Hoofdstuk II.

De wetenschap gestoord door de zonde.

8. De wetenschap en het feit der zonde.

Het subjectief karakter, dat van alle geestelijke wetenschap onafscheidelijk is, zou op zichzelf niets bedenkelijks hebben, indien het nie; een hoogst gevaarlijke exponent ontving door de zonde. Denkt men zich toch een oogenblik de zonde, met de uit haar voortvloeiende gevolgen, weg, dan zou de subjectiviteit van A slechts een variatie zijn van de subjectiviteit in B, en krachtens beider organische verwantschap zou beider subjectiviteit niet in strijd geraken, maar veeleer het besef des éénen het besef des anderen harmonisch steunen en bevestigen. Wel was in de dagen der Reformatie de aandrift, die zoovele duizenden, tot reformatie dreef, overwegend subjectief, maar het feit, dat één geesteszin in alle deze subjecten dreef naar eenzelfde doel, deed juist uit deze saamwerking van de vele subjectiviteiten een zoo onweerstaanbare macht geboren worden. Doch, helaas, zoo is het op wetenschappelijk terrein niet. Telkens komt maar al te |53| bitter uit, hoe op dit terrein de natuurlijke harmonie van de subjectieve uitingen hopeloos verstoord is; en door niets zoozeer als door deze disharmonie wordt het scepticisme gevoed. Gij wont op grond van zelfonderzoek en kosmisch onderzoek een welgevestigde wetenschappelijke overtuiging; maar nu ge die uitspreekt, vindt ze geen weerklank bij anderen, die op hun wijs toch even ernstig onderzoek instelden; en nu splijt voor u niet alleen de eenheid der wetenschap, maar zelfs lijdt de zekerheid uwer eigen overtuiging schade. Immers, toen ge uw overtuiging uitspraakt, bedoeldet ge hiermede niet enkel het inzicht van uw eigen ik, maar veelmeer het algemeen menschelijk inzicht uit te spreken; gelijk het dan ook zijn moest, indien het zonder feil ware.

