11. Het geloof.

In nog sterker zin dan door de sofa wordt het scepticisme gestuit door de pstiv. Deze pstiv is hier formeel bedoeld, en derhalve afgedacht van elken inhoud. Er wordt onder pstiv hier alzoo verstaan niet de pstiv n Crst HIjso in haar zaligmakend karakter voor den zondaar, en evenmin de pstiv ev Qen, waarop alle religie rust, maar die formeele functie van ons zielsleven, die aan elk feit in ons menschelijk bewustzijn ten grondslag ligt. De gemeene tegenstelling tusschen „gelooven en weten” stelt den inhoud, die door het geloof is verworven, tegenover den inhoud, die ons door de kennis is aangebracht; en dan natuurlijk staat men voor twee ongelijksoortige grootheden, die voor vergelijking onvatbaar zijn en niet ineensmelten kunnen. Men stuit dan op het ijzer en leem uit de teekening, die Daniël ons geeft; elementen, die geen vermenging gedoogen. Wil men dus ook met opzicht tot deze tegenstelling positie nemen, dan is het noodzakelijk, dat men op de formeele functie van de pstiv terugga, en onderzoeke, of deze functie al dan niet een algemeen karakter vertoont. Immers, blijkt dit, dan bestaat er ook een invloed van deze algemeene functie der pstiv op die bijzondere functie, waardoor het wetenschappelijk resultaat wordt verkregen, en kan worden nagegaan, tot hoeverre de functie van de pstiv zich kan doen gelden, en waar ze de grens voor haar werking vindt. Met opzet brengen we deze functie van de pstiv, na de bespreking der sofa, als met haar tegen het scepticisme reageerend, ter sprake. Alle scepticisme ontstaat toch uit den waan, dat onze zekerheid afhangt van het resultaat van ons wetenschappelijk onderzoek; en wijl nu dit resultaat gedurig blijkt beheerscht te worden door subjectieve invloeden, en verwikkeld ligt in den strijd tusschen de Waarheid en de Leugen, die gevolg van de zonde is, ligt er geen verweer tegen het scepticisme dan juist in het subject zelf, |73| en kan het verweer, dat het subject tegen het scepticisme bezit, voor onze wetenschap geen vrucht dragen, tenzij blijke, dat dit verweer geen individueel-subjectief karakter draagt, maar in zijn eigenlijke beteekenis aan het subject als zoodanig eigen is, en alzoo subjectief in generalen en communalen zin mag heeten. En juist dezen aard vertoont de pstiv.

Bij de uiteenzetting hiervan stuiten we echter op twee bezwaren, in wier schaduw we niet mogen blijven staan. Het eerste bezwaar is, dat de pstiv een begrip is, dat voornamelijk uit het Nieuwe Testament in ons spraakgebruik is ingedrongen, en daardoor een religieus, en in nog enger zin een soteriologisch stempel ontving. Zoo opgevat is echter met dit begrip in onze Erkenntniss-theorie niets uit te richten, en ontstaat veeleer de schijn, alsof de pstiv elk algemeen karakter miste. En het tweede bezwaar is, dat de profane literatuur het begrip pstiv bijna nimmer technisch neemt, en er dus geen vast stempel op drukte. Met name in de oude philosophie wordt met de pstiv nimmer als met een eigen functie der ziel gerekend. Al schijnt het toch, dat Pythagoras iets meer aan dit begrip gehecht en het geclassificeerd heeft, waar ons in de Theologum. Arithm. 10, p. 60, wordt bericht, hoe de Pythagorei pwnmazon atn (sc. tn dekda) qeologontev pot mn ksmon, pot d orann, pot d pn, pot d emarmnjn ka ana, krtov te ka pstin ka ngkjn, toch blijkt dit slechts in zeer oppervlakkigen zin het geval te zijn, daar van deze getallensymboliek aanstonds deze nadere verklaring wordt gegeven: pstiv ge mn kaletai (sc. dekv), ti kat tn Fillaon dekdi ka tov atv moroiv per tn ntwn o parrgwv katalambanomnoiv pstin bebaan xomen. (Zie H. Ritter en L. Preller, Historia Philosophiae Graecae, ed. oct. 1898, p. 51). Wel kan dus niet ontkend, dat Philolaus inzag, hoe de pstiv in sommige gevallen met de ngkj op één lijn staat; maar toch is van een algemeene aanwending van, dit begrip ook bij hem geen sprake.

Geen dezer beide bezwaren behoeft ons echter van een meer algemeene aanwending van dit begrip terug te houden. Niet het bezwaar aan de H. Schrift ontleend, overmits Hebr. XI : 1 ons zelfs voorgaat in het herleiden van de pstiv tot haar meer algemeene |74| beteekenis. Men leest daar dat de pstiv stin lpizomnwn pstasiv, pragmtwn legcov o blepomnwn. Hier is pstiv dus noch in uitsluitend religieuzen zin, veelmin in soteriologische beteekenis genomen, maar zeer algemeen als een pstasiv en legcov van objecten, die ontsnappen aan onze waarneming, ’tzij doordien ze nog niet aanwezig zijn (t lpizmena), ’tzij doordat ze zich niet vertoonen (t m blepmena). Wel verre van een meer algemeene opvatting uit te sluiten, noodigt dus de Schrift zelve tot het teruggaan op die algemeene opvatting uit. En wat de achterlijkheid der profane literatuur in nadere definieering van dit begrip betreft, zoo toont toch het boven aangehaalde gezegde van de Pythagorei, dat het denkbeeld, om de pstiv als schakel in de bewijsvoering op te nemen, ook aan de classieken niet geheel vreemd was; en blijkt dit nog sterker, uit wat Plutarchus schrijft Mor. 756. B., dat in goddelijke zaken geen pdeixiv is te verkrijgen, en dat dit ook niet behoeft, rke gr ptroiv ka palai pstiv, v ok stin epen odH neuren tekmrion nargsteron . . llH dra tiv atj ka bsiv festsa koin prv esebean. Woorden, die, hoewel tot het religieuze gebied beperkt, en meer met de traditie in verband gebracht, toch zekere overeenkomst met de uitspraak van Hebr. XI : 1 verraden, en de pstiv als grond van zekerheid tegen de pdeixiv overstellen.

