Hoofdstuk III.

Tweeërlei ontwikkeling der wetenschap.

§ 13. Tweeërlei menschen.

De zekerheid en eenheid van het wetenschappelijk resultaat, die door de sterke divergentiën in het denkend subject, en sterker nog door het bestaan van tè yeÂdov, bijna aan het scepticisme ten offer vielen, herwinnen dus merkelijke kracht, zoo door den invloed der sof°a, als door den steun der p°stiv. Daar echter de p°stiv, zoodra ze op het terrein der geestelijke wetenschappen haar dienst verricht, weer onder de heerschappij der subjectieve divergentiën geraakt, kan ze wel de zekerheid van het resultaat in de overtuiging wekken, maar staat ze aan de eenheid van dit resultaat eer in den weg, dan dat ze haar bevorderen zou. Zelfs kan de graag van zekerheid voor de eigen overtuiging hier niet klimmen, zonder de tegenstelling met anderer wetenschappelijk resultaat |98| in gelijke mate te verscherpen. Iets, wat voor elke geestelijke wetenschap geldt, voor zoover haar object psychisch is; maar uiteraard in de hoogste mate doorgaat voor de wetenschap, die de zake der religie tot object van onderzoek heeft, overmits het subjectief-psychische hier nog een zeer gewichtige met€basiv moet doen, om uit de eigen yucÐ tot het voorwerp der aanbidding van de yucÐ te geraken.

En toch zouden deze troebele steeën in den briljant der wetenschap nog niet aan de eenheid van haar uitstraling in den weg behoeven te staan, bijaldien deze divergentiën in het subject zich bepaalden tot een relatief verschil. Daar toch, gelijk we in den aanvang onzer bespreking zagen, het subject der wetenschap niet het individueele, maar het generale subject der menschelijke natuur is, zou dan het potentieel hoogere ten slotte vanzelf het potentieel lagere tot zich op en met zich mee trekken, en, na veel tegenstand en aarzeling, toch het algemeen menschelijk bewustzijn tot een klaar inzicht, een vaste overtuiging en een zeker weten brengen. Op elk terrein van menschelijke levensuiting zijn de subjectieve krachten ongelijk; niet alleen op dat der wetenschap, maar ook op dat van kunst, religie, sociale levensontplooiing en bedrijf. Op geestelijk terrein, d.w.z. zoodra de machten van het bewustzijn en van den wil den doorslag geven, is gelijkheid niet te vinden. Veeleer is eindelooze varieteit hier regel. Maar in die veelvormigheid werkt een wet, die regel stelt, en ongemerkt de principieel sterkere en zuiverder uitingen doet heerschen over de zwakkere. Wat bij den zang geschiedt, geschiedt op geheel het geestelijk terrein: de sterker en zuiverder stem geeft den toon aan, en eindigt met de andere achter zich te krijgen. Ook op wetenschappelijk gebied leert dan ook de uitkomst, dat wie sterker en zuiverder dacht, na veel tegenstand en worsteling, ten slotte toch de zwakkere en minder zuivere denkers overreedt en overtuigt, en ze dwingt om te denken gelijk hij, of althans om voor het resultaat van zijn denken te zwichten. Nu reeds zijn tal van overtuigingen het gemeengoed van het algemeen menschelijk bewustzijn geworden, die in vroegere eeuwen slechts door enkele denkers werden gekoesterd. En waar wij in aanraking komen |99| met het denkend bewustzijn der Boedhisten, der volgers van Kong-foe-tse of der Mahomedanen, zijn we ons grosso modo zoozeer van onze meerderheid bewust, dat we er niet aan denken, hún in het gevlei te komen, maar vanzelf en ongemerkt, alleen reeds door onze aanraking met hen, onze overtuiging op hen doen inwerken. Waar dit niet aanstonds gelukt, ligt dit uitsluitend aan hun mindere vatbaarheid en achterlijkheid; maar nauwelijks ontwikkelen ze zich en beginnen ze te rijpen, of ze stappen over in ons schuitje. Naar den regel van het „du choc des opinions jaillit la vérité” zou men dus ook deze aanvankelijke en noodzakelijke divergentiën rustig kunnen aanzien, vastelijk wetende, dat uit deze veelheid toch de eenheid zal voortkomen, bijaldien het karakter dezer divergentiën tusschen mensch en mensch uitsluitend relatief en gradueel was.

