5. De taal.

Kon deze reuzentaak nu door één enkel mensch, in één enkel punt des tijds, volvoerd worden, en traden bij het volvoeren van die taak hem geen hindernissen in den weg, zoo ware een volledige wetenschap voor dien éénen mensch en in dat ééne oogenblik denkbaar ook zonder geheugen en zonder gesproken taal. Nu daarentegen deze arbeid van den menschelijken geest over eeuwen loopt, onder duizend en nogmaals duizend denkers verdeeld is, en niet dan langzaam, onder bemoeilijking door allerlei hindernissen, |30| voortschrijdt, zou zonder geheugen en zonder taal geen wetenschap denkbaar zijn. Noch wetenschap door voorstelling, noch wetenschap door begrip kan onder het voortspoeden van den tijd ons eigendom blijven, tenzij ons een middel geboden zij, om die voorstelling en dat begrip vast te houden. Of dit vasthouden nu geschiedt rechtstreeks, door wat we geheugen noemen, of wel middellijk door teekens, door afbeelding of schrift, die op elk gegeven oogenblik weer gelijke voorstelling en gelijk begrip in ons wekken kunnen, is voor het resultaat zelf onverschillig. Beide malen gaat toch de actie van onzen menschelijken geest uit. Een weer van het blad herkende voorstelling of herkend begrip toont toch dat onze geest, zij het dan ook op andere wijze dan bij het gewone „onthouden”, met deze voorstelling of met dit begrip in rapport bleef. Waren we er vreemd aan geworden, dan zou ook het gedocumenteerde niet door ons herkend worden. Moge dus onze geest, bij wat we „geheugen” noemen, meer actief zijn, en bij de herkenning van het buiten ons gedeponeerde meer passief, toch werkt beide malen eenzelfde vermogen van onzen geest, om namelijk, ’t zij zonder, ’t zij met hulpmiddelen, een eens gewonnen voorstelling of begrip vast te houden en als opgelegd kapitaal te bezitten. Slechts zij hierbij opgemerkt, dat, althans in onzen tevenwoordigen toestand, deze opgelegde schat, zoo we dien enkel, zonder hulpmiddel, in het geheugen bewaren, ongemerkt door roest verteert; en wel in dier voege, dat het vasthouden van een voorstelling gemakkelijker blijkt dan het vasthouden van een begrip; alsook, dat ons geheugen het meest te worstelen heeft met het vasthouden van namen en teekens, die noch een volledige voorstelling, noch een volledig begrip geven, maar in verband met beide altoos min of meer willekeurig gekozen zijn. Wat eindelijk het deponeeren van den inhoud van ons bewustzijn buiten ons betreft, zoo volgt én de voorstelling én het begrip hierbij een eigen weg. De voorstelling uit zich door de kunst in het beeld, het begrip door de taal in het woord; een onderscheiding, die haar volle recht behoudt, ook al verkrijgt het woord door het schrift deel aan de natuur van het beeld, en het beeld in de beschrijving deel aan de natuur |31| van het woord. Het woord wordt in beelden, ook al zijn dat slechts teekens, geschreven, en het beeld kan door den dichter in woorden geteekend worden. Ook uit deze dooreenmenging van beider terrein blijkt opnieuw, wat nauwe verwantschap tusschen voorstelling en begrip bestaat, en zulks tengevolge van de eenheid der actie, waarmee de facultas intelligendi zich beurtelings op de momenten in den kosmos en beurtelings op de relatiën tusschen deze momenten richt.

