9. De waarheid.

Reeds in een vorige werd gewezen op de ernstige beteekenis, die voor het wetenschappelijk onderzoek schuilt, in het begrip dat men zich van „de Waarheid” vormt. Eerst thans kan deze beteekenis in verband met het feit der zonde nader toegelicht. Men kan toch niet zeggen, dat het zoeken naar waarheid uitsluitend gericht is tegen de mogelijkheid van vergissing. Wie zich vergiste ter goeder trouw, was onjuist, niet onwaar. Onwaarheid is slechts een minder scherpe uitdrukking voor de leugen, en metterdaad heeft het zoeken naar waarheid dan ook geen ander doel, dan om aan de heillooze macht, van wat Christus t yedov noemde, te ontkomen. Hiermee is niet gezegd, dat „de vergissing” niet eveneens met de zonde in verband zou staan. De vorige poogde het tegendeel aan te toonen. Maar al staat ook de onbewuste vergissing met de zonde in oorzakelijk verband, toch ligt dit verband bij de vergissing geheel anders dan bij de leugen. De H. Schrift leert ons in t yedov een onheilig beginsel kennen, waaruit een Zerrbild van al het bestaande geboren wordt, en het vaderschap van dit yedov wijst ze ons aan in Satan. In Joh. VIII : 44 leest men: tan lal ( dibolov) t yedov, k tn dwn lale, ti yestjv stn ka patr ato. Nu laten we deze theologische verklaring hier rusten, maar ontkend kan toch niet, dat metterdaad schier op elk levensterrein een valsche voorstelling van de realiteit binnensloop; |61| dat deze onderscheidene valsche voorstellingen bij nader onderzoek in organisch verband blijken te staan; en dat er in geheel dit rijk van het valsche en onware een verborgen drijfkracht werkt, die onzen rechtmatigen toorn wekt en voor ons besef een zondig karakter draagt. Constant is de vorm voor dit valsche wel niet. Veeleer ziet ge gedurig, hoe zekere algemeene denkbeelden, die een tijdlang geheel de publieke opinie beheerschten, eerlang in discrediet geraken; dan nog zekeren tijd alleen bij de minder ontwikkelde bevolking standhouden; en eindelijk zoo geheel uitslijten, dat, wie ze nog vasthoudt, een zonderling, straks een antiquiteit wordt. Maar met dit afschillen van de huid gaat de slang niet dood. Met echte Proteus-natuur komt het valsche en onware telkens weer in nieuwen vorm te voorschijn, en de strijd op leven en dood, die tusschen de Waarheid en de Leugen gevoerd wordt, ontbrandt telkens opnieuw. Kennelijk heeft men dus in de Leugen noch met een vergissing, noch met enkele tijdelijk heerschende onwaarheden te doen, maar met een macht, die op het bewustzijn des menschen inwerkt, en hem telkens niet slechts phantasie voor werkelijkheid, noch alleen fictie voor drama in handen speelt, maar die opzettelijk in onzen geest eene voorstelling van het bestaande inbrengt, die tegen de realiteit vloekt, met het doel, ons van die realiteit te vervreemden.

Bij dezen stand van zaken nu ligt in den strijd voor de waarheid een heilig belang. Nu toch bedoelt die strijd niet, hier en daar enkele fouten in de voorstelling te verbeteren, vooroordeel te bekampen, en onjuistheden te rectificeeren; maar gaat die strijd tegen een macht, die in altoos nieuwen vorm telkens opnieuw ons menschelijk bewustzijn inwikkelt in het valsche, ons dienstbaar maakt aan t yedov, en ons blinddoekt voor de realiteit. Zoo heeft het dan ook zin wat Jezus zegt: g emi lqeia, overmits in Hem alleen geestelijke verweerkracht school, om zich in volstrekten zin aan de macht van het valsche te onttrekken. Het woord „liegen” zelf bevestigt deze opvatting. Ook in het dagelijksch leven toch wordt dit booze woord bijna niet gebezigd in kringen, waar de leugen contrabande is; terwijl omgekeerd in kringen, die, helaas, de leugen als gemeen wapen toelaten, de strijd om waar of onwaar elken morgen en elken |62| avond met het verwijt van liegen aan de orde is. Denkt ge u in het leven des hemels in, dan gevoelt ge, hoe terstond alle ijveren voor waarheid wegvalt. Wie toch zou, waar geen leugen ook maar denkbaar is, voor de waarheid in het strijdperk treden? En zoo nu ook kan de waarheid niet behoord hebben tot de begrippen, die oorspronkelijk aan den mensch in den staat der rechtheid eigen waren. Zoolang de zonde niet in het hart was geslopen, kon de drang, om tegenover de nog niet bestaande leugen de waarheid te verdedigen, niet bij ons opkomen. Geheel hiermede in overeenstemming laat het Schriftuurlijk verhaal van den val dan ook eerst door Satan de leugen influisteren, dat, wat God gezegd had, niet waar was, en eerst van dat oogenblik af vangt de strijd voor de waarheid aan. Het was dus niet te sterk gesproken, toen we zeiden, dat het begrip van „waarheid” eerst in het gevolg der zonde kon opkomen. Wetenschap is dus iets geheel anders dan waarheid. Denkt ge u een menschelijke ontwikkeling buiten zonde, zoo zou toch de drang bestaan hebben, den kosmos te leeren kennen en te doorzien, en door die kennisse te beheerschen; maar naar waarheid zou men niet gezocht hebben, eenvoudig, omdat het gevaar, van in de leugen als resultaat van onderzoek te berusten, niet bestond. Thans daarentegen, in onzen zondigen toestand, terwijl het net van de leugen telkens over het bewustzijn der menschheid wordt geworpen, heeft de wetenschap uiteraard een dubbele roeping, niet alleen om het object te onderzoeken en te leeren verstaan, maar ook, en niet minder, om de valsche voorstellingen omtrent het object uit te bannen.