Maar, natuurlijk, dit alles valt weg, indien ge stuit op een principieel onderscheid, en zoo ge te doen krijgt met tweeërlei menschen, d.w.z. met twee soorten van menschen, die uiteenloopen door een verschil, dat zijn oorsprong niet binnen den kring van ons menschelijk bewustzijn, maar daarbuiten vindt. En dit nu juist is het gewichtige feit, waarvoor de Christelijke religie ons plaatst. Zij toch spreekt ons van een paliggenes°a, van een ‡nag™nnjsiv, gevolgd door een fwtismçv, die den mensch in zijn bestaanswijze verandert; en wel met eene verandering of omzetting, die teweeg wordt gebracht door een bovenmenschelijke oorzaak. Nu hoort zeker de toelichting van dit feit in de Dogmatiek thuis en zou hier dus niet op haar plaats zijn. Maar het spreekt toch vanzelf, dat ook onze beschouwing van de wetenschap in zoo volstrekten zin door dit feit beheerscht wordt, dat het gelijk zou staan met een zichzelf willen blinddoeken, indien we er hier van zwegen. Deze paliggenes°a toch breekt de menschheid in tweeën, en heft de eenheid van het menschelijk bewustzijn op. Brengt toch deze van buiten inkomende daad der ‡nag™nnjsiv, zij het ook slechts potentieel, een principieele verandering in het zijn des menschen tot stand, en oefent deze verandering tevens invloed op zijn bewustzijn, dan bestaat er van dat oogenblik af een klove, waarover geen brug is te leggen, |100| tusschen het menschelijk bewustzijn, voorzoover het deze omzetting onderging, en het menschelijk bewustzijn, voorzoover het er vreemd aan bleef. Het is er mee, als met wild hout, waarvan ge het ééne deel inent, en het andere niet. Van het oogenblik van die inenting af, is, zoo het entsel aanslaat, en het wilde hout behoorlijk gesnoeid wordt, het proces van beide soort boomen een geheel ander, en niet slechts relatief en gradueel, maar specifiek verschillend. Het is niet bij den éénen boom milder en malscher groei, om tot zuiverder vrucht te leiden, terwijl de andere boom minder welig tiert en dus aan vrucht armer is; maar een verschil in soort. Hoe welig en sappig ook de niet geënte boom in het blad schiete, er komt nooit de vrucht aan, die aan den geënten boom groeit. En, zoo ook, hoe achterlijk ook de geënte boom aanvankelijk in zijn groei blijve, toch is de bloesem, die aan zijn takken ontluikt, vruchtbloesem. Nu ent geen boom zichzelf in. Het wilde hout kan uit zijn eigen soort niet in het soort echt vruchthout overgaan, tenzij een macht, die buiten de sfeer der flora ligt, in de flora ingrijpe en de paliggenes°a van het wilde hout tot stand brenge. Hier is dus geen relatieve overgang. Een boom is niet voor een tiende tam en voor negen tienden wild, om allengs geheel tam te worden; maar hij is eenvoudig ingeënt of niet ingeënt; en van dit principieele onderscheid hangt voorts geheel het resultaat van den plantengroei af En al is nu uiteraard dit beeld niet verheven boven de zwakke zijde, die elke beeldspraak biedt, toch is het doel, waarvoor het dienst doet, er mee bereikt. Het toont toch, dat, bijaldien er ook in den boomgaard der menschheid een gelijksoortige kunstbewerking of inenting plaats heeft, waardoor het levensproces onzer menschelijke natuur potentieel van aard verandert, hier een differentieering tusschen mensch en mensch intreedt, die ons in twee soorten doet uiteengaan. En mag men het sublimaat, dat zich uit ons wezen in ons bewustzijn afzet, vergelijken met den bloesem, waarin het hout zijn verscholen pracht ontwikkelt, dan volgt hieruit, dat het bewustzijn van de wel en het bewustzijn van de niet ingeënte menschheid even principieel ongelijk moet wezen, als de bloesem |101| van den wilden wingerd van dien van den wijnstok verschilt.

