ž 4. Organisch verband tusschen subject en object.

Doch ook hiermee is nog niet genoeg gezegd. Het is toch niet voldoende, dat het subject der wetenschap (d.i. het bewustzijn der menschheid) organisch in de denkende individuen leve; en dat evenzoo het object, waaromtrent de denkende mensch allerlei weten wil, organisch in zijn deelen besta; maar er moet ook organische samenhang aanwezig zijn tusschen dit subject en dit object. Dit volgt reeds, uit wat boven werd opgemerkt, dat zoowel het subject zelf als het denken van het subject, mede object van |13| wetenschap wordt. Ontbrak toch het organisch verband, tusschen al wat buiten ons bestaat en onszelven, met inbegrip van ons bewustzijn, zoo zou weer de samenhang in het object ontbreken. Doch veelmeer nog is die organische samenhang tusschen onzen persoon en het object van wetenschap noodzakelijk, om wetenschap van het object voor ons mogelijk te maken.

Met opzet schreven we, dat er organische samenhang moet bestaan tusschen het object en onzen persoon. Samenhang enkel tusschen het object en ons denken ware ontoereikend, in zooverre het denken niet van het denkende subject te scheiden is. Zelfs waar men het denken zelf tot voorwerp van onderzoek kiest, en het derhalve generaliseert, wordt het wel losgemaakt van het individueele subject, maar blijft het niettemin aan het algemeene subject van onze menschelijke natuur gebonden. Voor het doel van alle wetenschap is dan ook veeleer een drieledig organisch verband tusschen subject en object eisch. Er moet organische verband bestaan tusschen dat object en ons wezen, tusschen dat object en ons bewustzijn, en, nader, tusschen dat object en onze denkwereld.

Ook het eerste ligt praegnant uitgedrukt in de beschouwing van den mensch als mikrškosmov. ’s Menschen ziel staat in organisch verband met ons lichaam, en dat lichaam staat op allerlei wijs in organisch verband met de verschillende rijken der natuur om ons heen. Scheikundig ontleed blijken de elementen van ons lichaam dezelfde te zijn, als die van de wereld, die ons omringt. Het plantaardige leven vindt in ons eigen lichaam zijn analogieën. En aan de dierenwereld zijn we, wat ons lichaam betreft, niet slechts organisch verwant, maar een geheele wereld van dierlijke wezens dringt op allerlei wijze in ons en teert op ons lichaam. De magnetische krachten, die om ons werken, werken evenzoo in ons. Onze longen zijn organisch op onzen dampkring aangelegd, ons oor op het geluid, ons oog op het licht. Kortom, waar zich ook eenig voorwerp als object van wetenschap aan ons aanbiedt, staat dit, ook waar we het geestelijke een oogenblik buitensluiten, in organisch verband met ons lichaam, en door ons lichaam weer met onze ziel. En wat de geestelijke objecten aangaat, t.w. het religieuze, ethische, intellectueele en aesthetische leven, zoo zou het ons |14| volstrekt onmogelijk zijn, hiervan wetenschappelijke kennis te bekomen, indien elk organisch verband tusschen deze levenssferen en onze eigen ziel ontbrak. Het onloochenbare feit toch, dat een blinde zich geen denkbeeld van het zichtbare schoon kan maken, en een doove geen begrip kan hebben, van wat muziek is, werpt deze stelling geenszins omver. Stel toch dat een Rafael in zijn jeugd met blindheid, of een Bach met doofheid ware geslagen, dan zou dit ons natuurlijk van een coryphee onder de toovenaars met het penseel en een virtuoos onder de toonkunstenaars armer hebben gemaakt, maar noch in Rafael, noch in Bach zou daarom de geniale aanleg voor de wereld van het schoone iets minder zijn geweest. Alleen het normale zintuig zou hun ontbroken hebben, om dezen genialen aanleg te ontwikkelen. Het organisch verband, waarin onze ziel tot deze onderscheidene sferen van geestelijk leven staat, ligt dus niet uitsluitend in het zintuig, maar in de organisatie zelve van ons geestelijk ik.