Juist dit echter is gemakkelijker gezegd dan gedaan, en zoodra ge het materieele terrein ook maar even verlaat, zult ge, slag op slag, drie, vier mannen, die het elk op hun standpunt eerlijk bedoelen, en wier talenten voor het onderzoek tamelijk wel gelijk zijn, aan het eind van hun onderzoek tot geheel verschillende, zelfs tegenovergestelde resultaten zien komen. Op het terrein der zuivere materie staat dit minder te vreezen, althans zoolang men zich bepaalt tot het constateeren, van wat wordt waargenomen, en niet overgaat tot het afleiden van gevolgtrekkingen, uit wat men waarnam. Hierbij mag verschil opduiken, zoodra de |63| onderzoekingen zoo diep doordringen, dat het gewapend oog en oor niet meer met volkomen zekerheid kan waarnemen, maar dit heeft met t yedov niets te maken; en toen aan Dr. Koch, na al den opgang, dien zijn praeparaat tegen de tuberculose eerst maakte, later werd aangetoond, dat dit praeparaat niet slechts geen doel trof, maar zelfs nadeelige gevolgen veroorzaakte, moest hij dit wel erkennen. Toen de feiten spraken, had de illusie uit. Maar heel anders komt de zaak te staan, zoodra men in aanraking komt met het niet-stoffelijk terrein des levens. Reeds de wetenschap der statistiek, waarop men eerst zoo veilig meende te kunnen bouwen, is gebleken in hooge mate onbetrouwbaar te zijn. En betreedt men het terrein der eigenlijk gezegde geestelijke wetenschappen, dan heeft men nauwelijks de meest objectieve waarneming, de keuring van documenten en de constateering van enkele tastbare feiten achter den rug, of op elk gebied gaan de denkbeelden uiteen, en is er van een objectieve zekerheid, waarvoor een ieder buigen moet, en die alzoo tot eenheid van vaststaand inzicht zou kunnen leiden, geen sprake meer. Niet op het terrein der zielkunde; niet op dat der philosophie in engeren zin; niet op dat der historie; niet op het gebied van het recht; of wat ander geestelijk terrein men ook kiezen moge. Hiet toch wordt de subjectieve factor overwegend; juist die subjectieve factor is afhankelijk van de tegenstelling tusschen t yedov en lqeia; en zoo moet én het inzicht in de feiten én de constructie, die men op zijn inzicht in de feiten bouwt, wel uiteenloopen, en ten slotte eerst contradictoir, en dan contrair, worden.

