§ 7. De geestelijke wetenschappen.

Bestond de kosmos, en dus ook de mensch, uitsluitend uit ponderabilia, zoo zou de kennisneming van den kosmos veel eenvoudiger zijn dan thans, maar het subject, dat zich die kennis eigen kon maken, zou ontbreken. De wetenschap mist dus alle recht, om er over te klagen, dat de kosmos niet enkel ponderabel bestaat. Immers, juist aan dit feit dankt de wetenschap haar aanzijn. Intusschen kan de moeilijkheid, om ten opzichte van de geestelijke zijde van den kosmos tot wetenschap, dien naam waard, te geraken, niet licht overschat. Op drieërlei moeilijkheid stuit ge hier.

Vooreerst toch is al het psychische, in de gewone beteekenis genomen, amorphisch, waaruit volgt, dat het morphologisch vermogen van uw bewustzijn, om een beeld van het object te vormen en het u voor te stellen, hier buiten werking blijft. Waar dus bij al het ponderabele uw denken, voor het naspeuren der relatiën, een steunpunt bezit in de voorstelling van de momenten, waartusschen deze relatiën bestaan, ontbreekt al zulk steunpunt hier geheel. Niet alsof het object dezer wetenschappen daardoor onwezenlijk zou zijn; want ook bij de wetenschappen met een ponderabel object, dringt uw kennis nooit tot het wezen door. Ge ziet de morfÐ in uw voorstelling; ge volgt de ‡nafora° of relatiën met uw denken; maar de oÇs°a ligt buiten uw bereik. Ook is hiermede niet gezegd, dat de geestelijke objecten niet iets gelijksoortigs kunnen hebben, als hetgeen we bij de niet-geestelijke onder de morfÐ verstaan; eer leert de forma in de denkwereld het tegendeel; maar in elk geval zijn deze vormen voor ons geheim, en mist ons bewustzijn de geschiktheid, om ze op te nemen en aan ons ik mede te deelen. En overmits we nu als somatisch-psychische wezens vanzelf de neiging hebben, om elk object èn plastisch èn logisch te assimileeren, voelen we ten deze op geestelijk terrein zeker gemis. Een gemis, dat er dan maar al te licht toe leidt, dit geheele terrein enkel logisch op te vatten, en zoodoende een valsch intellectualisme, of een gevaarlijke speculatie in de hand te werken. |40|

De tweede moeilijkheid, waardoor de geestelijke wetenschappen gedrukt worden, is de onvastheid van haar object. Mineralen, planten, dieren kunt ge classificeeren, en ook al hebt ge bij deze classificatiën nog altoos op variatiën en anomalieën bedacht te zijn, ge kunt dan toch zekere vaste kenteekenen bepalen, die tusschen klasse en klasse onderscheiden. Maar bij de geestelijke wetenschappen, die u gedurig met den mensch in aanraking brengen, ontgaat u deze regelmaat. Zelfs de classificatie naar de sexen, lijdt vaak schipbreuk op verwijfde mannen en mansche vrouwen. Eerst bij den mensch treedt met volle kracht het individueele op, dat zich principieel tegen elke generalisatie verzet, en deswege aan het algemeen en noodwendig karakter van uw wetenschap in den weg staat. Een zeker aantal verschijnselen vindt ge gemeen, maar ook die gemeene eigenschappen zoo eindeloos gewijzigd. En wat het ergste is, juist naarmate een individu rijker object is, en dus te overvloediger stof tot waarneming zou bieden, is zijn individualiteit te sterker ontwikkeld, en leent zich zulk een individu te minder voor vergelijking. Uit een scherp geteekend karakter zijn bijna geen conclusiën te trekken.