Toch is het noodzakelijk, dat we deze harde werkelijkheid aanvaarden, en in alle theorie der kennisse zal voortaan, zoo ze zichzelve niet misleiden wil, ernstiger dan dusver met dit feit der zonde moeten gerekend worden. Natuurlijk kan in deze inleidende het ontzettend verschijnsel der zonde niet in al zijn omvang ter sprake komen. Dit behoort theologisch in den locus de peccato thuis. Maar wel is het hier de plaats, duidelijk te constateeren, dat de zonde ook op het terrein onzer kennisse haar noodlottige werking oefent, en volstrekt niet tot het thelematische beperkt is. Wat de Heilige Schrift noemt de mataitjv to nov, het skotwmnouv enai t diano, en de gnoia osa n mn, gaat zelfs aan de pallotrwsiv tv zwv to Qeo en aan de prwsiv tv kardv vooraf. Ook zonder ons hier te zeer in de theologische constructie van dit verschijnsel te verdiepen, mag toch zonder vrees voor tegenspraak geconstateerd: 1. dat er thans leugen in de wereld is, yedov in allerlei zin en vorm. Rust nu meer dan ééne geestelijke wetenschap bijna uitsluitend op de mededeelingen van personen, en ontbreekt ten gevolge van het bestaande yedov elke absolute waarborg voor de betrouwbaarheid dezer gegevens, dan blijkt reeds hieruit, hoezeer de zekerheid dezer wetenschappen ten gevolge van de zonde schade lijdt. Bij de bespreking van het begrip „waarheid” zal hier nader op gewezen worden. Thans volsta deze enkele vingerwijzing. 2. Naast dit eigenlijke yedov staat de onopzettelijke vergissing, zoo in de waarneming en in de memorie, als in den arbeid van ons denken. |54| Vergissingen, die op het terrein der materieele wetenschappen, door veelvuldige contrôle, wel tot een minimum herleid worden, al zijn ze ook daar nooit in volstrekten zin te mijden; maar die op het erf der geestelijke wetenschappen nog steeds zoo ongelooflijk voortwoekeren, dat er geen ontkomen is aan haar invloed. 3. Van niet minder beteekenis is het zelfbedrog en de zelfmisleiding, waardoor niets zoo zeldzaam wordt aangetroffen als wetenschappelijke zelfkennis, kennis van eigen persoon en karakter in meer dan gissenden vorm. Gaat nu bijna alle diepere studie der geestelijke wetenschappen uit van het subjectieve beeld, dat we omtrent onszelven in ons eigen bewustzijn afspiegelen, dan behoeft het geen nadere aanwijzing, hoe schadelijk dat zelf bedrog en deze zelfmisleiding bij alle beoefenaren dezer wetenschappen op hunne studiën en de resultaten dezer studiën moeten inwerken. 4. Een vierde kwaad schuilt in onze verbeelding. In normalen toestand behoort het zelfbesef, onverwijld en juist de grens aan te wijzen tusschen hetgeen uit de bestaande werkelijkheid in ons bewustzijn dringt,en hetgeen door onze verbeelding in ons bewustzijn wordt ingetooverd. Ten gevolge der zonde echter is deze grens niet alleen onzeker, maar bij sterk gepassionneerde naturen soms volstrekt onaanwijsbaar geworden, zoodat phantasie en werkelijkheid gedurig door elkaar spelen. Doch niet alleen het onzeker worden of uitwisschen van deze grens levert hier bezwaar op, ook de verbeelding zelve verkeert in abnormalen toestand. Bij den één werkt ze veel te zwak, bij den ander is ze overprikkeld. Is ze nu overprikkeld, dan houdt ze haar onzuivere beelden vast, brengt onzen geest onder de heerschappij van deze beelden, en vervalscht daardoor ons zelfbewustzijn, zoodat de inspraak van ons innerlijk wezen verward raakt in deze beeldentaal. De ingebeelde wereld gaat ons dan beheerschen, en de vatbaarheid voor de kennis van onszelven en den kosmos neemt gaandeweg in ons af. 5. Even schadelijk werken de invloeden, die dit abnormale in anderer geestesgesteldheid op ons uitoefenen, doordien het kwaad, dat op zichzelf reeds zoo hinderlijk was, aldus een coëfficint verkrijgt. Van kindsbeen af toch ondergaan we niet alleen die invloeden, maar onze opvoeding strekt vaak, om ze opzettelijk over ons te laten heerschen. Reeds de taal |55| draagt hier het hare toe bij. Ook in onze taal toch is allerlei onwaarheid ingedrongen, en de namen en woorden, die we gebruiken, buigen ongemerkt ons besef om. Niet minder machtig werken de spreekwoorden en Schlagwörter, die we van jongsaf als een soort axiomata in ons opnamen. „Veritas sese ipsa defendet” riepen reeds de ouden, en de ethisch getinte theologen roepen hun dit na, zonder ook maar van verre te vermoeden, hoe juist hierdoor onze blik op de historie vervalscht wordt, en ons eigen plichtsbesef wordt verzwakt. Zelfs theologisch oefent zulk een adagium zijn verkeerden invloed, door de transcendentie Gods voor ons besef in pantheïstische overwegingen te doen ondergaan. Voeg daar nu bij, hoevele stellingen en uitspraken van allerlei aard, die door den tijdgeest gestempeld zijn, ons bij onze opvoeding, niettegenstaande dat ze valsch zijn, worden ingeprent, en het wordt duidelijk, hoe onze geest, die reeds uit zichzelf in allerlei misleiding verstrikt lag, gevaar loopt, geheel het spoor bijster te worden. 6. Evenmin mag hier de werking der zonde door het lichaam buiten rekening blijven. Ten gevolge der zonde verkeert eigenlijk niemand lichamelijk in normalen toestand. Allerlei verkeerde en ziekelijke bewegingen woelen in ons lichaam en werken in op onze geestesgesteldheid. Zij maken dat de één te sterk neigt naar het materieele, de ander te zeer naar het akosmische. Ze zullen A tot een pessimist maken, B tot een luchthartigen optimist. Ook zullen ze het oordeel b.v. over de historie wijzigen, naar gelang van de invloeden, die we op de personen werken zien. 7. Nog sterker misschien is de invloed van de door de zonde gedesorganiseerde levensverhoudingen; een invloed, die zich bovenal bij de paedagogische en sociale wetenschappen doet gelden. Wie in kommer en ellende is opgegroeid, zal een geheel anderen blik op de rechtsverhoudingen en de sociale regeling hebben, dan wie zich van jongs af baadde in overvloed. En zoo ook zal de blik op het staatsrecht voor u een geheel andere zijn, zoo ge op zijt gegroeid onder een despotie, dan zoo ge uw vormende jaren doorliept onder de uitspattingen der anarchie. Waar dan ten 8. nog dit bijkomt, dat de verschillende deelen van den inhoud van ons bewustzijn op elkander inwerken, en niemand in zijn bewustzijn atomistisch bestaat. Dit |56| nu maakt, dat de onjuistheden en valsche voorstellingen, die ge uit het ééne gebied des levens in u opnaamt, weer schadelijk inwerken op gelijksoortige verwarde denkbeelden, die ge u op een ander gebied hebt eigen gemaakt, zoodat aldus het kwaad zich multipliceert, en daardoor verergert. Vooral de leidende gedachte, die we ons gevormd hebben op dat terrein des levens, hetwelk voor ons hoofdzaak is, oefent daarbij een machtige heerschappij op geheel den inhoud van ons bewustzijn uit, met name op onze religieuze of politieke beschouwing. Men pleegt dit thans meest te noemen „iemands levens- en wereldbeschouwing”, waardoor de grondlijnen in zijn bewustzijn getrokken liggen; en loopen nu deze eenmaal valsch of onjuist, hoe kan het dan anders, of geheel zijn wetenschappelijke studie is hiermee in perikel gebracht?

