10. De Wijsheid.

De dreigende, en op zichzelf bijna noodzakelijke, heerschappij van het scepticisme stuitte allereerst af op het altoos min of meer raadselachtige verschijnsel, dat men Wijsheid noemt. Om de beteekenis van dit verschijnsel te waardeeren, moet men de samenstelling „wijs-begeerte”, evenals philo-sophia, een oogenblik laten rusten, overmits deze de „wijsheid” te zeer vereenzelvigt met de „wetenschap”, en toch het hoofdkenmerk van „de wijsheid” juist daarin schuilt, dat ze niet verkregen wordt als resultaat van het discursieve denken. Een ongeleerd en zelfs ongeletterd man kan in hooge mate den indruk maken, van een wijs man te zijn; terwijl omgekeerd wetenschappelijk zeer ontwikkelde personen niet zelden in wijsheid van zin te kort schieten. De etymologie der woorden, waardoor in de onderscheidene talen het begrip van „Wijsheid” wordt uitgedrukt, stelt dit onderscheid tusschen wetenschappelijken zin en wijsheid van zin helder in het licht. Sapientia en scientia zijn niet hetzelfde. Sapere is proeven, smaken, en wijst dus, overdrachtelijk gebezigd, op zulk een kennis der dingen, die zich niet theoretisch, maar meer practisch uit en intuïtief werkt. Ook het Grieksche sofv werd vroeger met denzelfden stam in verband gebracht; sofv, met den nevenvorm safv, zou dan saamhangen met spw, doen verrotten, saprv, verrot, stinkend, en het grondwoord zou de actie van ruiken of smaken aangeven. De nieuwere etymologen verwerpen deze afleiding echter en meenen dat sofv van een geheel anderen stam is afgeleid, zonder het over deze afleiding verder eens te zijn. (Zie Dr. Alois Walde, Lateinisches etymologisches Wörterbuch, in voce sapio, faber etc.) Bij deze onzekerheid valt uit dit woord dus niet te concludeeren. Het Germaansche woord „wijs” houdt geen rekening met den oorsprong van deze eigenaardige kennis, maar met haar vrucht. Wisel is de bekende Middelhoogduitsche naam voor de koningin der bijen, die aan de overige bijen den weg wijst, en door deze meerderheid den geheelen zwerm. beheerscht. Ook hier staat dus het practische element der kennis op den voorgrond. Wijs is, wie weet en inziet, hoe het gaan moet, en deswege door anderen |67| wordt gevolgd. De Hebreeuwsche uitdrukking kx is, bij de geringe ontwikkeling der Semitische etymologie, wel minder doorzichtig, maar uit de teekening, die ons in de Chokmatische geschriften van deze Chokma wordt gegeven, blijkt des te overtuigender, dat ook de Hebreër onder Chokma iets geheel anders verstond, dan wat wij wetenschappelijke ontwikkeling noemen, en bij dit begrip veel meer dacht aan een practisch-intuïtief inzicht. De afleiding van hkx, dat kleven aan iets beteekent, zou hiermede goed overeenstemmen, als aanduiding van de geestessympathie met het object, waaruit deze Chokmatische kennis geboren wordt. Zegswijzen, gelijk ook ten onzent in algemeen gebruik zijn, zooals b.v. „Ge hebt dit wijselijk gelaten”; „hij is een wijs man,” „ge zijt een wijsneus”; ”als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan”; „waar bleef toen al zijn wijsheid?”; „wijs en vroed beleid”; of ook het Schriftwoord: „Zoo iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere”, stemmen met dit etymologisch resultaat geheel overeen. Altoos toch blijkt de grondgedachte te zijn, dat iemand zeker natuurlijk inzicht in het wezen en den gang der dingen bezit, en de kunst verstaat, om in de praktijk des levens zich hiernaar te richten. Wijsheid heeft dus niets te maken met het intellectueel abstractum, maar kleeft onmiddellijk aan de realiteit, komt daaruit voort en werkt er op in. Toch is ze ook weer geen kunstvaardigheid, noch wat men noemt talent, want niet de actie, die uit het inzicht voortvloeit, maar het inzicht zelf staat op den voorgrond. Wijsheid is een rustig bezit van machtgevend inzicht, dat ter beschikking van het subject staat, ook