Noch de etymologie van pstiv, en de met haar gelijkluidende woorden in andere talen, noch het gebruik dezer woorden staat aan deze algemeene aanwending in den weg. Pstiv met het grondbegrip van peqw, en in verband met de derivata: pistv, pistw, pepoqjsiv, peiqv, peiqw, en peqeia, wijst etymologisch op een actie, waardoor ons bewustzijn gedrongen wordt, zich gewonnen te geven, door iets voor waar te houden, aan iets zijn vertrouwen te schenken, aan iets te gehoorzamen. Er ligt dus niets in dan zekere macht, die op ons bewustzijn wordt uitgeoefend, waardoor het zich genoodzaakt vindt, zich te onderwerpen. Op ons bewustzijn, dat eerst gedacht wordt als onvast, onzeker en geslingerd, wordt een klem gelegd, waardoor aan die onvastheid een einde komt. Ons wordt een band aangelegd, waaraan we ons niet kunnen ontworstelen. Of ook, voor zooverre ons bewustzijn |75| die vastheid zelf begeert, wordt ons die dra ka bsiv festsa, gelijk Plutarchus het uitdrukte, of, gelijk Hebr. XI : 1 zegt, die pstasiv en dat legcov geboden. Waar de acte van het peqein voleind is, is vastheid verkregen. Mediaal drukt peqesqai de functie der ziel uit, waardoor ze in die vastheid zich inzet. En pstiv kan dus zoowel die vastheid zelve, als de actie, waardoor ik ze grijp, uitdrukken. In ym'h ligt hetzelfde gronddenkbeeld. m' is, wat vaststaat en niet wankelt. De Hiphil drukt uit datgene, waardoor die vastheid in ons geboren wordt. En ons gelooven komt wel uit een andere ader, maar laat toch dezelfde algemeene strekking toe. Met het Latijnsche lubet, verwant aan het Sanskrietsche lubh, dat zich naar iets toeneigen beteekent, en met ons lieven en loven in rechtstreeksch verband staat, wijst het op een kleven aan iets, zich aan iets vastklemmen, er door innerlijke symphathie mee verbonden zijn. Meer dan in pstiv of hnym' treedt dus in dat gelooven de relatie op den voorgrond, maar die relatie wordt zoodanig genomen, dat ze niet los, maar vast is. Wie aan iets kleeft, zich aan iets vastklemt, steunt en vertrouwt er op; terwijl in dit gelooven de fijne neventrek ligt, dat dit kleven en zich vastklemmen tot stand komt door innerlijken drang. En staat alzoo bij geen dezer uitdrukkingen de etymologie aan een meer algemeene aanwending van dit woord in den weg, evenmin schuilt er bezwaar in het gebruik van deze woorden. Niet alleen toch dat pstin cein in het Grieksch op allerlei terrein des levens werd aangewend, en ym'h schier nog uitgebreider strekking heeft, (zie b.v. Deut. XXVIII : 66, Richt. XI : 20 enz.); maar, wat nog sterker spreekt, zelfs in onze christelijke maatschappij is het gebruik van het woord „gelooven” zoo weinig tot het religieuze en soteriologische terrein beperkt, dat ons „gelooven” haast meer nog dan pstin cein gemeen goed voor alle relatiën is geworden.

Er is dus niets tegen, de uitdrukking geloof te bezigen voor die functie van onze yuc, waardoor ze, zonder eenig discursief bewijs te voeren, rechtstreeks en onmiddellijk zekerheid erlangt. Geloof komt daardoor te staan tegenover „bewijsvoering”; niet op zichzelf tegenover het weten. Dit zou wél zoo zijn, zoo ons weten en zijn inhoud ons uitsluitend door waarneming en daarop |76| gegronde bewijsvoering toekwam, maar gelijk we in 2 poogden aan te toonen, is dit niet zoo. Weten en kennis, weten en verstand is niet hetzelfde. Ik weet al datgene, waarvan het bestaan, met eenige relatie van dit bestaan, voor mij een voldongen feit is. Door geen bewijsvoering kan ooit wiskundige zekerheid worden verkregen omtrent de zoo heel uw leven beheerschende vraag, wie u bij uw moeder verwekt heeft, en toch aarzelt niemand onder gewone omstandigheden te verklaren: Ik weet, dat dit mijn vader is. Want, of men dit nu al met de waarschijnlijkheidstheorie goedpraat, dit doet niets ter zake. Een bewijs bewijst alleen datgene, wat het streng en bondig bewijst, en al wat in de uitkomst dit bondige karakter mist, is niet uit uw bewijsvoering maar van elders herkomstig; en juist op die andere bron van zekerheid komt het hier aan. Of liever, want ook zoo spreken we nog niet sterk genoeg, juist in dat andere, wat we geloof noemen, ligt de eenige bron van zekerheid, ook bij hetgeen ge door bewijsvoering streng en bondig uitmaakt.

Dat dit niet algemeen wordt ingezien, kan alleen daaruit verklaard, dat men bij zijn onderzoek naar de middelen, die ons ten dienste staan, om wetenschap te erlangen, zijn onderzoek staakt, eer het is afgeloopen. Men onderzoekt wel het gebouw, en van dit gebouw het fundament, soms zelfs de palen, die onder het fundament geheid zijn, maar naar den grond, waarop de onderste punten dezer palen rusten, vraagt men niet. Of wil men het anders uitdrukken, zeg dan, dat men wel gevoelt, dat er één doorloopende lijn moet worden getrokken van de uiterste punt in de peripherie van het object tot in de kern van uw ik; maar als men dan zoo na mogelijk aan het ik is toegekomen, doch er nog altoos door een merkbare klove van gescheiden staat, verzuimt men een brug te zoeken, en springt eenvoudig over de klove heen. En dit nu is ongeoorloofd wijl onlogisch. Een keten valt onherroepelijk naar beneden, zoo er ook maar één schakel in ontbreekt, en hierdoor de twee schakels, die hij verbinden moest, haar trait d’union missen.

Reeds aanstonds komt dit uit bij het zelfbewustzijn, waardoor we ik zeggen. Een kind, waarin het zelfbewustzijn nog niet ontwaakt is, spreekt van zichzelf in den derden persoon. Er is dan |77| in zulk een kind wel zeker denken, meer nog zekere hoeveelheid van weten, maar dat alles is nog zijn eigendom niet. Er is bezit, maar de bezitter is nog anoniem. Nu is intusschen dat zelfbewustzijn voor ons een ondoorgrondelijk mysterie. Te zeggen, dat het door vergelijking ontstaat, is een zich paaien met woorden, want juist om het subject, dat vergelijken zal, is het te doen. En ook kan men niet zeggen, dat het zelfbewustzijn met de natuur van onze yuc één is, want dan zou het ook in het kind moeten spreken, het zou ons onder alle levensomstandigheden bij moeten blijven, en die soort van krankzinnigheid, waarin men waant een ander te zijn, zou onze menschelijke natuur opheffen. Ge hebt dus in uw zelfbewustzijn met een volkomen raadselachtig verschijnsel in uw zieleleven te doen, dat eerst op zekeren leeftijd zijn werking openbaart, soms sluimeren kan, en in den waanzin soms voor jarenlang kan ondergaan. Bovendien met een verschijnsel, dat ook in den onbewusten toestand van uw slaap u bijblijft, want immers ook in onze droomen zijn wij het, die angst uitstaan, en beweegt alles zich om onzen persoon. Nu is intusschen dit zelfbewustzijn voor de wetenschap, die we zoeken te verwerven, volstrekt niet een bijkomstig iets. Aan dit zelf bewustzijn toch hangt het subject, dat onderzoekt, en zonder dat subject is geen onderzoek denkbaar. Wie dit zelf bewustzijn nog mist, is, gelijk het kind, buiten staat, om zichzelf van het object af te scheiden, en evenzoo om conclusiën te trekken uit zijn innerlijke gewaarwordingen. Feitelijk ligt dus in dit zelfbewustzijn the starting point, en blijft het alzoo een leemte, zoo men dit zelfbewustzijn buiten beschouwing laat. Juist hieruit echter volgt dan ook, dat ge zonder pstiv het uitgangspunt van alle weten mist. Want wel is de uitdrukking: „Ge moet aan uzelven gelooven” in humanistische kringen misbruikt, èn om de verloochening van onszelven, èn om ons geloof in God te verzwakken, maar feitelijk is het toch zoo, dat wie niet begint met aan zichzelf te gelooven, geen stap verder komt. Nooit kan iets anders dan de pstiv u in uw bewustzijn zekerheid omtrent het bestaan van uw ik geven; en zelfs alle proef op de som, die ge moogt pogen te leveren, door uw wil te toonen, desnoods uw moedwil te openbaren, en wat dies meer zij, zal |78| nooit eenige kracht van bewijs bezitten, tenzij vóór alle dingen, alleen op grond van de pstiv, de wetenschap van uw ik voor uzelven vaststa. In het cogito ergo sum is de logische fout dan ook sinds lang aangetoond. Het ego, waarop de conclusie bij het sum wil neerkomen, is in de premisse bij het cogito reeds geponeerd.