Dit is echter niet zóó bedoeld, als zou de taal geen hoogere roeping hebben, dan om het geheugen als hulpmiddel te dienen bij het verdedigen van het eens gewonnen kapitaal van ons bewustzijn tegen de vernielende inwerking van den tijd. Veel hooger toch staat de roeping van de taal, om den schat van onze voorstellingen en onze begrippen tot het communaal bezit van mensch en mensch te maken, en alzoo zijn individueelen toestand te verheffen tot het gemeenschappelijk bezit van het algemeene bewustzijn der menschheid. Zonder taal valt mensch en mensch atomistisch uit elkander, en eerst door de taal uit zich die organische gemeenschap, waarin de leden van het menschelijk geslacht tot elkander staan. Taal wordt hier genomen in haar algemeensten zin. Al zijn we toch gewoon, het woord taal meestal uitsluitend als uitdrukking te bezigen voor het in klank overgebracht begrip, toch kent het spraakgebruik nog evengoed de oogentaal, de gebarentaal, de bloementaal enz.; en ook al neemt ge taal in die engere beteekenis, dat ze steeds uit woorden besta, zoo toont reeds de klanknabootsing, de woordenreeks, die we voor allerlei uitroepingen hebben, dat de taal volstrekt niet tot de wereld der begrippen beperkt is. Feitelijk doet het bewustzijn van den éénen mensch zekere mededeeling aan het bewustzijn van den anderen, omtrent hetgeen het èn waarnam èn indacht; zoowel dus van zijn voorstellingen als van zijn begrippen; en hiermee overeenkomstig draagt ook de taal tweeërlei grondvorm, dien van het beeld en van het woord; iets, waarbij het geheel onverschillig is, of dit beeld in een bloote aanduiding, een grof teeken of een uitgewerkten vorm besta. Een wenk, een vingerwijzing, een blik met de oogen, een vertrekken van het gelaat zijn altemaal |32| evengoed deelen van de menschelijke taal, als de taal, die zich in woorden uit. Zelfs mag niet voorbijgezien, dat de taal zonder woorden, althans in onzen huidigen toestand, een merkelijk voordeel bezit boven de taal in woorden. Terwijl toch de taal in woorden slechts dienst doet, zoover de kennis van uw eigen taal reikt, is de taal van het beeld verstaanbaar voor al wat mensch heet, de doofstomme niet uitgezonderd, alleen met exceptie van den blinde. De vroegere gewoonte, die thans weer in zwang komt, om boeken met platen uit te geven, was uit dit oogpunt volkomen gerechtvaardigd. Overmits ons bewustzijn een dubbele bestaanswijze heeft, die van de voorstelling en van het begrip, zal altoos de vereeniging van het beeld met het woord het volledigste communicatiemiddel zijn tusschen het bewustzijn van den één en het bewustzijn van den ander. Deze communicatie kan tenslotte zelfs zoo volledig worden, dat de overbrenging van zekeren inhoud uit het bewustzijn van den één in het bewustzijn van den ander eene volkomene wordt; en de eigenlijke moeilijkheid voor deze communicatie ontstaat eerst dan, als de inhoud niet aan het morphologische deel van den kosmos, maar aan het amorphische, wijl asomatische deel van den kosmos ontleend is, d.i. zoo ge uw indrukken en uwe beseffen uit de wereld van het ware, goede en schoone ook aan anderen poogt mede te deelen. Immers, voor de momenten in dezen amorphischen kosmos bezitten we geen eigenaardig middel van reproductie, zoodat we ons door de symboliek, met analogieën, en voorts met altoos onvolledige gemoedsuitingen, moeten behelpen. Hierdoor worden dan de relatiën tusschen deze momenten voor ons gedurig onvast, zoodat onze begrippen van deze relatiën volkomene helderheid missen, en toch de neiging ontstaat, om dezen amorphischen kosmos als enkel uit begrippen bestaande op te vatten. Hierover zal echter later uitvoeriger te handelen zijn, zoodat we thans volstaan met op de taal, in haar uitgebreidsten zin, te wijzen, als op het voor alle wetenschap onmisbare hulpmiddel, waardoor de communicatie van het bewustzijn van den éénen mensch met dat van den anderen, en alzoo de generaliseering van het menschelijk bewustzijn, waarin alle wetenschap wortelt, tot stand komt. |33|

Toch zou de taal, zonder meer, deze taak nog slechts in zeer beperkten kring en slechts voor korten tijd kunnen vervullen, indien ze niet het middel had ontvangen, om zichzelve in schrift en druk te bestendigen. Niet het gesprokene, maar eerst het geschrevene of gedrukte woord komt de hindernis te boven, die in den afstand van tijd en plaats ligt. Want wel bezat de taal ook zonder schrift of druk een middel, om van mond tot mond te gaan, en van geslacht tot geslacht te komen, in de traditie; vooral in de gebonden traditie van het lied; maar dit hulpmiddel was en bleef uiterst gebrekkig. Vaster vorm bezat ongetwijfeld de teekening of schildering op steen, doek of hout; maar toch kon de rijke, volle inhoud, van wat het menschelijk bewustzijn had opgevangen, doorleefd en ingedacht, eerst toen met eenige juistheid en volledigheid oecumenisch gemaakt en geperpetueerd worden, toen in het wondere schrift het middel geboden werd, om, wel niet volledig, maar dan toch met groote mate van juistheid, den inhoud van het bewustzijn buiten zich te objectiveeren en te deponeeren. Dit schrift ging zeer natuurlijk van de voorstelling uit, en kwam eerst van lieverlede tot de reproductie der begrippen door de aanduiding der klanken over. Zoo wierd beeld en woord al strenger onderscheiden, tot eindelijk bij de beschaafde volkeren de beeldende taal der figuren, en de klanken aanduidende taal der woorden twee zijn geworden. Een fijnere en nog hoogere ontwikkeling is hierbij dan ook niet denkbaar. De dubbele actie van ons bewustzijn, die van het waarnemen der momenten en van het indenken der relatiën, die aanvankelijk bij hun reproductie dooreengevlochten lagen, zijn thans tot zuivere scheiding gekomen, en terwijl de kunst zich almeer toelegt op steeds volkomener reproductie der voorstellingen, biedt schrift en druk ons een volkomen genoegzaam middel tot reproductie van onze begrippen.