En bij dit amorphische en onvaste komt dan nog als derde bezwaar, dat ge in de meeste geestelijke wetenschappen van de zelfmeedeeling van uw object afhankelijk zijt. Het is zoo, ge kunt den mensch bespieden in zijn doen en laten. Iets zegt u zijn gelaat; meer nog zijn oog. Maar zoodra het u te doen is om eenigszins nauwkeuriger kennis van de geestelijke verschijnselen in hem, moet er, zult ge hem kennen leeren, in hem 1°. zekere zelfkennis zijn, en 2°. vermogen en wil, om zich aan u te openbaren. Zult ge nu ten gevolge van al zulke zelfmededeeling tot eenig oordeel komen over het geestelijk verschijnsel, dat ge onderzoekt, zoo moet, in verband vooral met hetgeen in de vorige zinsnede werd opgemerkt, zulk een zelfmededeeling door een groot aantal personen en in allerlei omstandigheden gedaan worden. Nu zijn intusschen aan deze zelfmededeeling van uw object allerlei bezwaren verbonden. 1°. Hapert het bij de meesten aan genoegzame zelfkennis. 2°. Missen zoovelen het vermogen, om u hun zelfkennis mede te deelen. 3°. Spreekt men veelal als vrucht van zelfkennis |41| na, wat slechts een van buiten geleerde les is. 4°. Willen velen zich niet openbaren, of doen dit opzettelijk valsch. 5°. Hangt de zelfkennis veelal samen met intieme overwegingen of feiten, die niet voor mededeeling vatbaar zijn. 6°. Zal deze zelfmededeeling bij hetzelfde individu een geheel andere zijn in het ééne dan in een ander oogenblik. En 7°. is voor het recht verstand, van wat iemand u zegt, veelal een kennis van zijn verleden, karakter en levensmilieu noodig, gelijk we die slechts bij zeer enkele personen verkrijgen kunnen. Het is dan ook zeer natuurlijk, dat men in den jongsten tijd niet zelden het jonge kind als object van observatie nam, omdat bij het kind deze bezwaren niet zoo sterk drukken; maar hier staat dan ook tegenover, dat het kind, juist wijl het nog zoo weinig ontwikkeld is, zoo weinig uit.

De moeilijkheid voor de geestelijke wetenschappen ligt dus niet in het mysterie van de oÇs°a van haar object. De oÇs°a toch is bij de sciences exactes even mysterieus. En ook ligt de moeilijkheid voor deze wetenschappen niet enkel in het amorphische karakter van haar object, of, wilt ge, in het gemis van grijpbare momenten. Neen, ook de kennis der relatiën van het object is bij deze wetenschappen daarom zoo moeilijk, omdat deze relatiën zoo onvast in haar verschijning en zoo bijna altoos aan de zelfmeedeeling van het object gebonden zijn. Het is dan ook opmerkelijk, hoe traag de voortgang dezer wetenschappen is, vooral zoo men dien vergelijkt met den snellen vooruitgang der sciences exactes; en zulks niet het minst, sinds men gepoogd heeft de methode der natuurwetenschappen ook op haar toe te passen.