De moeilijkheid, waarop men hierbij stuit, is maar, dat dit feit der inenting bij de flora door ieder toegegeven, maar in de wereld der menschen door een ieder, die ze niet onderging, ontkend wordt. Bij het hout zou dit uiteraard evenzoo zijn, indien het hout maar denken en spreken kon. Dan zou de wilde wingerd zonder eenigen twijfel volhouden, dat hij de echte wijnstok was, en dat hetgeen zich nu als wijnstok aandiende, niets was dan product van inbeelding en opgeblazenheid. De edele twijg zou nooit door het wilde hout in haar meerderheid erkend worden, of, om hier de schoone Hoogduitsche woorden te bezigen: de Wildling zou altoos beweren zelf Edelreis te zijn. Er ligt dan ook niets onnatuurlijks in, dat de denkende menschheid, voor zooverre ze met dit feit der palingenesie niet in aanraking kwam, het enkele beweren, dat er zulk een feit bestaat, voor illusie en dweperij aanziet, en, wel verre van met dit feit te, rekenen, veeleer haar denkkracht aanwendt, om het bestaan er van voor ondenkbaar te verklaren. Dit zou niet zoo zijn, indien de palingenesie, door spanning van menschelijke kracht, uit de eigen sfeer van ons menschelijk leven voortkwam; dan zou ze begeerlijk schijnen; en zou het edeler, streven er zich naar uitstrekken. Maar nu de palingenesie tot stand komt door een kracht, waarvan de oorsprong buiten ons menschelijk bereik ligt, zoodat de mensch er even passief onder verkeert als de wilde boom onder de inoculatie, nu kan de actie van den menschelijken geest er niet door gewekt worden, en moet dus die geest er wel tegen in verzet komen. Iets, waarmee dan, tot overmaat van ramp, saamhangt, dat de door palingenesie bewerkte den van palingenesie verstokene nimmer kan overtuigen, omdat een actie, die van buiten de menschelijke sfeer op ons inwerkt, zich niet tot analyse voor ons menschelijk bewustzijn leent; althans niet, voor zooverre het gemeenschappelijk terrein aangaat, waarop de mensch zonder en de mensch met palingenesie elkander verstaan kunnen. De door palingenesie bewerkten kunnen er dus niets aan doen, dat ze op de anderen den indruk maken van hoogmoedig te zijn en zichzelf te verheffen, Alle Edelreis krenkt |102| den Wildling; en dat niet slechts in die mate en in dien zin, waarin een fijn beschaafd, aesthetisch ontwikkeld persoon den ruwen parvenu drukt; want bij dezen bestaat slechts gradueel verschil, waarom de parvenu den fijnen aristocraat steeds benijdt, en dus heimelijk zijn hoogeren menschenadel erkent; maar, en dit is het noodlottige, het verschil, het onderscheid is en blijft hier principieel. De Wildling groeit ook, bloeit ook, bot zelfs als hout in den regel weelderiger uit, en het Edelreis blijft in zijn specifieke ontwikkeling niet zelden achterlijk.

We spreken dus niets te sterk, zoo we van twee soorten van menschen spreken. Wel beide menschen, maar de ééne innerlijk anders bestaande dan de andere, en dientengevolge een anderen inhoud uit zijn bewustzijn voelende opdoemen; anders tegenover den kosmos staande; en gedreven door een andere aandrift. Dit bestaan nu van tweeërlei menschen brengt teweeg het bestaan van tweeërlei menschelijk leven en levensbewustzijn, en dus ook van tweeërlei wetenschap; en het is uit dien hoofde, dat het denkbeeld van de eenheid der wetenschap, in absoluten zin genomen, de loochening van het feit der palingenesie onderstelt, en alzoo principieel tot verwerping van de Christelijke religie leidt.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001