Doch ook hiermee is de hoogste roeping van de taal voor ons menschelijk leven in het algemeen, en voor de wetenschap in het bijzonder, nog niet in het licht gesteld. Haar hoogste beteekenis toch ontleent de taal niet dááraan, dat ze onszelven het vasthouden en het opgaren van de voorstellingen en begrippen van ons bewustzijn mogelijk maakt; en voorts dienst doet als |34| communicatiemiddel tusschen het bewustzijn van den één en het bewustzijn van den ander; maar veeleer hieraan, dat eerst zij het is, die den inhoud van ons bewustzijn tot ons eigendom maakt. Immers, het is geheel iets anders, of we nog in het stadium verkeeren, dat er wel in ons bewustzijn allerlei gewaarwordingen, beseffen, indrukken en onderscheidingen aanwezig zijn, maar zonder dat we ons deze geassimileerd en ze geordend hebben; of wel, dat we overgaan tot dat tweede stadium, waarin het ons gelukt is, dezen inhoud van ons bewustzijn in voorstellingen en begrippen om te zetten; — en dezen machtigen overgang nu, waardoor voor alle wetenschap eerst de mogelijkheid van bloei ontstaat, maakt ons bewustzijn eerst door de taal; ten deele reeds door de taal der beelden, maar vooral door de taal in woorden; en alzoo door verbeelding en denken saam. Ook op de werkzaamheid der verbeelding wijzen we hierbij, want al hechten wij gemeenlijk aan de verbeelding een scheppende beteekenis, zoodat ze zich iets, wat niet bestaat, verbeeldt; toch behoort ook het zich in beeld voorstellen van iets, dat we gewaarwerden, wel terdege tot deze zelfde bezigheid van onzen geest. Nu staat de voorstelling dáárdoor boven de bloote gewaarwording, dat ze ons het beeld als eenheid en in eenige uitwendige relatie biedt, en is ze in zooverre altoos ten deele ook een product van ons denken, maar toch slechts in zooverre als de inhoud van ons denken vatbaar is voor plastische objectiveering. Dientengevolge ziet ons ik in de voorstelling een morphologisch iets, dat tot den inhoud van ons bewustzijn behoort. Maar welke klaarheid reeds hieruit ontstaan moge, en hoe broodnoodig ook deze voorstelling voor de helderheid van ons bewustzijn moge wezen, toch heeft ons ik aan de voorstelling niet genoeg; we moeten daartoe het object ook logisch doorzien; iets, wat zonder begripsvorming ondenkbaar is. En juist dit nu, deze begripsvorming, en geheel de arbeid, dien onze geest daarna met deze begrippen onderneemt, zou volstrekt ondenkbaar zijn, zoo ons de woordentaal niet het middel bood, om, hetgeen als gedacht in ons bewustzijn aanwezig is, voor onszelven te objectiveeren. Want wel is het ons, die eenmaal aan de manipulatie der, taal gewoon zijn, zeer goed mogelijk, een gedachtenreeks te doorloopen, en ten deele zelfs te ordenen, zonder dat we een woord |35| fluisteren of opschrijven, maar dit is slechts vrucht van de vaardigheid, die ons denken door de taal verkregen heeft. Is toch eenmaal de inhoud van ons logisch bewustzijn in de taal voor ons geobjectiveerd, dan werpt deze objectiveering een reflex in ons bewustzijn terug, waardoor we in staat zijn, ook zonder woorden te denken; maar op zichzelf kunnen we dit zonder het woord niet. Krachtens onze tweezijdige natuur, als deels psychische, deels somatische wezens, zoekt ook de psychische gedachte een sma in het woord en eerst in deze fijnste vermenging van ons psychisch en somatisch bestaan grijpt ons ik met klaarheid den inhoud van ons logisch bewustzijn. Het denken en het spreken ontwikkelt zich bij het opgroeiend kind met gelijken tred, en alleen een volk, dat een rijk ontwikkelde taal bezit, kan diepzinnige denkers voortbrengen. Want wel geven we toe, dat er personen zijn, die zeer vlot en toch zeer zinledig spreken, en omgekeerd personen, die diep denken en toch moeite hebben, zich duidelijk uit te drukken; maar dit verschijnsel levert dáárom geen bedenking tegen onze bewering op, omdat de taal het product is van heel een volk, en ieder lid van dit volk bij zijn opgroeien slechts inleeft in de taal, en daarmee in de gedachtenwereld, van zijn natie. Men mag hier dus nooit rekenen, met wat bij den enkele zich voordoet; de verhouding tusschen de taal en de gedachte draagt een algemeen karakter en kan eerst na generatisatie beoordeeld worden.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001