Immers, het fatale van de tegenstelling tusschen leugen en waarheid is altoos, dat een ieder op zijn standpunt den eerenaam van de waarheid voor zich in pacht neemt, en den scheldnaam van leugen toepast, op wat daar tegenover staat. Satan begon met God tot leugenaar te maken en deed zich zelven voor, als sprak hijzelf de waarheid. En dit nu geldt voor ons betoog nog sterker onder menschen; vooral waar in deze uitsluitend sprake is van personen, die zich aan wetenschappelijk onderzoek wijden. Ook al geven we toch toe, dat ook in de wetenschap niet alle opzettelijke verminking van feiten uitbleef, als regel dient desniettemin |64| aangenomen, dat, wie als wetenschappelijk man optreedt, metterdaad den toeleg heeft, de dingen te nemen en in rekening te brengen, gelijk ze zijn. Niemand schrijft een wetenschappelijke studie met het doel, de leugen te propageeren; doel van allen wetenschappelijken arbeid is het ijveren voor de waarheid. Juist hieruit echter volgt, dat, waar twee mannen van wetenschap tot vlak tegenovergestelde uitkomsten geraken, ze beiderzijds in hun eigen resultaat de waarheid, en in het resultaat van hun tegenstander de leugen zien, en dat ze zich geroepen achten, voor wat hun als waarheid geldt, te strijden, en wat hun leugen dunkt, tegen te staan. Raakt dit nu een detailpunt, zoo heeft dit geen verdere gevolgen; maar neemt deze tegenstelling een meer algemeen en principieel karakter aan, zoo vormt zich school tegenover school, stelsel tegenover stelsel, wereldbeschouwing tegenover wereldbeschouwing, en komen ten slotte twee geheel verschillende en elkaar uitsluitende voorstellingen van het object, beide malen in organischen samenhang, een geheele reeks van subjecten beheerschen. Van beide kanten zegt men dan: „Aan onze zijde is de waarheid, aan uwe zijde de leugen”. En de waan, alsof de wetenschap dit geschil beslechten kon, is natuurlijk volkomen ijdel, want we spreken juist van twee allesomvattende voorstellingen van het object, die beide als resultaat van ernstige wetenschappelijke studie gewonnen zijn.

En werpt men hiertegen in, dat de wetenschap dan toch metterdaad reeds een gansche reeks van verkeerde voorstellingen heeft opgeruimd, zoo herhalen we nogmaals, dat dit alleen de vormen betreft, waarin de Leugen zich tijdelijk nestelde, maar dat dezelfde Leugen, en dus dezelfde tegenstelling tegen de Waarheid, met onuitroeibare kracht telkens in nieuwen vorm het hoofd weer opsteekt. Allerlei standpunten, die men sinds eeuwen verdwenen waande, zag men in onze eeuw als rediviva weer opkomen. Er is metterdaad, wat het beginsel en de verborgen drijfkracht van deze tegenstellingen aangaat, niets nieuws onder de zon; en wie èn de historie èn de menschen kent, ziet de representanten van alle lang verouderde wereldbeschouwingen nog heden ten dage in onze straten rondloopen, en hoort ze doceeren op den katheder. De |65| oudere en de nieuwere philosofen, de oudste en de nieuwere heresieën, ze gelijken, zoo ge den toevalligen vorm wegdenkt, als twee druppelen water op elkander. Te gelooven, dat zekere, absolute wetenschap in den aangegeven zin ooit het pleit tusschen Waarheid en Leugen zou kunnen beslechten, is niets dan schuldige zelfmisleiding. Wie zoo spreekt, heeft daarbij altoos het oog op de wetenschap, gelijk ze uit zijn subjectieve premissen voortvloeit en voor hem bestaat, en stempelt daarom eo ipso de wetenschappelijke ontwikkeling, die van andere premissen uitgaat, tot schijnwetenschap, dienstbaar aan de leugen. Reeds de principieele tegenstelling tusschen het Theïsme, het Pantheïsme en het Atheïsme beheerscht alle geestelijke wetenschap in haar hoogere deelen, en zoodra beoefenaren dezer wetenschappen aan de verdediging, van wat waar is, en de bestrijding van de leugen toekomen, wordt èn hun strijd èn de uitkomst van dien strijd geheel door hun subjectief uitgangspunt beheerscht.

In verband met het feit der zonde, waaruit heel de tegenstelling tusschen Waarheid en Leugen geboren werd, doet zich dit verschijnsel dan in dezen vorm voor, dat de één het feit der zonde erkent, de ander het loochent, of er niet mee rekent. Zoo wordt voor den één normaal, wat voor den ander de volstrekte abnormaliteit is. Dit geeft aan beiden een geheel verschillenden maatstaf in handen. En waar nu beiden met dezen subjectieven maatstaf te werk gaan, moet beider wetenschap wel een geheel andere worden, en is de eenheid der wetenschap weg. De één kan niet gedwongen worden te aanvaarden, wat de ander voor waar houdt, en z.i. als waarheid vond.

Op zichzelf zou hieruit dus de triomf van het scepticisme volgen, en Pilatus’ uitroep: t stin lqeia, het devies der hoogste wijsheid zijn. Hiertegen echter protesteert de loop der historie. Want hoe dikwijls ook het scepticisme het hoofd opstak, nooit kon het zich staande houden, en steeds weer heeft de zinnende menschheid zich tot het zoeken der waarheid met ongebroken moed en onverdroten wilskracht opgemaakt.

Dit feit nu eischt verklaring.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001