al wordt dit subject niet tot actie geroepen. Ook hierin is wijsheid van kunstvaardigheid en talent onderscheiden, dat ze een algemeen karakter draagt. Wijs is niet iemand, die in een bepaald vak van wetenschap, noch ook hij, die in een bepaald beroep uitblinkt. Eer staat zulk een eenzijdige ontwikkeling in vaardigheid tegen het gronddenkbeeld van wijsheid over. Wie wijs is, is centraal wijs, d.w.z. zulk een bezit een algemeene dispositie van geest, die hem in staat stelt, in al wat hem voorkomt, een juisten blik op de dingen te hebben, en dienovereenkomstig met beleid te kiezen en te handelen. Resultaat is derhalve, dat er, |68| geheel afgescheiden van de ontwikkeling der wetenschap, bij enkele personen een aprioristisch, niet aangeleerd, algemeen inzicht bestaat, dat in zijn doeltreffende, practische vrucht, de proef op de som levert, van te passen op de realiteit der dingen.

Doch al vindt ge dit inzicht slechts bij enkele personen uit uw omgeving, in zulk een mate, dat ge hun, in onderscheiding van anderen, het epitheton van „wijze lieden” te zijn, toekent, daarom staan nog niet alle overigen als dwazen voor u; en toch is het eerst door dit antithetische begrip van dwaasheid, dat het juiste begrip van wijsheid in voldoende mate verduidelijkt wordt. Een dwaas en een gek is niet hetzelfde. Gek is iemand, wiens bewustzijn averechts werkt, zoodat alle normaal inzicht hem onmogelijk is geworden. Een dwaas daarentegen noemt ge iemand, wiens bewustzijn nog wel normaal werkt, maar die zoo scheef tegenover de realiteit der dingen staat, dat hij slag op slag mistast en gedurig een verkeerden zet op het schaakbord des levens doet. Dwaas handelt iemand, die zich blijkbaar vergist in zijn voorstelling van de realiteit, en, ten gevolge van zijn in het oog springend gemis aan het juiste inzicht, telkens juist die keuze doet, waardoor hij verkeerd uitkomt. Hem ontbreekt het juiste rapport met de realiteit, en daardoor stapt hij mis. Tusschen deze „wijzen” en „dwazen” in staat nu echter de groote massa der menschen, die in allerlei gradatiën den overgang vormen van het wijze naar het dwaze; maar toch, ook in deze onbesliste massa werkt, wat men pleegt te noemen het gezond verstand, den gezonden zin, le sens commun. Hiermee nu wordt iets uitgedrukt, dat wel niet tot de hoogte van de wijsheid opklimt, maar er toch verband mee houdt en er de algemeene basis voor biedt. Want wel is deze uitdrukking van gezond verstand, vooral sinds het laatst der vorige eeuw, misbruikt voor die gelijkvloersche communis opinio, waarin zich de verwaterde gestalte van het Rationalisme afspiegelde, en heeft men deze schim keer op keer opgeroepen, om het ideale te bannen, het geloof te bespotten, en aan alle edeler gevoelens het zwijgen op te leggen, maar dit was misbruik. Oorspronkelijk werd met „gezond verstand” volstrekt niet bedoeld het napraten van het program eener bepaalde school, maar omgekeerd zekere juistheid |69| van tact, waarmee de publieke opinie, tegen de pretentie van alle scholen in, gemeenlijk een spoor volgde, dat noch te ver rechts noch te ver links afweek. Deze verzwakte wijsheid, die gemeenlijk den gang van het leven leidt, liet wel nu en dan de publieke opinie in den steek, zoodat het dwaze de overhand erlangde, en dolzinnige paden betreden werden, maar de reactie bleef dan niet uit, en op den duur won het bijna altoos het gezond verstand. En wat nu de enkele personen betreft, vindt men, zoo men de bepaald „wijze lieden” uitsluit, onder die massa eenerzijds een deel, dat naar het dwaze helt, maar ook anderzijds een deel, dat onder den invloed van een verzwakte wijsheid blijft, en deze laatsten zijn het, van wie men dan zegt, dat ze lieden van gezond verstand zijn; een term, die minder uitdrukt een persoonlijk charisma, maar meer te kennen geeft, dat ze in den goeden stroom blijven varen.