Want wel bewijzen de symboliek, de mythologie, de personificatie, en zoo ook de dichtkunst, de muziek en bijna alle schoone kunsten ons een onschatbaren dienst als vertolkingen, van wat er op geestelijk gebied omgaat, maar op zichzelf leveren ze ons toch geen wetenschappelijke kennis. De symboliek berust op de analogie en innige verwantschap, die tusschen de zichtbare, en onzichtbare schepping bestaat. Ze is dus volstrekt niet alleen een gebrekkig hulpmiddel, waarvan we ons bedienen, omdat onze denkvormen aan het zichtbare ontleend zijn, maar ze vertegenwoordigt wel ter dege een realiteit, die in onze eigen menschelijke persoonlijkheid |42| door de innige en nauwe vereeniging van ons somatisch-psychisch bestaan betuigd ligt. Zonder die analogie en die innige verwantschap zou er eenheid van gewaarwording noch eenheid van uiting voor ons tweezijdig wezen als mensch mogelijk zijn. Niet uw oog, uw ik ziet, maar door uw oog, en dit gebruik van uw oog zou niet tot de daad van uw zien kunnen leiden, zoo de lichtreflex in uw oog geen werkelijke analogie bezat, met hetgeen uw ik doet, als ge iets door uw oog ziet. En moge nu al die analogie voor de overige deelen van den kosmos afnemen, naarmate hun verwantschap met den mensch een geringere wordt, toch kunnen we ons niet ontworstelen aan den indruk, dat deze analogie allerwege aanwezig is. Met behulp van deze symbolische neiging zoekt de mythologie zich de geestelijke krachten als uiting van geheimzinnige personen voor te stellen. En al is bij ons het phantasieleven te zeer onder de contrôle van ons denken gekomen, om in zulk een voorstelling in te leven, toch gevoelen ook wij nog telkens behoefte, om door de personificatie een bruikbaren term voor onze uitingen en voor de vertolkingen van ons gevoel te vinden. Eigenlijk berust op deze symboliek dan ook geheel onze taal voor het psychische. Al mogen toch later tal van woorden opzettelijk, zonder herinnering aan deze symboliek, voor psychische verschijnselen gevormd zijn, toch zijn oorspronkelijk, zoo ge de onomatopepoiemena uitzondert, alle woorden, waarmee wij psychische gewaarwordingen of verschijnselen uitdrukken, langs den symbolischen weg, aan de zichtbare wereld ontleend. En waar de dichtkunst, de toonkunst, of welke andere kunst ook, optreedt, om ons niet slechts het schoone in de morfÐ, maar ook de vertolking van het psychische te doen zien of hooren, daar is het wederom op grond van soortgelijke analogie tusschen het zichtbare en onzichtbare, dat ze ons in dichtmaat of in maatgeluid iets hooren, of ook in plastiek of door het penseel iets zien doet, waardoor het psychisch leven in ons wordt aangedaan, of waardoor het zich zelf leert verstaan. Metterdaad ligt in de verwantschap, en de daarop rustende analogie, die tusschen het zichtbare en onzichtbare deel van den kosmos bestaat, een niet genoeg te waardeeren middel, om op het psychische leven in te werken en het psychische leven tot |43| uiting te brengen; maar hoe rijk en heerlijk de wereld der tonen ook ons inwendig leven vertolken en bezielen kunne, bouwstof voor wetenschappelijke kennis levert ze niet. Waar dan nog bij komt, dat ge in al deze kunstuitingen steeds te rekenen hebt met de soms sterk zich uitende individualiteit van den kunstenaar, die ze voor uw oog of oor toovert, zoodat ook bij de productiën der kunst, afgezien nog van de zonde en de leugen, die ook in de kunst insloopen, de straks geopperde bedenking van het individueele terugkeert.