Dit alles echter geldt nog alleen de formeele werking van de zonde op onzen geest. Maar hierbij blijft het niet. Ook werkt de zonde op ons bewustzijn door allerlei motieven van zedelijken aard. Chacun prêche pour sa paroisse is de korte uitdrukking voor de onloochenbare waarheid, dat onze blik op de dingen óók beheerscht wordt door allerlei belangen, die ons persoonlijk raken. Een Engelschman zal op de historie onzer zeeoorlogen met de Britsche vloot een anderen blik hebben dan een Nederlandsch geschiedschrijver; en dat niet, omdat beiden opzettelijk de waarheid willen vervalschen, maar omdat beiden ongemerkt beheerscht worden door het nationaal belang, dat bij dit geding op het spel staat. Een koopman zal van nature andere denkbeelden hebben over free trade, fair trade en protectie dan de industrieel; alleen wijl het eigenbelang en standsbelang ongemerkt inwerkt op zijn beschouwing. Een Roomsch-Katholiek heeft een geheel andere voorstelling van de historie der Reformatie dan een Protestant, niet wijl hij opzettelijk de waarheid verkracht, maar wijl kerkelijk belang hem, zonder dat hij het bespeurt, van het rechte pad afleidt. Zoo zullen onze artsen allicht geneigd zijn, anders over de vrije uitoefening der geneeskunst te denken dan de patiënten; de jurist anders over de jury oordeelen dan de vrije burger; een man van adel anders staan tegenover de democratische beweging dan de man uit het volk. Altegader zedelijke verschillen, |57| die door het belang beheerscht worden, en die wel soms opzettelijk werken, en tot verkrachting der conscientie leiden, maar toch meestal onbewust en ongemerkt den uitslag onzer studiën beheerschen.