Is nu hiermee het verschijnsel zelf genoegzaam vastgesteld, dan rijst thans de vraag, hoe we dit verschijnsel van gezond verstand, geculmineerd in de wijsheid, en zijn antithese vindende in de dwaasheid, psychologisch hebben te verstaan. Het is niet de vrucht van opvoeding, het is niet het resultaat van studie, noch ook de winste van gestadige oefening. Al wordt toch toegestemd, dat alle drie deze factoren de zuivere werking van dit gezond verstand en deze wijsheid bevorderen en versterken kunnen, het verschijnsel zelf vindt er zijn oorzaak niet in. Twee jonge mannen, opgevoed in eenzelfden levenskring, en van gelijke studie, ja van gelijke levenservaring, zullen toch op het punt van de wijsheid geheel uiteenloopen; de één zal een wijs man worden, met den ander zal het gedurig tobben zijn. We hebben dus te doen met zekere bekwaamheid van den menschelijken geest, die niet van buiten af wordt ingedragen, maar in dien geest als zoodanig huist en aanwezig is. Onze Nederlandsche taal bezit het schoone woord „be-sef-fen”, dat etymologisch met den stam van sapientia saamhangt, en juist dient ter aanduiding van zekere onmiddellijke affiniteit, met hetgeen buiten ons bestaat. In dien zin nu is gezond verstand en wijsheid dus een ingeschapen iets; niet een aangeboren begrip, maar een inzicht dat rechtstreeks voortvloeit uit de affiniteit, waarin we van nature tot de wereld om ons heen, en tot de wereld der hoogere dingen |70| staan. Beide wijzen terug naar een toestand, waarin de mensch de natuur, om het zoo uit te drukken, voelde; het leven om zich heen zelf meeleefde, en het zoo gewaar wierd en verstond; en ook het hoogere leven niet als iets vreemds in zich opnam, maar in zijn eigen levensbesef mee besefte. Of ziet men vooruit, dan liggen beide verschijnselen op de lijn, aan wier eindpunt men bij het „kennen gelijk we gekend zijn” is aangekomen. Deze intuïtie is thans gebroken in haar kracht. Bij sommigen schijnt ze geheel teloor te zijn gegaan, die dan „dwazen” heeten. Bij enkele anderen werkt ze nog vergelijkenderwijze krachtig na, waarom men dezulken dan per eminentiam: de wijze lieden, noemt. En tusschen deze uitersten in liggen de mannen van het gezond verstand; daarom zoo genoemd, omdat in hen nog iets van de oude gezonde Urkraft van ’s menschen geest over bleef.

