§ 12. De religie.

Wat in den aangegeven zin voor alle wetenschap van het creatuurlijke geldt, en maakt, dat ten slotte alles aan de p°stiv hangt, geldt uiteraard in nog sterker mate voor alle wetenschappelijk onderzoek, dat zich met de zake der religie inlaat. Voorshands het begrip „religie” zonder eenige nadere bepaling nemende, zoo staat toch zooveel vast, dat alle religie zekere gemeenschap onderstelt met iets, dat boven den kosmos uitgaat; deze kosmos zoowel objectief als subjectief genomen. Zelfs waar de religie geen hoogere vlucht neemt en in het Ethicisme hangen blijft, grijpt en tast ze in die ethische wereldorde toch naar een centrale ethische macht, waardoor geheel het terrein van het ethische leven beheerscht wordt en waarvoor alle niet-ethisch verschijnsel wijken moet. Zoolang toch het Ethicisme alleen utiliteit of eudaemonisme op het oog heeft, mist ze elk religieus karakter. Zelfs bij Kant is dit het machtige punt, waarmee de religie, hoe dor en abstract ook, in zijn ethische wereld intreedt. Het ethische subject gevoelt en erkent een hoogeren ethischen wil, waaraan zijn wil onderworpen moet zijn. Een standpunt, waarop men er noodwendig toe komt, geheel de wereld der fainçmena òf als slechts schijn feitelijk weg te cijferen, òf als reëel aan het ethische ondergeschikt te maken. Hoe ook opgevat, in elk geval wordt dus de centrale macht van de ethische wereldorde het hoogste, het boven alles uitgaande, waaraan het subject niet alleen zichzelf, maar ook het object onderwerpt. Bij eenigszins hooger religieuze ontwikkeling echter blijft men zelfs daarbij niet staan, maar kan men niet rusten, eer men, boven het thelematische uitgaande, ook voor zijn bewustzijn deze ondergeschiktheid van subject en object beide aan deze centrale macht gevonden heeft. Het voorwerp der religie wordt dan niet alleen buiten dit object-subject geplaatst, maar ook moet in deze centrale macht, zoowel het subject als het object, en evenzoo beider relatie, haar grond en dus ook hare |95| verklaring vinden. De psyche richt zich dan niet enkel op het algemeene in het bijzondere en op het blijvende in het voorbijgaande, maar op de a¸t°a, de ‡rcÐ, de sÀstasiv en het t™lov van beide. Juist dit extra-kosmisch en hyper-kosmisch karakter van alle centrale macht, die in hoogeren zin voorwerp van religie zal zijn, maakt echter, dat noch de waarneming, noch de bewijsvoering bij het leggen van den band tusschen ons subject en deze centrale macht ook maar het minste vermogen, en dat uw redeneerend verstand even onmachtig is, om religie te kweeken, als om religie uit te roeien.

Natuurlijk staat het anders met de Theologie, die zich als wetenschap met de zake der religie inlaat; maar de aard dezer wetenschap, haar methode en haar zekerheid hangen dan toch met het karakter van deze centrale macht, die in alle hoogere religie het bewegend motief is, ten nauwste saam. Evengoed toch als men jarenlang physiologische en physiocratische studie van ’s menschen levensuiting kan maken, zonder ooit aan de studie der psyche toe te komen, zoo ook kan men zijn leven lang allerlei interessante studie maken over religieuze denkbeelden en religieuze cultuurvormen en religieuze usantiën, zonder ooit aan de religie zelve toe te komen. Zoo goed als men thans een psychologie zonder psyche heeft, zoo hoort men veel van een godsdienstwetenschap zonder religie. Dan blijft alle studie phaenomenaal, en achter de religie zelve komt men niet. Uit dien hoofde richt zich ook hier alles op p°stiv. Ging toch het subject zijn religie uit zichzelven construeeren, zoo zou hiermee de religie zelve vernietigd zijn. Haar kenmerk is toch, dat het subject niet alleen den kosmos buiten zich, maar in de eerste plaats zichzelven in absolute afhankelijkheid stelle van de centrale macht, wier hoogheid ze erkent. Dientengevolge kan ze zich nooit boven deze centrale macht stellen; iets, wat ze niettemin doen zou, zoo ze die macht onder zich als object van onderzoek stelde of construeerde uit zichzelve. En veel minder nog kan ze die centrale macht uit den kosmos construeeren; want eischt reeds het zedelijk besef, dat we al het kosmische aan ons ethisch leven onderwerpen, a fortiori kan dan dit kosmische nooit adaequaat zijn met de centrale macht, die onze ethische |96| wereldorde beheerscht. Phaenomenaal moge uit het subject en uit den kosmos velerlei nadere bepaling in zake de religie worden afgeleid, maar met dit alles kom ik geen stap verder, zoo ik niet eerst de kern der religie, waarvan al dit phaenomenale slechts de uitstraling is, gegrepen heb.