En nu is nog geen woord gezegd van die derde soort zondige invloeden, die van essentieelen aard zijn, omdat ze voortvloeien uit de schadelijke inwerking, die de zonde rechtstreeks op onze natuur heeft uitgeoefend. De Christelijke kerk belijdt deze als verduistering van het verstand. Iets, wat niet beteekent, dat we daarom de gave zouden hebben verloren, logisch te denken, want de logica is door de zonde niet aangetast, voor wat de drijfkracht van haar levenswet aangaat. Waar dat plaats grijpt, treedt een toestand van krankzinnigheid in. Wel moet erkend, dat de zonde de denkkracht gebroken heeft, zoodat deze schoone gave slechts nu en dan in een enkelen athleet nog in haar volle glansen schittert; en evenzoo moet toegestemd, dat de zonde ons maar al te vaak de prooi doet worden van valsche, schijnbaar logische, maar toch inderdaad onlogische redeneering; maar de mensch als mensch, of, wilt ge, het algemeen menschelijk bewustzijn is nog steeds in staat, deze traagheid te boven te komen en deze fouten in de redeneering te verbeteren. Neen, de verduistering van het verstand ligt elders en zou beter verstaan worden, als we ze noemden de verduistering van ons bewustzijn. Tegen de zonde staat de liefde, de sympathie der existentie over, en nu is zelfs in onze zondige toestanden het feit notoir, hoe ge, waar deze sympathie werkt, veel beter en juister begrijpt, dan waar deze sympathie ontbreekt. Een kindervriend begrijpt het kind en zijn kinderleven. Een dierenminnaar begrijpt en verstaat het leven van een dier. Ook om de natuur in haar stoffelijke beweging te doorzien, moet ge haar liefhebben. Zonder die toeneiging en dien zin voor het voorwerp uwer studie, vordert ge niets. Er ligt dan ook niets raadselachtigs in, dat de H. Schrift ons den oorspronkelijken mensch, eer hij viel, voorstelt, als door sympathie en verwantschap een kennisse van de natuur bezittende, die óns geheel is ontgaan. En dit nu geldt op elk terrein van studie. — De zonde nu is het tegendeel van liefde. Ze heeft ons, generaal gesproken, alle zoekende sympathie ontnomen, om ons slechts |58| op een enkel terrein, en dan nog in gebrekkigen vorm, dit zoeken der liefde te laten. Maar onze geest, als geheel genomen, staande tegenover den kosmos als zijn totaal object, gevoelt zich geïsoleerd; het object ligt buiten hem; en de band der liefde ontbreekt, die er hem in doet dringen en het doet verstaan. Deze fatale uitwerking der zonde moet natuurlijk haar dieperen grond daarin vinden, dat de levensharmonie tusschen ons en het object verstoord is. Wat eens organisch sunstjke, bestaat dientengevolge thans als aan elkaar vreemd; en het is deze vervreemding van het object onzer kennis, die het meest aan onze kennis van het object in den weg staat.

Maar er is meer. De desorganisatie, die het gevolg van de zonde is, bestaat niet alleen in de verbreking van de natuurlijke levensharmonie tusschen ons en den kosmos, maar ook in de verbreking van de levensharmonie in ons eigen wezen. Op het speeltuig van ons hart is meer dan één snaar gespannen, en elke snaar heeft meer dan één toon. Normaal is dus slechts de toestand, waarin de verschillende motieven en tonen van ons hart harmonieus op elkander werken. Doch zoo is het thans niet. Disharmonie heerscht in ons binnenste. De verschillende beseffen, in de uitingen van ons innerlijk wezen, werken niet meer in zuiver akkoord op elkaar, maar treden elkander gedurig in den weg. Zoo komt de wanklank in ons innerlijk bestaan. Alles is uit zijn verband geraakt. En nu het één het ander niet meer steunt, maar bestrijdt, verliest én het geheel, èn verliezen de deelen hun zuiverheid. Ons besef van het goede, van het ware, van het schoone, van wat recht, van wat heilig is, hield op zuiver te werken. In zichzelf zijn deze beseffen verzwakt, en in hun werking op elkander verward geraakt. En waar het nu onmogelijk is, om in de geestelijke wetenschappen één stap vooruit te doen, tenzij deze beseffen ons tot gids verstrekken, blijkt ook hier, hoezeer de zonde de wetenschap hindert.