*

Aan dit organisch verband tusschen ons wezen en het object hebben we intusschen niet genoeg. Zal het object voorwerp van wetenschap voor ons kunnen worden, dan moet er in de tweede plaats evenzoo organisch verband bestaan tusschen dit object en ons bewustzijn. Ook voor zooverre men de elementen van reeds geziene sterren nog niet heeft kunnen vaststellen, vormen de hemellichamen toch reeds in zooverre objecten van wetenschap, als ze ons licht toestralen, zekeren vorm vertoonen en onder de berekening van afstand en beweging vallen. Maar ook al bleken later gelijksoortige gegevens aanwezig te zijn in en aan sterren, die dusver nog niet zijn waargenomen, toch rekenen ze, zoolang die waarneming ontbreken blijft, niet mede voor ons bewustzijn. Hoe sterk ook het organisch verband zij tusschen ons en de dierenwereld, toch blijft het innerlijk bestaan der dieren voor ons een mysterie, zoolang het organisch verband tusschen dit innerlijk bestaan en ons menschelijk bewustzijn voor ons verborgen blijft, en dus niet kan werken. We zien een spin haar webbe weven, en er is niets, zoomin in die spinnekop als in dat web, dat niet op allerlei wijze in |15| organisch verband met ons eigen wezen staat, en toch kan onze wetenschap niet indringen, in hetgeen bij het spinnen van dat webbe in die spin omgaat, eenvoudig wijl ons bewustzijn elk organisch verband met haar innerlijk bestaan mist. Zelfs bij het beoordeelen van het karakter onzer medemenschen staan we telkens voor onoplosbare raadselen, omdat we wel kunnen indringen in dat gedeelte van hun innerlijk bestaan, waarvan de analogieën in ons eigen bewustzijn aanwezig zijn, maar ons onmachtig gevoelen, dat bijzonderste van hun wezen te doorzien, dat hun alleen eigen is, en daarom elk organisch verband met ons bewustzijn uitsluit. Voor zooverre nu ons bewustzijn wél in het gewenschte organisch verband met het object van onze wetenschap staat, wordt hierdoor alleen uitgedrukt, dat de mensch in de mogelijkheid verkeert, om van het bestaan en van de bestaanswijze van het object een besef, een gewaarwording, een indruk te ontvangen; waarbij het op zichzelf niets ter zake doet, of dit indringen van het object in ons bewustzijn gevolg is van een werking, die van het object uitgaat, zoodat wij er lijdelijk onder verkeeren, of wel van onze actieve waarneming. Beide, zoowel gewaarwording als waarneming, zijn volstrekt onmogelijk, indien elk organisch verband tusschen eenig object en ons bewustzijn ten eenenmale ontbreekt. Zoodra daarentegen dit organisch verband bestaat, kan wel de gewaarwording, en evenzoo de waarneming, door allerlei oorzaak uitblijven of verhinderd worden, maar in beginsel is de mogelijkheid, het object in ons bewustzijn te doen ingaan, alsdan aanwezig.