Is alzoo met de empirie van het symbolische niet dan in zeer geringe mate te rekenen, evenmin volstaat de empirie van de meer algemeene psychische levensuïtingen. Want wel ligt er zeker recht in de methode, om bij de verschillende volken, in geregeld verloop van tijd, de uitingen van het intellectueele, ethische, sociale, juridische, aesthetische en religieuze leven na te gaan; en moet toegestemd, dat de gelijksoortigheid en het gelijke verloop van deze verschijnselen bij onderscheidene volken zekere conclusiën wettigt over den aard van deze levensuitingen; maar zonder meer levert deze historisch-vergelijkende studie nog geen genoegzame wetenschappelijke kennis omtrent het psychische leven zelf. Omdat ge weet, dat het water op de bergen meest in den vorm van sneeuw neervalt; dan gletschers vormt; dat deze gletschers smelten; en dat het aldus gesmolten vocht, eerst als wilde beek, straks als bevaarbare stroom, voortstuwt naar den oceaan; daarom zijt ge toch met uw wetenschappelijke kennis van het water nog niet gereed. En veel meer leert deze historisch-vergelijkende studie van het zedelijke, sociale en.religieuze leven der volkeren ons toch eigenlijk niet. Zonder dus ook maar iets op het betrekkelijk recht, of het nut van deze studiën te willen afdingen, ontkennen we toch ten stelligste, dat in deze studiën de eigenlijke beoefening der geestelijke wetenschappen ligt. Ge kunt in alle deze studiën gekonfijt zijn, zonder ook nog maar het minste te weten omtrent uwe eigene ziel, die subjectief toch voor alle psychisch onderzoek het middelpunt vormt. En wat nog veel bedenkelijker is, ge loopt op deze wijze grootelijks gevaar, ongemerkt het object van uw wetenschap te vervalschen, zoo niet te denatureeren. Past ge toch b.v. deze |44| methode op de rechtswetenschap toe, dan moet ge wel tot de conclusie komen, dat alleen het bestaande recht recht is;, en wijl nu dit bestaande recht zich weer gedurig wijzigt naar de denkbeelden over recht, die ingang vinden, wordt alle tegenstelling tusschen recht en onrecht ten slotte een vlottend begrip, en ontaardt het recht in de officieele vaststelling van de voor zekeren tijd heerschende denkbeelden over de wederzijdsche verhoudingen. Zoo ontneemt ge aan het recht zijn eeuwige beginselen; ge vervalscht het rechtsbesef, dat nog van nature in ons spreekt; en uw dusgenaamde studie van het recht ontaardt in de bestudeering van zekere verschijnselen, die ge met den ijk van het recht stempelt. Want, brengt men hiertegen in, dat de idee van het recht zich met innerlijken aandrang in het proces van deze verschijnselen ontwikkelt, zoo moogt ge dit toch nooit naturalistisch, in den vorm van een physiologisch proces, verstaan, en behoort ge dus nog iets heel anders dan die verschijnselen, namelijk de idee van het recht, te kennen, om tot critiek op de rechtsverschijnselen in staat te zijn. Men ziet dan ook feitelijk, hoe al meer de eenvoudigste rechtsbeginselen in discrediet geraken, en er al meer twee stroomingen opkomen, die elk op haar beurt als recht ijken willen, wat de andere als onrecht wraakt. Een tegenstelling, die vooral in haar toepassing op het begrip van eigendom en van straf steeds schriller uitkomt. De één wil het geschonden recht op den moordenaar wreken, terwijl hij voor den ander, als slachtoffer van het atavisme, slechts een voorwerp van deernis is. De eigendom moet door het recht beschermd worden, zegt dusver nog elk ius constitutum, maar de anarchist oordeelt, dat in het ius constituendum alle eigendom als diefstal moet worden gewraakt. Al erkennen we dus zonder aarzeling, dat de heerschappij der symboliek op een zeer sterke analogie tusschen de érat€ en de ‡çrata wijst; en al geven we voetstoots toe, dat de naturalistische methode, door de historisch vergelijkende studie, ook voor de geestelijke wetenschappen rijke vrucht afwerpt, toch ontkennen we ten stelligste, dat de beoefening der geestelijke wetenschappen over haar geheele uitgestrektheid aan de methode der natuurkundige wetenschappen gebonden kan zijn. |45|

De oorzaak van het verschil ligt hierin, dat de wetenschap der érat€ wordt opgebouwd 1°. uit de sensitieve gewaarwording of waarneming der momenten door onze zintuigen, en 2° uit de logische kennis van de relatiën, die tusschen deze momenten bestaan, door ons denken. Dit echter is bij de geestelijke wetenschappen onmogelijk, want wel moet ook in het object dezer wetenschap tusschen de reëele momenten en de relatiën van deze momenten onderscheiden worden, maar onze zintuigen, die erop zijn aangelegd, om ons in rapport te brengen met de momenten der érat€, weigeren dien dienst ten opzichte van de momenten der ‡çrata; terwijl het vanzelf spreekt, dat de logische kennis der relatiën, die reeds op zichzelf ongenoegzaam zijn zou, bovendien nog zwevend wordt, zoolang de momenten, waartusschen ze bestaan, niet gekend zijn. Het plastische vermogen van onzen geest, dat bij de érat€, door middel van de zintuigen, de momenten in zich op kan nemen, blijft hier dus werkeloos, en het logische vermogen, om begrippen en oordeelen te vormen is op zichzelf ontoereikend. Poogt men nu desniettemin deze geestelijke wetenschappen naar de methode der érat€ te behandelen, dan begaat men de dubbele zelfmisleiding, dat men het object ongemerkt verwisselt en onbewust toch zijn steunpunt kiest in iets, dat buiten deze methode ligt. Men verwisselt dan het object, doordien men b.v. in de Theologie, niet God, maar den Godsdienst tot voorwerp van onderzoek kiest, en dien Godsdienst nog wel alleen in zijn uitingen. En evenzoo kiest men dan iets tot uitgangspunt, waartoe deze methode geen recht geeft, doordien men uit zijn eigen subject het besef of de idee van religie meebrengt.