Doch de onmisbaarheid van de pstiv gaat veel verder, en veilig mag gezegd, dat zelfs in de dusgenaamde exacte wetenschappen nooit eenig onderzoek, noch eenige conclusie denkbaar is, dan voor zooverre èn de waarneming bij het onderzoek, èn de redeneering bij de conclusie gegrond zijn op pstiv. Een spel met het woord pstiv is hier niet bedoeld; pstiv wordt door ons in zijn meest eigenlijke beteekenis genomen. Immers, door pstiv zijt ge zeker van al datgene, waaromtrent ge een vaste overtuiging bezit, zonder dat die overtuiging bij u vrucht is van waarneming of bewijsvoering. Dit nu kan gevolg van traagheid wezen, zoodat ge de gemakkelijker en onverwijld gereede pstiv aanwendt, waar de langere weg van waarneming en bewijsvoering geboden was. Zoo wordt de pstiv misbruikt, en dit misbruik worde bestreden. Ook zelfs echter in dit misbruik blijft het formeele karakter van de pstiv ongeschonden. Goed gebruikt of misbruikt, pstiv is en blijft altoos een middel, om zekerlijk van iets overtuigd te zijn, en deze overtuiging als uitgangspunt van gedraging te nemen, zonder dat voor die overtuiging een empirisch of demonstratief bewijs geboden of gevonden is. Pstiv kan nooit anders zijn dan een onmiddellijke daad van ons bewustzijn, waardoor in dat bewustzijn zekerheid omtrent eenig punt ontstaat buiten alle waarneming of bewijsvoering om. Want wel hoort men vaak spreken van „de gronden, waarop uw geloof rust” en van „den laatsten grond van uw geloof”, maar in al zulke zegswijzen wordt onder geloof niet de pstiv zelve, maar de inhoud van deze pstiv verstaan, en daarover handelen we hier niet. Hier is de pstiv alleen als middel, om zekerheid te bezitten, aan de orde, en als zoodanig behoeft ze niet alleen geen bewijs, maar laat ze geen bewijs toe. In dien zin nu wezen we er in de eerste plaats op, dat de zekerheid omtrent ons ik in ons eigen zelfbewustzijn, als aan elke denk- of waarnemingsacte voorafgaande, alleen door pstiv in ons ontstaan kan, of, wilt |79| ge, niet door ons verworven wordt, maar ontvangen bezit is, waarvan geen rekenschap kan worden afgelegd.

Ditzelfde nu geldt evenzoo van het uitgangspunt voor alle waarneming. Alle waarneming geschiedt door de zintuigen, hetzij ge deze met hun natuurlijke kracht laat werken, hetzij ge die door technisch apparaat versterkt. Nu staat het echter niet zoo, dat onze zintuigen zouden waarnemen, want ons ik neemt waar door middel van die zintuigen. De kranke, die met wijdopgesperde oogen op zijn ziebed ligt, maar verbijsterd van geest is, neemt niets waar, ook al staan de beelden uit zijn omgeving op het netvlies van zijn oog gekaatst. In uw slaap kan er velerlei geluid in uw slaapkamer trillen in de luchtgolven, zonder dat gij wakker wordt en dus door uw gehoor dat geluid waarneemt. Het is dus onwetenschappelijk en oppervlakkig, om bij de zintuigen te blijven staan. De via cognitionis loopt wel door de zintuigen, maar hij loopt verder, en wordt ook voortgezet van het zintuig door de zenuwen en de hersenen, en achter deze van onze sensorische geleidingen uit tot dat mysterieuze, dat we ons bewustzijn en, in het centrum van dat bewustzijn, ons ik noemen. De beoefenaars der dusgenaamd exacte wetenschappen, die achten, dat hun nog onberedeneerde, rechtstreeksche kennis van het object uitsluitend op de werking der zintuigen berust, vergissen zich dus ten eenenmale, en veroorloven zich een sprong, waartoe ze geen recht hebben. Zal hun ik kennis van het object erlangen, dan kunnen ze bij de actie der zintuigen niet staan blijven, maar dient ook de vraag gesteld, hoe het ik zekerheid erlangt omtrent de realiteit der waarneming. Ge ontvangt door middel van uw zintuigen gewaarwordingen en indrukken; maar het resultaat hiervan in uw bewustzijn bestaat in vormen, beelden, gestalten, figuren, die niet ongelijksoortig zijn, aan wat ook buiten waarneming door verbeelding, in den droom, in de extase voor uw geest opdoemt. Waarde verkrijgt uw waarneming door middel uwer zintuigen dus dan eerst, als ge weet, dat uw zintuigen u aandoeningen in uw sensorisch zenuwleven gaven, die uit een reel object kwamen, en in haar afwisselingen en opeenvolgingen door de gesteldheid van dit object veroorzaakt zijn |80| Feitelijk komt dus alles hierop aan, dat uw ik aan uw zintuigen gelooft. Is de werking van uw zintuigen door pstiv met uw ik in verband van zekerheid gebracht, dan ja, maar ook dan alleen, kunt ge op de waarneming door middel van uw zintuigen afgaan. Eer niet. En het besef van deze pstiv en de zekerheid, die ze verleent, is zoo sterk, dat we in den regel het onderscheid, tusschen hetgeen product van droom en phantasie, of wel van waarneming, is, onmiddellijk grijpen. De werking dezer pstiv neemt echter af, als onze geest abnormaal wordt, in koortsachtige overspanning, in oogenblikken van angst, bij hypochondrie of opkomenden waanzin; dan overvalt ons een onzekerheid, bij wat we waarnemen of meenen waar te nemen, die we in normalen toestand, als de pstiv geregeld werkt, niet kennen. En wel dient toegestemd, dat opzettelijk bedrog ons verleiden kan, voor werkelijk aan te zien, wat slechts in schijn bestaat, maar zelfs deze altoos min of meer beschamende ervaringen verhinderen ons niet, onverwijld daarna weer, dank zij deze pstiv, onzen normalen stand in de werkelijkheid te hernemen. Wie er inliep, doordien men hem liet schrikken voor een spookverschijning, die van achteren niet reëel bleek, zal op weg naar huis, als er een hollend paard aankomt, er toch voor uit den weg gaan, en geen oogenblik in het onzekere verkeeren, of dat hollende paard wel een reëele verschijning is. Al dient dus erkend, dat deze pstiv, waardoor ons ik in onze zintuigen gelooft, door ontzetting van onzen geest abnormaal kan worden, en evenzoo speelbal van misleiding kan zijn, toch is en blijft deze pstiv een zekerheid biedende werking in onzen geest, die terstond haar heerschappij herneemt.

