6. Verkeerde theorieën.

Stellen we ons nu voor, dat er geen stoornis door de zonde, zoomin in het subject als in het object, had plaats gegrepen, dan zouden we, resumeerende, derhalve tot deze conclusie komen. Het subject der wetenschap is het generale ik in het algemeen menschelijk bewustzijn; het object is de kosmos. Beide dit subject en dit object bestaan organisch, en tusschen beide bestaat een organisch verband. Omdat het ik dichotomisch, d.i. zoowel psychisch als somatisch bestaat, heeft ons bewustzijn twee grondvormen, die eenerzijds tot de voorstelling en anderzijds tot het begrip leiden. Hieraan beantwoordt in het object de onderscheiding tusschen de momenten en de relatiën dezer momenten. En het is, dank |36| zij deze correspondentie, dat de wetenschap tot een weten van den kosmos leidt, zoowel wat deze momenten als wat deze relatiën betreft. De mogelijkheid, om zich den kosmos als object te assimileeren, ontstaat voor het subject, doordien het mikrokosmisch èn de typen van deze momenten, èn het kader voor deze relatiën in zich draagt. En eindelijk, de mogelijkheid, om niet slechts tot aggregatorische, maar tot organisch samenhangende kennis, en alzoo tot actieve beheersching, van den kosmos te geraken, spruit voort uit het feit, dat in dezen kosmos een noodwendige orde heerscht, die logisch ontkiemt uit een beginsel, dat ectypisch ook in ons eigen mikrokosmisch aangelegd bewustzijn werkt.

Buiten alle stoornis door zonde en vloek gerekend, zou dus ons menschelijk bewustzijn met noodzakelijkheid als vanzelf, zoo door de voorstelling als door het begrippen vormend denken, al meer in geheel den kosmos zijn ingedrongen. Die kosmos zou als een opengeslagen boek voor ons hebben gelegen. En voorzooveel we zelf een deel van dien kosmos zijn, zouden we allengs met volkomen helder bewustzijn het leven van dien kosmos hebben meegeleefd, en door ons leven zelf dien kosmos hebben beheerscht.

De algemeenheid en noodzakelijkheid, die voor onze kennis van den kosmos, zal ze het wetenschappelijk stempel dragen, onmisbaar zijn, zouden bij dezen stand van zaken niet in botsing zijn geraakt met ons subjectivisme. Al mag toch nooit toegegeven, dat bij een onzondige ontwikkeling van ons geslacht, alle individuen slechts eenvormige repetitiën van hetzelfde model zouden geweest zijn; en al dient veeleer vastgehouden, dat alleen in de veelvormige individualiseering van de leden van ons geslacht het kenmerk ligt van zijn organisch karakter; zoo zou toch, bij ontstentenis van stoornis, deze veelvormigheid even harmonisch gebleken zijn, als ze nu disharmonisch werkt. Er zou wederzijdsche aanvulling, geen strijd zijn geweest. En de poging zelfs van het individueele subject, om andere subjecten op zij te dringen, of ook om het, object naar zichzelf te vervormen, ware ondenkbaar geweest. Dat nu deze stoornis, helaas, wel intrad, en dat hieruit het subjectivisme opsproot, dat als een kanker onze |37| wetenschap vergiftigt, vinde later bespreking. Thans zij er slechts op gewezen, hoe volkomen natuurlijk het is, dat denkers, die de stoornis door de zonde loochenen, zich ook nu nog de wetenschap als een absolute macht voorstellen, en er hierdoor toe komen, óf de wetenschap te beperken tot de „sciences exactes”, óf wel haar op te vatten als een wijsgeerig systeem, waarnaar de realiteit moet verwrongen worden.