*

De vraag is derhalve, wat bij de geestelijke wetenschappen ons den dienst bewijst, dien het voorstellingsvermogen, in verband met de zintuigen, bij de érat€ volbrengt. Omdat het object der geestelijke wetenschappen zelf geestelijk en dus amorphisch is, weigert toch niet alleen het zintuig, maar ook het voorstellingsvermogen ons hier zijn dienst. Treedt hier dus geen ander middel voor in de plaats, dan blijft het geestelijk object buiten het bereik |46| van ons wetenschappelijk onderzoek, en moeten de geestelijke verschijnselen, òf materialistisch, als het product van materieele oorzaken worden opgevat, òf agnostisch, buiten onze wetenschap blijven liggen, gelijk het gebruik van het Engelsche science dit tegenwoordig wil. Die uitkomst zou echter geheel in strijd zijn, met hetgeen de ervaring ons leert. Telkens toch blijkt, dat er allerlei geestelijke dingen zijn, die we veel zekerder weten, dan hetgeen ons aangaande de érat€ door waarneming wordt aangebracht. Het rechtsbesef, het besef van liefde, het gevoel van haat, en zooveel meer, blijkt telkens veel reëeler voor ons bewustzijn te bestaan dan menig lid van ons eigen lichaam. En moge al het idealisme van Fichte in zijn eigen eenzijdigheid dood zijn geloopen, toch houdt ge op mensch te zijn, zoo de realiteit van het geestelijke voor u niet vaster staat, dan hetgeen ge door onderzoek omtrent plant en dier te weten komt. Houden we dus aan de etymologische grondgedachte van de wetenschap vast, in dien zin, dat hetgeen geweten wordt, haar inhoud vormt, dan verminkt ge uw wetenschap, zoo ge haar den toegang tot de geestelijke objecten afsnijdt.