Dit is zelfs zóó waar, dat feitelijk onze geheele overtuiging omtrent de realiteit van het object uitsluitend aan deze pstiv te danken is. Zonder deze pstiv kunt ge uit uw ik nooit tot het niet-ik komen; is er nooit een andere brug van het fainmenon naar het nomenon te leggen; en wetenschappelijk hangt alle resultaat van waarneming in de lucht. De lijn van Kant op Fichte is dan de eenige lijn, waarlangs ge u bewegen kunt. En nu is het wel, waar, dat de waarneming ook vatbaar is voor contrôleering; de waarneming van het ééne zintuig door die van het andere; |81| de waarneming van heden door die van morgen; de waarneming van A door die van B; maar vooreerst helpt u dit niets, zoolang de pstiv u omtrent geen enkele waarneming zekerheid biedt. Immers met x kunt ge x niet contrôleeren. En ten andere staat het feit vast, dat ieder mensch, met uitzondering misschien van een enkel geestelijk-krank geworden philosoof, zonder aan contrôle te denken, of eenige contrôle hoegenaamd toe te passen, elk oogenblik van den dag in de zekerheid verkeert, dat zijn omgeving zóó en zóó werkelijk bestaat, en zonder de minste aarzeling, op grond van die zekerheid, handelt en te werk gaat, Als ge in uw kamer zit, en er komt iemand binnen, en spreekt u aan, dan denkt niemand er aan, eerst dit feit te gaan contrôleeren, maar dan bezit ge op staanden voet de zekerheid, dat daar iemand voor u staat en u aanspreekt, en ge rekent daarmee, en handelt dienovereenkomstig. Op dit feit rust heel de menschelijke samenleving, rust alle waarneming, en dus ook alle wetenschappelijke kennis, die uit de waarneming wordt opgebouwd en dit feit nu valt opeens weg, zoo niet de pstiv in u werkt, om uw ik aan uw zintuigen te doen gelooven.

Dit is zoo waar, dat de meest exacte wetenschap eerst na afloop van de waarneming in hoogeren zin aan haar wetenschappelijke taak toekomt. Bacteriën of microben waar te nemen is op zichzelf evenmin een daad van wetenschap als het waarnemen van paarden en koeien, die in een weide grazen. Het eenig verschil tusschen belde waarnemingen toch is, dat paarden en koeien in de weide met het bloote oog waarneembaar zijn, en bacteriën en microben alleen voor het gewapend oog. Nu vergisse men zich echter niet. De wapening van het oog was het resultaat deels van vinding, deels van wetenschappelijke constructie. Maar de bacterioloog, die een maximum-microscoop in zijn laboratorium gebruikt, maakte dien zelf niet, maar kocht hem, en al wat hij doet is, door middel van dien microscoop zien. Een oude van dagen kan met het bloote oog de letters niet meer onderscheiden en koopt een bril, maar wie zal nu zeggen, dat hij een daad van wetenschap volbrengt, enkel omdat hij thans met hulp van die bril leest, wat hij eerst las zonder bril. Wel komt hier technische geoefendheid te pas bij het gebruik |82| van den microscoop; ook nauwkeurigheid; en zeker inventief instinct bij het constateeren, Van wat men waarneemt. Ook zal veelszins wetenschappelijke kennis van het terrein, waarop men waarneemt, eisch zijn. Maar dit alles neemt niet weg, dat de waarneming zelve geen wetenschappelijk karakter draagt, en de wetenschappelijke taak van den waarnemer eerst begint, als het resultaat der waarneming voor hem ligt. De landbouwer, die op zijn stal en op zijn akker de gegevens en verschijnselen der natuur waarneemt, oefent in den grond der zaak dezelfde functie uit als de observator in zijn laboratorium. Waarnemen is de gemeene functie, van al wat mensch heet, en al neemt nu de volwassen man meer en beter waar dan het kind, daarom is de waarneming van een volwassen man nog geen beoefening der wetenschap. Wie een scherpen, penetreerenden blik heeft, ziet allerlei, wat de gewone mensch niet ziet, maar wien kwam het ooit in den zin, deswege de waarneming van den scherpziende wetenschappelijk te noemen? En al is het dus, dat de observator in zijn laboratorium allerlei met het gewapend oog ziet, wat zich anders niet ontdekt, hoe zou dit ooit op zijn arbeid het stempel der wetenschap kunnen drukken? Werd plotseling ons oog zóó versterkt, dat het in gezichtskracht gelijkstond met den microscoop, zoo zou een ieder zien, wat hij ziet. Zijn voordeel is alleen, dat zijn oog gewapend is. Gewapend op dezelfde wijs, als het oog van den stuurman op de brug van zijn schip gewapend is, die, door dit gewapend zijn van zijn oog, reeds op verren afstand de nadering van een op hem aankomend schip ontdekt. Gewapend op dezelfde wijze als het oog van den alpenjager, die door den telescoop in de verte de gems op den gletscher ontdekt. Alleen maar met een verschil in graad. Maar hoe zou nu ooit dit verschil in graad van gezichtswapening aan den arbeid in het laboratorium een wetenschappelijk karakter kunnen leenen, dat niemand aan dien scheepskapitein of aan dien gemzenjager ooit zal toekennen? Zeg dus, dat de voorbereiding van den chemicus wetenschappelijk is, dat zijn doel in de wetenschap ligt, dat hij straks met het waargenomene wetenschappelijk zal te werk gaan. Alles wel, mits ge maar toegeeft, dat zijn waarneming als zoodanig elk wetenschappelijk |83| karakter mist, en dat een chemicus, die zich bepaalt tot waarnemen, nog in geen enkel opzicht wetenschap beoefende. Alle zekerheid toch, voor zoover ze door waarneming verkregen wordt, rust uitsluitend op de pstiv, dat hetgeen de zintuigen ons vertolken, vertrouwen verdient.