De eerste richting won met name in Engeland, de tweede in Duitschland veld. Want wel is de eerste richting in Frankrijk opgekomen, maar de naam van „sciences exactes” legt, reeds blijkens de bijvoeging van exactes, geen beslag op de geheele wetenschap. In Engeland daarentegen wordt science in absoluten zin al meer de uitsluitende naam voor de natuurwetenschappen; terwijl aan de onderzoekingen op psychisch terrein de volle eeretitel van „wetenschappelijk” betwist wordt. Hierin nu ligt een eerlijke bedoeling, die waardeering verdient. Er ligt toch de erkentenis in, dat eigenlijk alleen wat gewogen en gemeten kan worden, voldoende aan de schadelijke inwerking van het subjectivisme ontkomt, om een absoluut, d.i. algemeen en noodwendig karakter te dragen; in dien zin zelfs, dat de naakte gegevens, waartoe zulk onderzoek leidt, door herhaalde proefneming zoo goed als tot onfeilbaarheid worden verheven, en als zoodanig dwingend van aard zijn. En zoo nu, dit weerspreken we in het minst niet, moest wel bezien, al onze wetenschap zijn. Doch hoe eerlijk deze theorie ook bedoeld zij, toch is ze onhoudbaar. In tweeërlei opzicht. Vooreerst in zooverre zelfs de strengste beoefenaars dezer sciences zich nooit tot enkel wegen en meten bepalen, maar, om tot mededeeling van hun gedachten in staat te zijn en invloed op de realiteit, en op de algemeene opinie uit te oefenen, allerlei conclusiën formuleeren en hypothesen opzetten, die het subjectivisme weer binnenlaten en in den grond der zaak eene verloochening zijn van hunne eigene theorie. Denk slechts aan het Darwinisme, dat reeds blijkens de grondige oppositie, die het bij mannen van naam vindt, geen dwingend karakter bezit, en alzoo niet aan de eischen van de sciences beantwoordt. Maar ook in de tweede plaats blijkt deze theorie |38| onhoudbaar, omdat ze òf de geestelijke wereld loochent, om alleen de ponderabele wereld over te houden, en dus in puur materialisme verloopt, òf wel elk organisch verband tusschen de ponderabele en de geestelijke wereld loochent, en hiermee de wetenschap van den kosmos als zoodanig prijsgeeft.

Veel hooger staat dan ook de tweede richting, die, als vrucht van Duitsche denkkracht, nog steeds de hooge hand behield, en den eisch, dat de wetenschap ons tot een organisch, uit één beginsel afgeleide kennis van den geheelen kosmos zal leiden, onverzwakt handhaaft. Het ongeluk is maar, dat deze theorie, die bij een onzondige ontwikkeling de eenig ware zou gebleken zijn, thans nog wel in idealen zin waar blijft, maar op de werkelijkheid niet meer past; deels niet, omdat de onderzoekende subjecten disharmonisch tegenover elkander staan, en deels, omdat ook in het object allerlei anomalieën intraden; denk slechts aan de menschelijke taal en den strijd, die over analogie en anomalie in de taal sinds de dagen der Sophisten en Alexandrijnen gevoerd is. Weigert men nu op dit standpunt, met de verstoring van de harmonie, zoo in het subject als in het object, rekening te houden, en zet men dan toch zijn wil door, om ook het disharmonische logisch uit één beginsel te verklaren, dan verloopt men in speculatie, en leert ons niet den kosmos kennen, maar komt er toe, om òf een kosmos te phantaseeren, die niet bestaat, òf wel om pantheïstisch alle grenzen uit te wisschen, tot ten laatste zelfs het verschil tusschen goed en kwaad indifferent wordt.

Metterdaad wordt dus de geheele opvatting van de wetenschap, toegepast op den kosmos gelijk hij thans zich aan ons voordoet, en beoefend door het subject, mensch, gelijk dit thans bestaat, in volstrekten zin door de vraag beheerscht, of er al dan niet door de zonde, ’t zij in het object ’tzij in het subject der wetenschap, stoornis zij aangebracht.

Dit alles beslissende punt bespreken we daarom in een afzonderlijke , na vooraf een afzonderlijk onderzoek te hebben ingesteld naar het karakter, dat de geestelijke wetenschappen dragen.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001