Ten onrechte heeft men dit organisch verband in het dusgenaamde „gevoelsvermogen” gezocht. Voor dit derde vermogen is in de coördinatie met de facultas intelligendi en volendi zelfs geen plaats. Een vermogen toch, in den zin van facultas genomen, is uit zijn aard altoos actief, terwijl we bij het ingaan van de objecten in ons bewustzijn evengoed passief kunnen verkeeren, en dikwijls elke poging mislukken zien, onszelven, voor wat we niet hooren, niet zien en niet ruiken willen, af te sluiten. Een bedenking, die men niet op zij zet, door gewaarwording en waarneming als twee heterogene feiten van elkander te onderscheiden; of ik toch iets opzettelijk bezie, of iets zie, zonder het te willen, |16| beide malen werkt geheel hetzelfde organisch verband; alleen met dit verschil, dat bij opzettelijke waarneming ons intellect en onze wil op dit verband inwerken. Het is alsdan ons ik, dat de mogelijkheid van rapport met het object kent; in een gegeven geval dit rapport wil; en door dien wil het rapport werken laat. Van een actief vermogen, dt buiten intellect en wil werken zou, valt alzoo geen sprake. De zaak is alleen, dat er geleidraden bestaan, die het object buiten ons met ons ik in rapport kunnen brengen; geleidraden, die daarom van organische natuur zijn, omdat ze bij ons opgroeien zich vanzelf ontwikkelen, en bij fijnere vorming van onze persoonlijkheid vanzelf een fijner karakter aannemen. Van welken aard deze organische verbindingen zijn, hangt natuurlijk geheel af van den aard van het object, waarmee ze ons gemeenschap zullen geven. Behoort dit object tot de materieele wereld, zoo moeten ook deze geleidingen ten deele een materieel karakter dragen, gelijk bij het zien de lichtgolven en onze zenuwen. Is daarentegen het object van geheel onstoffelijken aard, zoo moeten deze verbindingen een rechtstreeks geestelijke natuur vertoonen, gelijk dan ook feitelijk de gewaarwording van recht en onrecht, waar of valsch, en zooveel meer, rechtstreeks uit de geestelijke wereld op ons aandringt. In beide gevallen echter moet altoos scherp onderscheiden worden tusschen de verbindingen, die ons met het object in rapport brengen, en tusschen hetgeen, door middel van deze verbindingen, in ons bewustzijn plaats grijpt.

Immers, die verbindingen op zichzelf leveren nog niet het vereischte organisch verband. Al ben ik met Bangkok telegraphisch verbonden, zoo baat dit mij nog niet, zoolang ik de taal niet versta, waarin de telegrafist uit Bangkok mij seint. Ja, zelfs al versta ik zijn taal, zoo blijf ik toch nog even wijs, zoolang ik van de zaak, waarover hij mij seint, niets begrijp, of er mij, omdat soortgelijke zaak ten onzent niet voorkomt, geen voorstelling van kan vormen. En zoo nu ook moet het object mij vreemd blijven, ook al sta ik er door allerlei verbindingen in organisch contact mee, zoo in mijn bewustzijn niet de mogelijkheid gegeven is, het in den spiegel van mijn zelfbesef op te nemen. Natuurlijk nemen we hierbij het menschelijk bewustzijn in absoluten zijn, en houden we |17| ons niet op bij de lagere graden van ontwikkeling, die aan de assimileering van een zeer samengesteld object in den weg kunnen staan. Hier is alleen sprake van de grondvormen, waarmee het bewustzijn werkt; en dan spreekt het vanzelf, dat hetgeen langs de onderscheidene geleidraden naar ons bewustzijn wordt geseind, dán alleen voor ons bewustzijn effect kan hebben, indien in dit bewustzijn de geschiktheid aanwezig is, het overgeseinde in zich op te nemen. Wie kleurenblind geboren werd, heeft er niets aan, of ge hem al de schoonste kleurschakeeringen voorlegt; en zoo ook zou het ons niets baten, of al, bij een goed gezicht, ons oog de zuiverste tinten overgeleidde, indien in ons bewustzijn niet, eer deze kleurschakeeringen zich aan ons ontdekken, de geschiktheid, om kleur van kleur te onderscheiden, aanwezig was. Noch gewaarwording, noch waarneming is alzoo mogelijk, tenzij in ons menschelijk bewustzijn een zoodanige receptiviteit voor het object besta, dat het door ons bewustzijn naar zijn aard en vorm kunne gegrepen worden. Allerlei combinatie moge dit later verrijken, maar die combinatiën zouden op zichzelf ondenkbaar zijn, indien de samenstellende deelen van deze combinatiën niet als grondtypen vooraf in ons bewustzijn traden; en deze grondtypen kunnen in ons bewustzijn niet gegrepen worden, tenzij dit bewustzijn er op zij aangelegd. Het beeld van den spiegel misleide hier niet. Want wel kan op spiegelglas elk beeld weerkaatst worden, ook al is dat glas geheel onbewerkt en neutraal; maar dit glas spiegelt dan ook niets af, dan in verband met ons oog. In ons bewustzijn daarentegen komt het niet enkel op het spiegelende glas, maar ook op het ziende oog aan. Beide vallen in ons bewustzijn samen; en daarom kan geen enkel object door ons bewustzijn gegrepen worden, tenzij de receptiviteit voor dit object in ons bewustzijn vooraf aanwezig zij. Eerst door dit oorspronkelijk en aan alle waarneming of gewaarwording voorafgaande rapport tusschen het object buiten ons en de receptiviteit voor dit object, die in ons bewustzijn aanwezig, wijl ingeschapen is, komt èn gewaarwording èn waarneming tot stand. Het is vooral hierin, dat de mikrokosmische natuur van ons bewustzijn spreekt; en eerst waar dit mikrokosmische in de |18| receptiviteit van ons bewustzijn aan de telegraphische verbinding met het object effect verleent, werkt, dank zij de vereeniging van deze beide factoren, het vereischte organisch verband, dat het object met ons bewustzijn in contact brengt.