Staat het zoo geschapen én met de zelfbewustheid van ons ik én met de zekerheid, die door waarneming wordt verkregen, niet anders staat het met de bewijsvoering, of met de handeling van ons redeneerend verstand. Ook hier toch kunt ge niet op gang komen, tenzij ge een uitgangspunt hebt. Vandaar, dat men van oudsher sprak van axiomata, die, eer ge aan uw bewijsvoering toekomt, als vaststaande gelden. Nu is dit woord niet zeer gelukkig gekozen, daar het denken doet, aan wat een opinie, een meening is; doch ook reeds in dit min goed gekozen woord drukt ge dan toch uit, dat de grondstellingen, waarop ge bouwen gaat, geen resultaat zijn van bewijsvoering, ja, niet voor bewijs vatbaar zijn. Al wat ge er van zeggen kunt, is dat niemand ze weerspreekt; dat ieder ze, bewust of onbewust, toestemt; en dat ge dus bij niemand op verzet stuit, zoo ge er van uitgaat. Toch is dit op zichzelf nog niets dan een argumentum ad hominem, en dus in geen enkel opzicht een bewijs. Er blijft dus niets anders over dan te verklaren, dat deze axiomata met ons zelfbewustzijn zelf gegeven zijn; er in kleven; er onafscheidelijk van zijn; en alzoo hun zekerheid vanzelf medebrengen. Daar nu zekerheid het hoogste is, waarnaar ge streeft, blijft u niets te wenschen over, indien ge omtrent deze axiomata maar volle zekerheid in uzelven bezit. Doch wat is juist dit nu weer anders dan de pstiv? Ze, staan voor u vast, ze zijn voor u boven allen twijfel verheven, ze bieden u zekerheid in vollen zin, niet omdat ge ze bewijzen kunt, maar omdat gij ze onvoorwaardelijk gelooft. De pstiv is dus ook hier de mysterieuze band, die uw ik met deze axiomata verbindt. Iets, waarbij het zeer zeker voorkomen kan en voorgekomen is, dat men te spoedig voor een axioma aanzag, wat later wel degelijk vatbaar bleek voor bewijs; maar dit toont hoogstens aan, dat onze geest, in verband met wat we boven over de sofa opmerkten, ook intuïtieve kennis bezit, en dat |84| deze intuïtieve kennis vatbaar is voor verwarring met de formeele acte van onze pstiv. Doch al nam men enkel het identiteitsbegrip, dat A = A is. zoo zou nochtans het feit vaststaan, dat de overtuiging, die uitgangspunt voor alle bewijsvoering vormt, zelve niet door bewijsvoering, maar alleen door pstiv vaststaat.

Doch ook hiermede is de beteekenis van de pstiv voor den „weg der kennis” nog op verre na niet uitgeput. Immers, even goed als de pstiv het dv moi po st voor onze waarneming en voor het axiomatisch uitgangspunt van elke bewijsvoering levert, is zij het ook, die ons het motief voor de opbouwing van alle wetenschap biedt. Dit motief ligt in de codificeering van de generale wetten, waardoor de verschijnselen blijken beheerscht te worden. Waarneming zelve is nog geen wetenschap in edeler zin. Uit de waarneming wordt dan eerst de wetenschap geboren, zoo het ons gelukt uit die verschijnselen, die elk op zichzelf niet dan een concreet en afzonderlijk geval opleveren, op te klimmen tot de algemeene wet, die al deze verschijnselen in hun veranderingen leidt. Ge stemt dus toe, dat zonder de zekerheid omtrent het bestaan en de geldigheid van deze wetten alle wetenschappelijk pogen doelloos blijkt. Hoe echter komt ge nu tot de kennis van deze wetten? Hebt ge vooraf alle verschijnselen, die tot eenzelfde groep behooren, onderzocht, en concludeert ge alsnu, dat in alle deze verschijnselen deze zelfde actie op dezelfde wijze bleek te werken, en dat dus op dien grond behoort vastgesteld, dat in deze groep fainmena deze, aldus omschreven, wet heerscht? Natuurlijk niet. Het staat zelfs niet in uw macht. Ja, het denkbeeld zelf van zulk een generale wet sluit zulk een alomvattend onderzoek uit. Juist toch als het een generale wet zal zijn, moet ze gegolden hebben in de eeuwen, toen gij er nog niet waart, en moet ze gelden in de eeuwen, als gij er niet meer zijn zult. En ook, ze moet tijdens uw leven gelden overal, ook waar gij niet zijt, en dus waarneming u onmogelijk is. En wat meer nog zegt, stel eens, dat uw kennisse van deze wet op die manier verkregen ware, zoo zou ze immers haar belang voor u verloren hebben. Wat toch in de kennis van zulk een wet u boeit, is juist het feit, dat deze kennis u in staat stelt, te zeggen, hoe het er in deze groep van verschijnselen toeging, eer gij er waart, en toe zal gaan, als gij |85| er niet meer zijn zult. In die wet ligt voor u de sleutel tot het mysterie, en aan deze tooverkracht dankt ze voor u haar bekoring. Maar, eilieve, hoe komt ge dan tot de kennis van deze wet? Ge hebt een zeker aantal gevallen waargenomen; die waarneming toont u zekere constante actie; deze constante actie brengt u op het vermoeden, dat deze actie altoos constant zal zijn; ge hoort van anderen, die op gelijke waarneming gelijke conclusie bouwden; ge neemt opzettelijke proeven, en het blijkt u, dat ge, zoo te werk gaande, dezelfde actie in het leven kunt roepen; geen geval is u bekend, dat die actie zich niet vertoonde; niemand weerspreekt uw vermoeden; een ieder, die let op hetgeen, dat uw aandacht trok, komt tot dezelfde conclusie; en zie, op grond hiervan gaat het nu wetenschappelijk vaststaan, dat in deze groep verschijnselen die en die wet alzoo en alzoo werkt. Uitnemend! Maar hebt ge nu die wet bewezen? Is nu de zekerheid, die ge aangaande het bestaan van die wet bezit, vrucht van bewijsvoering? Uw bewijsvoering kan zich toch nooit verder uitstrekken dan uw waarneming strekte, en die waarneming gold stellig nog niet één billioenste deel van de gevallen, die in aanmerking komen. Of in die waargenomen gevallen het post hoc tevens een propter hoc was, is lang niet altoos empirisch aan te toonen. Dit bewijs is dan eerst geleverd, als men de genetische werking van de oorzaak in haar geheele ontwikkeling volgen kan. En toch aarzelt men niet tot een generale conclusie te komen, ook waar deze genetische kennis ontbreekt. Dat kinine koorts stuit, geldt als een generale conclusie, zonder dat het nog aan iemand gelukt is, de werking van de kinine op het bloed genetisch te verklaren. In dit geval nu schaadde dit niet. Maar evenzoo achtte men zich, zonder de genetische werking van de koepokstof te kennen, gerechtigd tot de generale conclusie, dat de inenting met deze stof de pokziekte op onschadelijke wijze voorkwam, en haalde de Overheid zelfs over, om, op grond van deze, zoo het heette, wetenschappelijk ontdekte wet, de vaccinatie te gelasten; om nu, helaas, eerst vanachter te bespeuren, hoe onvoorzichtig men hierbij geconcludeerd had. Voorzichtigheid is hierbij alzoo in de hoogste mate noodzakelijk, wil men niet als generale wet proclameeren, wat van achter vaak blijkt, op gebrekkige |86| waarneming te rusten. Doch ook al zondert men deze gevallen uit, en al bepaalt men zich tot die generale wetten, die bij niemand meer tegenspraak lijden, dan nog keert altoos de vraag terug: waarop rust uw zekerheid, dat uw conclusie juist is? Ge zegt: „Omdat ik het u dadelijk voor kan doen, en kan doen zien, dat het uitkomt, terwijl niemand in staat is, zulk een verschijnsel in het leven te roepen, waarbij die wet niet uitkomt.” En nogmaals zeggen we: uitnemend! Immers de wet van de zwaartekracht en zooveel meer staat voor ons even vast als voor u; maar we blijven vragen: waar is uw bewijs? En op die vraag is nooit een ander antwoord te geven, dan dat ook hier de pstiv intreedt, om u aan het bestaan en aan de absolute geldigheid van zulk een wet te doen gelooven. Niet natuurlijk, alsof de formule voor deze bepaalde wet op pstiv zou rusten. Die formule is resultaat van uw onderzoek. Maar het denkbeeld zelf, dat er zulke wetten zijn, en dat het bestaan van zulke wetten voor u vaststaat, zoo zich die en die verschijnselen voordoen, komt niet uit uw bewijsvoering, maar wordt bij uw bewijsvoering ondersteld, is de basis, waarop uw bewijsvoering rust, en blijkt van achter datgene te zijn, waardoor ge zekerheid erlangt. Zonder het geloof aan het bestaan van het generale in het bijzondere, van wetten, die dit bijzondere beheerschen, en aan uw recht, om op zeker aantal waarnemingen een generale conclusie te bouwen, kwaamt ge tot de erkenning van zulk een wet nooit. Immers een der primordiale stellingen in uw logica is: a particulari ad generale non valet conclusio. Zeer juist, maar al uw waarneming heeft altoos met het particulare te doen. En zoo zoudt ge nooit tot een generale conclusie komen, indien de pstiv u niet èn de idee van dat generale èn het recht, om er toe te concludeeren, schonk.

