komt ook dit weinig voor, deels doordien de kerken veelal een groote mate van speelruimte laten, deels doordien een valsche positie aan velen niet onhoudbaar schijnt, maar bovenal, omdat de kerkelijke typen niet willekeurig gekozen, maar met noodzakelijkheid uit de constellatie van het leven zijn opgekomen. En daar nu de wetenschappelijke onderzoeker, die in zulk een kerk leeft, meest onder diezelfde constellatiën ligt, is het zeer natuurlijk, dat hij in negen van de tien gevallen niet in zulk een conflict |123| zal geraken, maar uit zal komen, waar zijn kerk uitkwam. Dan echter heeft er geen dwang plaats, en wordt er geen band aangelegd, maar is de overeenstemming ongedwongen en noodzakelijk. Ernstiger gevaar zou hier ontstaan, indien de geheele kerk op aarde slechts ééne gelijke forma aan alle oorden der wereld bezat, en dus allerwegen slechts één gelijkluidend placet deed hooren; en metterdaad was in de Middeleeuwen, en is nu nog in religieus geheel eenvormige landen dit gevaar voor verlies van vrijheid niet geheel te ontkennen. Maar sedert deze eenheid in de ecclesia instituta sprong, en er thans tien en meer vormen van kerkformatie bestaan, en op die wijs bijna elk bestaanbaar type tot eigen formatie is gekomen, is het bijna ondenkbaar, dat op het terrein der palingenesie het wetenschappelijk onderzoek ooit tot een resultaat zou leiden, dat niet met het placet van ééne dezer kerken op de bestreden punten in overeenstemming was. Dat men nu, ingeval strijd niet te vermijden is, door oprechtheid en eerlijken zin gedrongen, uit de ééne kerk naar de andere verhuist, is evenmin een belemmering te achten voor de vrijheid der geestelijke wetenschappen, als dat iemand door de resultaten van zijn onderzoek op staatsrechtelijk gebied genoodzaakt wordt uit Rusland de wijk te nemen naar het vrijere Engeland of Amerika.

En wat eindelijk de laatste bedenking aangaat, dat er op het terrein der palingenesie dáárom van geen wetenschap sprake zou kunnen wezen, omdat haar resultaat vooruit vast zou staan, hierop is te antwoorden, dat deze stelling deels onjuist is, en, voor zoover ze juist is, evenzoo geldt bij de naturalistische wetenschap. Ten deele is deze stelling, gelijk ze daar staat, onwaar. Gemeenlijk toch verstaat men daaronder, dat in het kerkelijk credo of in de H. Schrift de uitkomst reeds zou gegeven zijn. Voor wat nu het kerkelijk credo aangaat, is de weerlegging van dit beweren reeds in de bestrijding der voorafgaande bedenking gegeven. Ontstaat er toch strijd tusschen ons resultaat van onderzoek en ons kerkelijk credo, dan wordt hierdoor wel onze kerkelijke positie, maar niet het mainteneeren van ons wetenschappelijk resultaat onmogelijk gemaakt. En wat de H. Schrift aangaat heeft de wetenschap steeds het recht |124| en den plicht, om, wat hieruit is afgeleid, te contrôleeren. Toch blijft het, ook na aftrek van deze beide momenten, volkomen waar, dat in abstracto het resultaat van ons onderzoek vooraf vaststaat, en dat, zoo we tot een ander resultaat komen, ons resultaat niet deugt en dus ons onderzoek foutief is. Dit echter is aan de wetenschap der palingenesie gemeen met de naturalistische wetenschap. Het feitelijk bestand toch van den kosmos bindt het resultaat van elk onderzoek, en voor zoover er sprake is van kennis, die we door denken verkrijgen, kan ons denken nooit iets anders zijn, dan het nadenken van wat door den Schepper van alle relatiën vóór ons gedacht is; zoo zelfs, dat al ons denken, voor zoover het primair wil zijn en is, nooit anders kan zijn dan pure hallucinatie. Het is dus volkomen juist, dat ook op het gebied der palingenesie alle resultaat van onderzoek gebonden is aan het wezen der palingenesie en bepaald is door het wezenlijk bestand der geestelijke wereld, waarmee ze ons in rapport brengt; ook is het waar, dat het geen goed is onderzocht, zal blijken overeen te komen, met wat ons uit die geestelijke wereld op juiste wijze geopenbaard was; en evenmin mag ontkend, dat ook op dit gebied al ons denken slechts nadenken van het denken Gods kan zijn; maar dit alles heeft ze met de andere wetenschap gemeen en is aan het wezen der wetenschap inhaerent. En werpt men ons dan nog tegen, dat het bij de beoefening der wetenschap, gelijk de palingenesie die leidt, toch vooruit vaststaat, dat er een God is, dat er een schepping plaats greep, dat er zonde heerscht enz., dan geven we dit voetstoots toe, maar toch in geen anderen zin, dan waarin het bij alle wetenschap vooruit vaststaat, dat er een mensch is, dat die mensch denkt, dat die mensch verkeerd kan denken en zooveel meer. Hij, voor wien dit laatste niet vooruit vaststaat, zal op het veld der wetenschap zijn hand zelfs niet aan den ploeg slaan; en evenzoo staat nu een iegelijk, die niet, zekerder dan dat hij zelf bestaat, weet dat God zijn Schepper is, geheel buiten de palingenesie. Feiten gelijk de hier genoemde, dat er een God is, dat er schepping plaats greep, dat er zonde bestaat, en zooveel meer, zijn door geen wetenschappelijk onderzoek ooit vast te stellen, en nog |125| nimmer heeft men dit gepoogd, of een nog scherper denker kwam altoos weer zijn voorganger van ongelijk overtuigen. Slechts houde men hierbij in het oog, dat we in deze volstrekt niet alleen, noch zelfs bij voorkeur, de Theologie op het oog hebben. De wetenschap, waarover we hier handelen, is de wetenschap, die het geheel der dingen tot object heeft; en eerst als we aan de Theologie toekomen, kunnen de bijzondere vragen beantwoord, waartoe het geheel eigenaardig karakter van deze heilige wetenschap aanleiding geeft.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001