Er blijft alzoo niet anders over, dan dat ge de geestelijke wetenschappen uit het subject zelf opbouwt; mits hierbij wel in het oog worde gehouden, dat het subject der wetenschap niet deze of gene onderzoeker, maar het menschelijk bewustzijn in het generaal is. Nu bleek ons, dat ook bij de zichtbare dingen elk onderscheidend weten ondenkbaar zou zijn, zoo niet in het menschelijk bewustzijn, mikrokosmisch, de archetypische ontvankelijkheid voor deze objecten aanwezig ware. Ook met opzicht tot de geestelijke objecten mag dus in gelijken zin gegist, dat de aanwezigheid van zulk een archetypische receptiviteit voor wat recht, liefde enz. is, in ons bewustzijn gevonden wordt. Anders toch zouden ze eenvoudig niet voor ons bestaan. Maar met deze receptiviteit zonder meer zijt ge er nog niet. Er moet op die receptiveit een actie uitgaan van het object uwer wetenschap; iets, waarbij het voorshands in het midden zij gelaten, of deze actie u rechtstreeks of middellijk toekomt. Het recht b.v. worden we niet gewaar als een poëzie van onzen eigen geest, maar als een macht, die |47| over ons heerscht. We ontwaren de werking van die macht, ook zonder dat in een concreet geval, door eenige gebeurtenis buiten ons, ons gevoel voor recht in beweging geraakt. Ook buiten alle verband met de openbaring, krenking of toepassing van het recht in bepaalde omstandigheden, weten we, dat we recht moeten doen; en dit besef kan niet in ons zijn, tenzij die macht van het recht, waaraan we ons onderworpen gevoelen, ons aandoet en aangrijpt in ons innerlijk wezen. Dit nu wordt wel mogelijk, doordien we de receptiviteit voor het recht bezitten, maar komt toch dan eerst tot stand, als het recht zelf, als een ons beheerschende macht, op die receptiviteit werkt, en door haar in ons bewustzijn indringt. De daarachter liggende vraag, of het recht zelf als universale bestaat, of slechts een uitdrukking is, voor wat in God bestaat, kan hierbij onbesproken blijven. Ons is het genoeg, zoo maar vaststaat, dat ook bij de opneming van het object der geestelijke wetenschappen in ons bewustzijn, even goed als bij de perceptie van het object der natuurwetenschappen, in het object te onderscheiden valt tusschen het moment en zijn relatiën, en, hiermee correspondeerend, in ons bewustzijn tusschen de gewaarwording van het moment en het indenken van zijn relatiën. Maar met dit verschil, dat het moment in de érat€ op ons bewustzijn werkt door de zintuigen, en alzoo het voorstellingsvermogen in actie zet; terwijl bij de geestelijke wetenschappen het moment niet op de zintuigen, noch door de voorstelling werkt, maar, in overeenstemming met zijn geestelijke natuur, ons bewustzijn subjectief aandoet, en in ons subject een receptiviteit vindt, waardoor die aandoening mogelijk wordt; een aandoening, die dan weer òf constant kan wezen, en alzoo een blijvend besef ten gevolge heeft, òf incidenteel, en dan onder het begrip van inspiratie valt. Feitelijk grijpt derhalve bij de overbrenging in ons bewustzijn van het object der geestelijke wetenschappen hetzelfde proces plaats als bij de ontdekking van ons bewustzijn voor het object der natuurwetenschappen. Beide malen moeten we onderscheidenlijk het moment, en onderscheidenlijk de relatiën in ons opnemen. Beide malen moet, zoo voor die momenten als voor die relatiën, de receptiviteit vooraf in ons aanwezig zijn. En ook, beide malen kan ons denken ons alleen |48| de relatiën doen kennen, terwijl de gewaarwording van het moment ons uit het object zelf toekomt. Maar hierin zijn beide soort van wetenschappen onderscheiden, dat het moment der érat€ een anderen weg volgt, om in ons bewustzijn te dringen, dan het moment der pneumatik€, en dit wel zoo, dat de momenten der érat€ door de zintuigen op ons voorstellingsvermogen werken, terwijl de momenten der pneumatik€, zonder zintuigen, en zonder een ons bekende tusschenschakel, ons subject geestelijk aangrijpen, en alzoo, voor ons besef, rechtstreeks in ons bewustzijn ingaan.

De wetenschap van het geestelijk object wordt dus geput uit ’s menschen subjectiviteit; zoo echter, dat ons individueel subject ook hierbij nooit gedacht mag buiten zijn organischen samenhang met het generale subject van het menschelijk geslacht. Eén enkel onderzoeker, die uitsluitend uit zijn eigen subjectieve gewaarwordingen de geestelijke wetenschappen zocht op te bouwen, zou daarmee het begrip van wetenschap vernietigen, en van Philologie, Historie, Politica, Sociale wetenschappen enz. zou voor hem geen sprake zijn. Doch al schijnt het, dat het grooter deel van de onderzoekingen, die op het terrein der geestelijke wetenschappen plaats grijpen, hierdoor haar subjectief karakter verliezen, toch is dit niet zoo. Immers alle rechtsstudie ware ondenkbaar voor een geleerde, die, hoe vervalscht ook, het besef van recht niet in zichzelf bezat; taalstudie is ons alleen mogelijk, doordien we zelf, uit ons eigen subject, de verbinding tusschen de ziel, de gedachte en den klank kennen; staatkunde kan alleen beoefend, overmits de mensch zelf van nature een zþon politikçn is; enz. Altijd ligt dus in ons eigen subjectief besef het uitgangspunt, en in dat subjectief besef de voorwaarde voor de beoefening dezer wetenschappen. Want wel begint men al meer in het voorportaal der Psychologie ook de psychische verschijnselen bij het dier te onderzoeken, en levert deze studie nu reeds een ver van te versmaden bijdrage voor de kennis der eenvoudige gewaarwordingen; maar de corypheeën op wetenschappelijk gebied verklaren zich toch eenparig tegen de conclusiën, die men hieruit voor de kennis van de samenleving der dieren, gelijk o.a. Sir John Lubbock voor de wereld der mieren, trok. En ook al mocht |49| later de mogelijkheid geboren worden, uit te maken, dat er ook in de dierenwereld metterdaad analoge psychologische en sociologische verhoudingen bestaan, zoo zou daardoor toch onze stelling niet zijn omvergeworpen. Immers, het zou dan niet de dierenwereld zijn, die ons de menschenwereld leerde verstaan, maar omgekeerd ons subjectief menschelijk besef, waaruit per analogiam tot een ons analoge wereld geconcludeerd werd; juist zooals de theologen dit deden ten opzichte van de wereld der Engelen.