Geldt dit nu van alle wetenschappen, toch ontrust dit den man van wetenschap niet, omdat de pstiv, die noodig is voor de zelfbewustheid van het ik, voor het verkrijgen van het axiomatisch uitgangspunt, en voor het vormen van generale conclusiën, in deze algemeenheid genomen, bij ieder, die meetelt, aanwezig is. Wel komt er een oogenblik een dissonant in deze harmonie, als men hoort, dat iemand nog aan de realiteit van een wonder gelooft; doch |87| hier zet men zich overheen. Immers, ook al zijn die wonderen reëel, toch tellen ze, juist omdat ze wonderen zijn, in de gewone wetenschap niet mee. Feitelijk beschouwt men bij het wetenschappelijk onderzoek de pstiv dus als een quantité négligeable, wijl ze bij allen dezelfde is en dus geen verschil voor de conclusie maakt. Natuurlijk mag dit niet, en dient er al sterker geprotesteerd tegen deze den naam van wetenschap onwaardige oppervlakkigheid; maar de valsche antithese tusschen geloof en wetenschap is nu eenmaal zoo sterk gespannen, dat zij, die het sterkst op de wetenschap gaan, liefst elke korrel van den zuurdeesem des geloofs uitzuiveren.

Doch hoe nu, als we het terrein der natuurkundige wetenschappen verlaten, en overtreden op het erf der gemengde en der geestelijke wetenschappen? Ook hier toch treedt de pstiv als onmisbare factor op, en dat wel op een wijze, die niet bij alle dezelfde is. Bij de gemengde en bij de geestelijke wetenschappen komen we onmiddellijk in aanraking met de varieteit van het subject, en stuiten we telkens; op wat we in 7 als het feit der zonde hebben toegelicht. Neem zoo b.v. de historie. Hier is alle waarneming, met uitzondering van een niets zeggend deel, dat ge zelf van nabij mee doorleeft, uit de tweede, derde en vierde hand. Er is een traditie. Verdient ze vertrouwen? Onder een actestuk, staat een naam; is die naam van den onderteekenaar? Ge moet een document gebruiken; is dit document echt? Twijfel is hier niet onnatuurlijk. Omtrent gebeurtenissen, die ge zelf hebt meegemaakt, gaf men in vergaderingen, in de pers, in overzichten vaak een voorstelling, die gij weet, dat onjuist was; vaak geschiedde dit door personen, die er, evenals gij, bij waren geweest; en lang niet altoos hadt ge het recht, kwade trouw te onderstellen; maar toch ook die kwade trouw was soms helder als de dag voor u bewezen. Maar indien nu de moeilijkheid, om de waarheid te constateeren aangaande een gebeurtenis, waarvan de personen nog leven, en alle officieele stukken u ten dienste staan, en waar ge alles van weet, reeds zóó groot is, wat komt er dan terecht van de historie uit lang vervlogen eeuwen, van geheel andere landen en streken, u toesprekend uit documenten, waarvan zelfs de taal voor u soms twijfelachtig is? En dit geldt nu nog alleen de |88| constateering der feiten; edoch dit geeft kroniek, nog geen historie. Historie eischt psychologische verklaring, eischt het vinden van een leidend motief in de gebeurtenissen, eischt verband tusschen die gebeurtenissen, eischt een conclusie, die tot profetisch inzicht in de toekomst leidt. Ge moet dus achter de feiten doordringen tot de karakters, de overleggingen en bedoelingen der handelende personen; en achter die personen moet ge doordringen tot de algemeene drijfveeren, waardoor tal van personen, vaak onbewust, zijn aangedreven. Zoolang dit generale motief niet gevonden is, is er ook in de historie geen wetenschap. Meer nog, de historie is rechter tevens. Het verleden is geen caleidoscoop, dien ge voor uw oog laat wentelen. Er is in die historie een worsteling, van wat ook u heilig en waar is, tegen wat ge verfoeit en betreurt. Ge hebt dus ook oordeel te vellen. Uw sympathie en antipathie gaat werken. Ge bespiedt in die historie het worstelleven, van wat in uzelf en in uw eigen omgeving en in uw eigen leeftijd nawerkt. En is dit zoo, hoe zal er dan in de rij der wetenschappen ooit plaats zijn voor een wetenschap der historie, zoo ge èn bij uw constateering van het verleden èn bij uw poging tot verklaring van dat verleden, èn bij uw oordeel over dat verleden, alle pstiv uitsluit, en niets toelaat, dan wat vrucht is van rechtstreeksche waarneming der zintuigen of door logische bewijsvoering is verkregen?