Hier herhaalt zich dus in nog sterker mate, wat we in de voorafgaande § voor onze verhouding tot andere subjecten vonden. Er is hier voor ons geen besef, geen gewaarwording en geen kennisse mogelijk, tenzij deze centrale macht zich aan ons openbare, ons aandoe, ons ihnerlijk aangrijpe in het centrum van onze psyche. Staan we nu als mensch tegenover mensch, dan kunnen we nog altoos uit ons eigen subject, op grond der p°stiv in onze gemeenschappelijke natuur, tot het subject van den ander concludeeren. Maar bij de religie faalt ook deze conclusie. Indien dus deze centrale macht niet op een wijze, die van ons onafhankelijk is, en die toch berekend is op den vorm van ons besef en van ons bewustzijn, zelve zich aan ons gevoelen doe en zich aan ons openbare, bestaat ze voor ons niet, en is er geen religie denkbaar. Reden, waarom ook alle stelsels, die deze centrale macht ethisch uit het subject of naturalistisch uit het object pogen te construeeren, buiten de religie omgaan en haar feitelijk loochenen. Tegen al zulk pogen geldt nog altoos de uitspraak van den Psalmist: „In uw licht zien wij het licht”, en evenzoo die andere uitspraak van den Christus: „Niemand kent den Vader dan de Zoon, en wien het de Zoon wil openbaren.” Straks mag in uw Theologie dus uw bewijsvoering aan het woord komen, om de geopenbaarde kennisse in te denken en er de gevolgtrekkingen voor het subject en voor den kosmos uit af te leiden; maar nooit kan waarneming of bewijsvoering één enkel milligram van religieus goud produceeren. Alle goudmijn der religie ligt in de zelfopenbaring van deze centrale macht aan het subject, en het subject heeft geen ander middel dan de p°stiv, om het goud uit deze mijn zich toe te eigenen. Wien iets in zake de religie op grond van deze p°stiv niet zeker in zichzelf is, kunt gij het door betoog noch bewijsvoering ooit zeker maken. Geestelijke napraters kunt ge op die wijze legio kweeken, religie in het hart nooit. |97|

Zelfs mag gezegd, dat de p°stiv eerst in zake de religie haar absolute beteekenis erlangt. Immers, bij den kosmos ondersteunt u de waarneming, bij de kennisse van andere personen uw eigen menschelijk besef, en bij de zelf kennisse van uw eigen persoon het zelfbesef van uw ik. Maar hier steunt u niets. Vooral niet gelijk nu de kosmos is, en gelijk thans uw subject bestaat. Zoo indien kosmos toch, als in uw subject gaat veeleer allerlei tegen uw religieus besef in; en tusschen u en het voorwerp uwer aanbidding ligt altoos de peilloos diepe klove van de met€basiv e¸v ˆllo g™nov, de overgang van hetgeen niet-God is tot God. Breeder mag dit hier niet uiteengezet, omdat we niet vooruit mogen loopen op het karakter der Theologie. Genoeg, zoo slechts overtuigend bleek, dat hier met name zonder p°stiv geen stap te vorderen is, en dat derhalve alle wetenschap in zake de religie niet vooruit kan komen, tenzij het onderzoekend subject door p°stiv gemeenschap hebbe, met wat voor het wezen van alle religie hoofdmoment is.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001