Ook het feit, dat een zeer groot deel van den arbeid, dien men aan de geestelijke studie ten koste legt, een meer objectief karakter draagt, mag ons hierbij niet op het dwaalspoor leiden. Al is het toch volkomen waar, dat, om de Psychologie als voorbeeld te nemen, èn het physico-psychische experiment, èn de vergelijkende studie der psychische uitingen, èn de ethnologisch-historische studiën, voor dit vak van wetenschap zeer aanmerkelijke bijdragen leveren, toch mag niet vergeten, èn dat reeds deze voorstudiën alle door het eigen psychisch besef gedragen en geleid worden, èn dat na deze voorstudiën de eigenlijke opbouw der Psychologie nog pas begint. De meer objectieve zijde dezer studie heeft tweeërlei oorzaak. Vooreerst de samenhang, die over geheel het terrein van deze studie tusschen onze yucÐ en ons sòma, en zoo ook tusschen de uitingen onzer yucÐ en den zichtbaren kosmos bestaat. En ten tweede in de noodzakelijkheid, ons eigen psychisch leven niet geïsoleerd, maar in organisch verband met het psychisch leven van ons menschelijk geslacht te beschouwen. Schijn mag hier echter nooit bedriegen. Alles toch wat we physisch, en physicalisch zelfs, te dien opzichte waarnemen, of ook waarnemen in de kosmische uitingen van het psychisch leven, behoort als zoodanig nog niet in eigenlijken zin tot de psychische wetenschappen. En waar we uit ons eigen individueel subject een brug pogen te vinden, waarover we het subjectief leven der menschheid bereiken kunnen, blijft die brug toch altoos niets dan een brug, en is het ons niet om die brug zelve te doen, maar om de psychische wereld, die we door haar bereiken.

Vandaar, dat wel te onderscheiden is tusschen de zuivere en de gemengde geestelijke wetenschappen. Linguistiek b.v. |50| is een gemengde geestelijke wetenschap, in zooverre al wat de modulatiën der klanken en den invloed daarop van den lichaamsbouw, en vooral van de ademhalings-, spraak- en gehoororganen betreft, somatisch is, en men aan de eigenlijke psychische studie hier eerst toekomt, als men in dit sòma der taal tot den logos als haar psychisch element doordringt. Zoo ook is in de geschiedenis het bouwen eener stad, het leveren van een veldslag, en zooveel meer, het sòma der geschiedenis, en begint haar psychische studie eerst, waar we pogen door te dringen tot de beweegreden van de menschelijke handeling, die achter dit somatische schuilt, en tot de geheimzinnige macht, die, deels door, deels zonder deze motieven, honderden personen, ja geheele natiën en volkeren een proces deed doorloopen, dat, ook al kent het terugschrijdingen, toch bijna aan de afwikkeling van een kluwen doet denken. En ’t zij ge nu deze motieven naspeurt, ’t zij ge u in die geheimzinnige leiding der geslachten verdiept, altoos zijt ge ook hier op uw eigen subjectief-psychisch leven als uitgangspunt aangewezen, en laat de empirie u in den steek. Het sterkst ziet men dit aan de philosophie in engeren zin, die juist omdat ze, zoo al niet den kosmos zelf, dan toch het beeld, dat wij er van opvingen, logisch poogt te verklaren, steeds een zoo sterk subjectief karakter draagt, en zelfs het minst bij haar corypheeën aan dit individueele stempel kon ontkomen. De aldus verkregen philosophische premissen, die door enkele heroën onder de denkers, naar den drang hunner eigen subjectiviteit, werden vastgesteld, zijn dan telkens, krachtens geestelijke „Wahlverwandtschaft”, door de dii minores overgenomen, eveneens naar subjectieve praedilectie. En het zijn deze premissen, die dan voorts in zulk een kring geheel de studie der geestelijke wetenschappen beheerschten, voor zooverre deze, met de empirische gegevens als bouwstof, zich architectonisch wijdden aan de optrekking van het gebouw.