Nu geldt hetzelfde, wat hier van de historie is gezegd, mutatis mutandis in meerdere of mindere mate van alle geestelijke wetenschappen, om de eenvoudige reden, dat bij alle deze wetenschappen het mysterie van den mensch voor u treedt, en ge zoomin het mysterie van uw eigen wezen, als dat van uw naaste, onder het bereik van uw zintuigen of van uw logica kunt brengen. Vandaar, dat zelfs de medische wetenschap, zoodra ze het bloot empirische terrein verlaat, en dus wetenschappelijk wordt, met dezelfde moeilijkheden, zij het ook in mindere mate, te worstelen heeft. Volstrekt niet alleen bij de Psychiatrie, maar evengoed bij de Physiologie en de Pathologie komt ze in aanraking met invloeden en werkingen, waarvan de verklaring in de materie niet is te vinden, maar schuilt in de psyche. Magnetisme en Hypnotisme zijn daarom, ook na de |89| interessante studiën van professor Bernheim, nog niet door de medische wetenschap geneutraliseerd.

Dat nu bij alle contact met deze onzichtbare wereld in de menschelijke persoonlijkheid de pstiv, en niets dan de pstiv, de grond van iedere handeling is, toont het gemeene leven. Als iemand zich bij ons aanmeldt en zegt, wie hij is, beginnen we, met dit voor waar aan te nemen, en aan hetgeen hij ons zegt van zichzelf, hechten we waarde, ook zonder eenig nader bewijs van de waarheid of zonder dat contrôleering ons mogelijk was. Neem dit onderling vertrouwen uit de maatschappij weg, en geen samenspreking noch menschelijke samenleving is meer mogelijk. En zoo vast en hecht en bijna onuitroeibaar is dit vertrouwen in ons gegrond, dat zelfs de gestadige ervaring van bedrog dezen algemeenen grondslag van het leven niet wegneemt. Die ervaring maakt ons wel bedachtzamer en voorzichtiger, maar zoolang geen reden voor wantrouwen aanwezig is, blijft het vertrouwen regel der samenleving. Dit nu komt daarvandaan, dat niemand in staat is, het inwendige van eens menschen persoon te ontsluiten dan die mensch zelf. Wat ge uw waarneming noemt, is bij den mensch nooit iets anders dan de waarneming van zijn levensuitingen. Daar hij nu deze levensuitingen voor negen tienden in zijn macht heeft, en ze kan inhouden of vervalschen, is de wetenschap, die ge door waarneming van den mensch verkrijgt, altoos uiterst beperkt, en in zichzelf onzeker. Niet waarneming, maar openbaring is het middel, waardoor de kennis van den menschelijken persoon u moet toekomen. Van individuen, die zich niet kunnen openbaren, omdat ze stom zijn, weet ge dan ook zoo goed als niets. En zelfs die openbaring, die een persoon u van zichzelf geeft, is op zichzelf u nog tot niets nut, indien ge niet in uw eigen persoon de verwante gevevens bezit, om te verstaan, wat hij met zijn openbaring bedoelt. Nu is er zeer zeker ook zekere contrôle, waardoor men iemands zelfopenbaring beoordeelen kan; maar vooreerst is deze contrôle dikwijls weinig afdoende, en ten andere kan ze slechts in bijzondere gevallen worden toegepast. De rechter moet dan ook meestal afgaan op bekentenissen van den aangeklaagde en op de verklaringen van getuigen, die beide bijna uitsluitend door de |90| pstiv kracht van bewijs erlangen. En staat het reeds zoo geschapen met de kennisneming van uw naaste omgeving, nog sterker wordt ge naar de pstiv verwezen, waar het geldt personen, die op een afstand van u leven, of leefden in vroeger tijden. Wat in Japan voorvalt, weet ge alleen door anderer zeggen, en ook al zijt ge geheel buiten staat, deze mededeelingen te contrôleeren, zoo slaat ge er toch grosso modo geloof aan, en twijfelt ge geen oogenblik, of ge zoudt, in Japan aankomende, den toestand zóó en zóó ongeveer vinden. Omtrent menig deel van Afrika rust uw voorstelling zelfs op de mededeeling van één enkel man. Iets, wat u daarom toch niet tot een scepticus maakt. Ja, al wierdt ge keer op keer in uw goed vertrouwen teleurgesteld, toch zoudt ge daarom uw onuitroeibaar vertrouwen niet varen laten, eenvoudig omdat dit vertrouwen in uw natuur kleeft en voor het leven zelf onmisbaar is. En dit nu geldt ook met het oog op het verleden. Zelfs wat uw eigen verleden betreft, twijfelt ge geen oogenblik, of de vrouw, die ge als moeder liefhadt, was uw moeder, en de man, dien ge met den vadernaam toespraakt, was uw vader. Waargenomen hebt ge uw ontvangenis en geboorte niet. Bewijzen kunt ge ze evenmin. En toch, als er geen bijzondere oorzaak is, die tot twijfelen dwingt, leeft elk kind in de heerlijke vreugde, van zijn wezenlijken vader en moeder te bezitten. Hier nu ligt het uitgangspunt van de macht en het recht van de traditie, die zeer zeker lang niet zelden met dwaling of leugen vermengd wordt, maar die toch op zichzelve den natuurlijken band vormt, die ons bewustzijn met het verleden verbindt, en alzoo vrijmaakt van de beperktheid van het oogenblik.