Nu gevoelt men, welk een machtige dam in deze wijsheid, en in deze uiting van het gezond verstand, tegen de vernielende werking van het scepticisme ligt opgeworpen. Stond ons geen andere weg tot kennis open, dan die geëffend wordt door het discursieve denken, zoo zou, bij het subjectief karakter, dat van alle hoogere wetenschap onafscheidelijk is; bij de onzekerheid, waarmee de zonde ons straft; en bij de onmogelijkheid, om tusschen waarheid en leugen objectief dwingend te beslissen, het scepticisme steeds dieper wortel schieten. Nu ons daarentegen in de wijsheid en het met haar verwante gezond verstand, een geheel andere weg van kennis ontsloten is, die, van het wetenschappelijk onderzoek geheel onafhankelijk, een zelfstandig uitgangspunt heeft, nu biedt ons deze intuïtieve kennis, die rust op vaste beseffen, die met ons bewustzijn zelf gegeven zijn, tegen dit scepticisme een heilzaam tegenwicht. Nu toch bezitten we zeker inzicht, en op grond van dit inzicht een betrekkelijke zekerheid, die zich met den discursieven strijd tusschen waarheid en leugen niet inlaat, en, gedurig door de vuurproef vanhetpractischehandelen in de realiteit bevestigd, ons een dv moi po st geeft, waardoor de overtuiging, dat we de waarheid der dingen grijpen kunnen, in ons standhoudt. En waar nu deze wijsheid en dit gezond verstand juist die uitgangen en beginselen des levens voor ons |71| vaststellen, waarop anders het scepticisme zijn zwaarste en bedenkelijkste aanvallen richt, is ons in dit op zichzelf mysterieuze verschijnsel een behoudende kracht geboden, die ’s menschen geest telkens weer in staat stelt, zich aan de omarming van het scepticisme te ontwringen. Want wel kan deze Wijsheid nooit voor het discursieve denken in de plaats treden, noch ook de plaats der empirie vervangen, maar ze bezit toch harerzijds die algemeene strekking, dat ze óók bij dat discursieve denken van dwaasheden afhoudt, en bij dit empirisch onderzoek de juistheid van onzen tact verhoogt.

En wat de bedenking betreft, dat deze opvatting van sofa toch moeilijk te rijmen is met het begrip van sofa in filosofa, zoo zij opgemerkt, dat men ter juiste beoordeeling van deze schijnbare bedenking terug moet gaan op het oorspronkelijk begrip, dat de Grieken zich van sofa vormden en op de alleroudste bedoeling van de combinatie van filen met dit woord. Wat nu sofa aangaat, zoo wijzen we allereerst op de merkwaardige uitspraak van Heraclitus: sofj ljqa lgein ka poien kat fsin paontav, (H. Diels, Die Fragmente der Vorsokratiker, Berlin, 1903, p. 81), waarin vooral de laatste woorden duidelijk doen uitkomen, dat ze geacht wordt uit een natuurlijk instinct te rijpen, en het poiei/n haar practisch karakter in het licht stelt. Alleen bij Thales achtte men, dat de sofa ook eenigszins een theoretisch karakter droeg. Zie Plutarchus, Solon, 3,6 : lwv oiken Qlew mnou sofa tte peraitrw tv creav xkesqai t qewr; tov d lloiv p tv politikv tomena tv sofav prxe. Wat Xenophon omtrent Socrates mededeelt, leidt tot dezelfde conclusie. Sofan, zegt hij Mem. III, 9, 4 ka swfrosnjn o dirizen, en dat wel in dien zin, dat hij tov m rqv prttontav ote sofov ote sfronav enai (nmize). Ongetwijfeld is ze reeds bij Plato de xiv qewrjtik to ljqov en bij Aristoteles tn qewn te ka nqrwpnwn pistmj, maar dit is niet het oorspronkelijk begrip. Bij de oudste philosofen is dan ook geen sprake van een philosophie als resultaat van onderzoek. Veelmeer is hun philosophie een uiteenzetting van het inzicht, dat ze in den samenhang der dingen meenen te hebben, en waarbij ze voor de uitwerking meer op hun phantasie afgaan |72| dan op de empirie. Zelfs in het woord theorie werkt deze oude beteekenis van het begrip sofa na. Etymologisch toch wijst de qewra op de intuïtie, en heeft als zoodanig met het denkbeeld, dat wij aan het theoretische hechten, niets gemeen.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001