Waar dan, eindelijk, nog het hoogste bijkomt, door de vernieling, die de zonde teweegbracht in de gegevens, die ons voor de kennisse van God, en dus voor de conceptie van het geheel, ten dienste stonden. Zonder Godsbesef in het hart zal nooit iemand tot de kennisse Gods doordringen, en zonder liefde, of wilt ge heilige sympathie voor God, zal die kennisse nooit rijk aan inhoud worden. |59| Elke poging, om door zoogenaamde bewijzen het aanzijn Gods te constateeren, moest falen en heeft gefaald. We bedoelen daarmede niet, dat de kennisse Gods mystiek moet zijn; immers, zoodra deze kennisse Gods wetenschappelijk ontvouwd zal worden, moet ze gereproduceerd uit ons denkend bewustzijn. Maar gelijk onze wetenschap op niet één terrein één stap vooruit kan, tenzij er een brug gelegd zij tusschen het subject en het object, zoo is het ook hier. Indien dus in ons zelfbesef geen besef van Gods aanzijn aanwezig is, en in ons geestelijk bestaan geen band aan God trekt, die in liefde naar Hem doet uitgaan, is ook hier alle wetenschap onmogelijk. Toont nu de ervaring, dat wel dit besef niet geheel uitsleet, en deze drang niet geheel ophield, maar dat toch de zonde, krachtens haar eigen motief, dit besef vaak tot onherkenbaar wordens toe verzwakte, en dezen drang derwijze vervalschte, dat allerlei religieuze opwelling met haat tegen God gepaard ging, dan ligt het voor de hand, dat elke wetenschappelijke reproductie van de kermisse Gods moet mislukken, zoolang dit besef aldus verzwakt en deze drang aldus vervalscht blijft in richting. Iets, waaruit tevens volgt, dat de kennisse van den kosmos als één geheel, of wilt ge de philosophie in engeren zin, eveneens op deze verwoesting, die de zonde heeft aangericht, afstuit. Gesteld toch al, dat het u gelukt ware te komen tot een adaequate kennis van al de deelen van den kosmos, dan zou de optelsom van deze uitkomsten u nog geenszins de adaequate kennis van het geheel geven. Het geheel is altijd nog iets anders dan de bijeenvoeging der deelen. Vooreerst, om het organisch verband, dat de deelen samenhoudt; maar veelmeer nog, om de geheel nieuwe vragen, die de samenvatting van het geheel u stelt. Vragen naar den oorsprong en het einddoel van het geheel. Vragen naar de categorieën, die het object bij zijn afspiegeling in uw bewustzijn beheerschten. Vragen naar het absolute zijn, en naar wat niet-kosmos is. Om nu tot de beantwoording dezer vragen te komen, moet ge natuurlijk heel den kosmos, met uzelven er in besloten, aan uzelven onderwerpen; daartoe moet ge in uw bewustzijn buiten den kosmos treden; om dit te kunnen doen, moet ge een dv moi po st in den niet-kosmos hebben; en dit al te |60| gader wordt u onmogelijk gemaakt, zoolang de zonde u met uw bewustzijn in den kosmos opsluit.

Overwegingen, waaruit nu wel geenszins volgt, dat ge sceptisch aan alle wetenschap vertwijfelen zult, maar die u toch toonen, dat het niet aangaat in de theorie uwer kennis de zonde buiten rekening te laten. Dit zoudt ge zelfs dán niet mogen doen, bijaldien de zonde enkel een thelematisch begrip en dus bloot ethisch ware; maar mag nog veel minder, nu de zonde ook in hooge mate, zoo rechtstreeks als middellijk, alle die gegevens wijzigt, waarmee ge bij het opbouwen uwer wetenschap, en dus op intellectueel gebied, te rekenen hebt. De gnoia, die de zonde wrocht, is het moeilijkst struikelblok voor alle echte wetenschap.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001