De gewone voorstelling, alsof de wetenschap een voor allen gelijkelijk geldende waarheid, uitsluitend op den grondslag van waarneming en bewijsvoering, zou vestigen, terwijl het geloof slechts aan de orde zou komen in het rijk der vermoedens, waar alle zekerheid ontbreekt, blijkt alzoo ten eenenmale onhoudbaar te zijn. Bij alle uiting van zijn persoonlijkheid, en zoo ook bij het verwerven van eenige wetenschappelijke overtuiging, gaat een ieder van geloof uit. Geloof is en blijft altoos en op elk gebied de laatste schakel, waardoor het object van ons weten |91| met ons wetend ik in verband wordt gezet. Zelfs bij bewijsvoering staat niets voor u vast, omdat het u bewezen wordt, maar omdat ge gedwongen zijt inde kracht der bewijsvoering te gelooven. Dat dit gemeenlijk over het hoofd wordt gezien, is, omdat de pstiv, die bij onze waarneming en onze bewijsvoering werkt, in de stoffelijke wetenschappen bij alle individuen vanzelf en gelijkelijk dienst doet, en alzoo nooit in geschil komt, terwijl men bij de geestelijke wetenschappen wel steeds gedwongen was zekeren onbekenden factor in zijn bewijsvoering toe te laten, en voor deze X iets van het absolute der verkregen zekerheid af te trekken, maar dit onder den naam van evidentie of moreele zekerheid verbloemde. Juist daarom echter was het van hoog belang aan te toonen, dat het element in onzen geest, waardoor de zekerheid wordt verkregen, niet slechts bij de geestelijke, maar evenzoo bij de stoffelijke wetenschappen, de pstiv is. Iets, waaruit volgt, dat de mindere graad van zekerheid, die bij de geestelijke wetenschappen wordt bereikt, niet hieruit is te verklaren, dat men bij de geestelijke wetenschappen wel, en bij de stoffelijke wetenschappen niet, met de pstiv te rekenen heeft, maar uit het feit, dat bij de geestelijke wetenschappen de pstiv van den één blijkt op andere wijze te werken dan de pstiv van den ander. Een moeilijkheid, die men thans wel poogt te boven te komen, door ook de geestelijke wetenschappen zooveel mogelijk van de zichtbare wereld uit te naderen (physische en physiocratische psychologie enz.), maar zonder dat men hierdoor voor de kennis van het psychische en dus eigenlijke object dezer wetenschappen ook maar één stap verder komt. De ongelijke werking der pstiv op het terrein der geestelijke wetenschappen heeft tweeërlei oorzaak. Eenerzijds de inwerking op deze pstiv van de gesteldheid van het subject; en anderzijds het feit, dat bij de geestelijke wetenschap de pstiv niet slechts formeel werkt, maar ook inhoud aanbiedt.

De eerste oorzaak is hieruit te verklaren, dat de unificeerende macht van het object bij de geestelijke wetenschappen de subjectieve differentieering niet beheerscht. Bij de stoffelijke wetenschappen is het subject genoodzaakt, uit zijn psychisch centrum |92| zich zoo ver mogelijk naar het object over te buigen, en dit brengt teweeg, dat alle subjecten hier slechts met dien kant uitkomen, die bij allen bijna dezelfde en gelijk is. Zoodra daarentegen, gelijk in de aesthetische waarneming, het subject zijn actieve rol herneemt, keert ook bij kleur en toon terstond de subjectieve ongelijkheid en verscheidenheid terug. Bij de geestelijke wetenschappen nu heeft het omgekeerde plaats. Hier is niet het physische, maar het psychische zelf object, en ook waar het physische nog in aanmerkelijke mate meespreekt, gelijk bij de taalstudie, is toch altoos dit physische slechts van tweede orde, en blijft het psychische hoofdzaak. Gelijk op straat, en vooral bij een reis in den vreemde, de meeste menschen zich eender aanstellen, maar in hun huislijk leven, en vooral in hun huiskamer aller onderscheiden aard en karakter aan het licht treedt, zoo ook is het hier. Uitgaande om de stoffelijke wereld te bezien, vertoonen alle yuca zich gelijk en eender; maar in haar psychisch centrum komt aller onderscheiden aard aan het licht. Nu bestaat het eigenaardig karakter der geestelijke wetenschappen juist hierin, dat ze het leven van de psyche in haar eigen huis en in haar eigen bedrijf bespieden, en vandaar, dat het resultaat van de pstiv op het erf dezer wetenschappen voor den één zoo vaak geheel anders is dan voor den ander. Eenzelfde verschijnsel op linguistisch gebied zal een geheel anderen indruk maken op een Mongoolsch dan op een Romaansch linguist: en ook, eenzelfde feit in de historie van Engeland zal heel anders verklaard worden door een High Church man dan door een geestverwant van de Old Covenanters. En gaat nu deze subjectieve differentieering reeds door voor de linguistiek en de historie, die toch een zoo sterk physisch substraat hebben, hoeveel machtiger moet dan deze inwerking van de subjectieve varieteit niet zijn, waar de psychologie, de moraal, de politica, de oeconomia, de iurisprudentia en zooveel meer aan het woord komen, wetenschappen, waarbij bijna alles afhangt van de principiën, waarvan men uitgaat, de beteekenis, die men aan de woorden hecht, en de geestesrichting, waardoor men beheerscht wordt. Dit subjectieve karakter der pstiv is dus bij deze wetenschappen geen vergissing, noch een gebrek, maar in den aard van haar object en haar methode met |93| noodzakelijkheid gegeven. Het is de conditio sine qua non, waaronder er van bloei dezer wetenschappen alleen sprake kan zijn.

De tweede oorzaak van, deze ongelijke werking der pstiv op geestelijk gebied ligt hierin, dat de pstiv hier niet enkel formeelen dienst doet, om het object aan het zelfbewuste en denkende ik te verbinden, maar ook rechtstreeks inhoud opneemt. Bij de stoffelijke wetenschappen is dit niet het geval. Wel in het dagelijksch leven. Ons loopen, ons trappen klimmen, ons nemen van spijs en drank, wordt niet voorafgegaan door wetenschappelijk onderzoek, maar komt tot stand door pstiv. Ge vliegt een trap af, zonder eerst te onderzoeken, of uw voet die tree bereiken, en of die tree u wel dragen kan. Ge eet uw brood, zonder vooraf te onderzoeken, of er geen vergif in schuilt enz. Maar wordt de stoffelijke wereld voorwerp van wetenschappelijk onderzoek, dan wordt alles nagemeten, gewogen, geteld, geschift en gekeurd, en doet de pstiv uitsluitend den formeelen dienst, ons te doen gelooven aan onze zintuigen, aan de realiteit van het fainmenon, aan de axiomata en aan de wet der logica, waarmee we het bewijs voeren. Bij de geestelijke wetenschappen daarentegen is dit anders. Bij de psychologie waarborgt de pstiv en de pstiv alleen mij rechtstreeks de aanwezigheid van mijne ziel, van mijn ik, van mijn zelfbesef. Alle gegevens, waarmee ik op psychisch gebied werk, vallen terstond weg, zoodra ik de pstiv op nonactiviteit stel. En ga ik van mijzelven uit, om met andere personen in gemeenschap te treden, dan is in negen van de tien gevallen de pstiv, het eenig mij ten dienste staande middel, waardoor ik de openbaring van hun persoonlijkheid in mij kan opnemen, en aan die openbaring waarde kan hechten. Alleen, het zij hier met nadruk herhaald, doordien mijn moeder mij openbaarde, wie mijn vader was, weet ik dit, en in negen van de tien gevallen is voor deze alles beheerschende omstandigheid voor geheel mijn existentie geen andere zekerheid, dan door pstiv, in den inhoud dier openbaring te erlangen. Dit nu levert geen bezwaar op, zoolang het een inhoud geldt, die mij alleen raakt; zoodra echter deze inhoud een algemeen karakter erlangt, en strekt, om de wetten voor het psychische leven vast te stellen, ziet men op moreel, politiek, oeconomisch, |94| paedagogisch, juridisch en philosophisch gebied allerlei groepen van individuen in scholen uiteengaan, en is er van eenheid en gemeene zekerheid geen sprake meer.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001