Men late zich dus door den schijn van objectiviteit, dien de uitstalling van deze empirische gegevens teweeg brengt, niet verblinden. Elke inbeelding, alsof het ooit gelukken zou, de geestelijke wetenschappen op eenzelfde leest te schoeien met de natuurkundige wetenschappen, berust op zelfbedrog. Ja, zelfs |51| bij deze laatste kan enkel empirie nooit volstaan. Zeker, al wat, omdat het materieel is, geteld, gewogen en gemeten kon worden, biedt ons, althans voor zooveel die verhoudingen betreft, een algemeen dwingende zekerheid, die, mits de waarneming juist zij, een volstrekt objectief karakter draagt. Zoodra ge u echter ook op physisch terrein een schrede verder waagt, en uit deze empirische gegevens tot een constructie poogt te geraken, die u in deze verstrooide gegevens een eenheid van gedachte, het proces eener idee, of het zich voortbewegen uit een eerste verschijning naar een einddoel, doet ontdekken, zijt ge terstond uit het physische in het psychische overgetreden, verlaat u die algemeene, dwingende zekerheid, en glijdt ge ook hier terug in het subjectieve weten, doordien ge u dan feitelijk reeds op het erf der geestelijke wetenschappen bevindt. Het dan toch nog te doen voorkomen, alsof deze philosophische verklaringen en constructiën, gelijk b.v. de Descendenz-theorie, slechts de logische deductiën uit empirische gegevens waren, is misleiding. Een misleiding, die zich dan voortzet op het terrein der eigenlijke geestelijke wetenschappen, doordien men ook hier waant van empirische gegevens uit te gaan, waar toch deze empirische gegevens hoogstens den dienst kunnen vervullen van hulpmiddelen, om uw onderzoek te verrijken en te contrôleeren; maar zonder dat ze ooit in staat zijn, u het psychische zelf, dat toch het eigenlijk object van deze wetenschappen is, te openbaren of te verklaren. Gevolg van deze gevaarlijke zelfmisleiding is dan ook, dat bij alle deze studiën de detailstudie en de voorstudie hoogelijk bloeit, maar dat de eigenlijke studie dezer wetenschappen grootendeels braak ligt. Zoo wordt er b.v. ongemeene vlijt aan besteed, om de uitingen en verschijnselen van het religieuze leven, in onderscheidene tijden en bij onderscheidene volkeren, zoo nauwkeurig mogelijk te constateeren, maar de religie zelve, die hier toch het eigenlijke object is, wordt verwaarloosd. Men raadpleegt op gelijke wijze de zedelijke levensuiting der volkeren in hun verschillende perioden en landstreken, maar de zekerheid omtrent de normeerende macht van het zedelijk leven en de kennis van de middelen, om het zedelijk leven te doen bloeien, gaat al meer te loor. Een atrophie, die voor de studie der |52| psychologie, der geschiedenis, van het recht enz. evenzoo geldt, en die alleen te verklaren is uit de valsche zucht, om het psychische te materialiseeren, ja, als ware het materie, op gelijken voet te behandelen als het physische. Een zucht, die op zichzelf begrijpelijk is, naardien uitwendig dwingende zekerheid in veler oog op dit terrein nóg gewenschter zou wezen dan op het terrein der natuurwetenschappen; en die in zooverre zelfs zeker recht heeft, als men eertijds de empirische gegevens, die ons ook bij de geestelijke wetenschappen ten dienste staan, al te schromelijk verwaarloosde. Maar die, zoodra ze zich tot methode poogt te verheffen, toch onverbiddelijk afstuit op den aard en het karakter van het psychische; eenerzijds, omdat het psychische niet anders dan in zijn subjectieve individualiseering gestalte voor ons aanneemt; en anderzijds, omdat het psychische nooit anders dan door ons eigen psychisch besef te grijpen is.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001