*

Hiermee is echter dit object nog niet in de wereld onzer gedachten opgenomen, en zonder meer zou het dus nog buiten onze „wetenschap” blijven liggen. De reuk van wierook b.v. vindt in de oneindige deelbaarheid van deze geurstof het middel, om onze reukzenuwen aan te doen, wordt door die zenuwen in ons bewustzijn overgedragen, en vindt in dit bewustzijn, zoowel de onderscheidingsgave om dezen reuk, b.v. van rozengeur, te onderscheiden, als de receptiviteit, om in dezen geur te genieten. Maar hoewel hierdoor een volledig rapport tusschen den wierook als object en het bewustzijn in ons subject is tot stand gekomen, ontbreekt hier toch van den wierookgeur nog elke wetenschappelijke verklaring. Aan de twee eerst gestelde eischen voegden we daarom nog dezen derden toe, dat het object ook in organisch verband moest treden met onze denkwereld. Het is toch duidelijk, dat het denken slechts één der vormen is, waardoor ons bewustzijn werkt. Als een kind in de wieg door een speld geprikt wordt, is er in het bewustzijn van dit wicht geen enkel begrip zoomin van een speld, als van prikken of pijn aanwezig, en toch is de prik naar zijn bewustzijn overgebracht, want het kind schreeuwt. Omgekeerd ziet men, hoe bij een operatie onder chloroform-narcose alle verband tusschen ons bewustzijn en een lid van ons eigen lichaam kan worden opgeheven, zoodat we eerst van achteren, door uitwendige waarneming, bespeuren, dat ons een voet of arm is afgezet. Een feit in en aan ons eigen lichaam, dat alzoo geheel buiten het bewustzijn van ons ik omging. En zoo nu zijn er tal van aandoeningen, indrukken en gewaarwordingen, die, geheel onafhankelijk van ons denken en de wereld onze gedachten, in ons bewustzijn komen, of buiten ons bewustzijn blijven, enkel naar gelang de daarmee correspondeerende receptiviteit van ons ik al dan niet in rapport met het object stond of geraakte. Alle aandoeningen van pijn of |19| wellust, van wel of onwel zijn, van kleur en geluid, van wat verheven of laag, goed of slecht, vroom of goddeloos, schoon of onschoon is, smaakt of walgt, en zooveel meer, maken iets wakker in ons bewustzijn en treden door ons bewustzijn in rapport met ons ik, zoodat wij het zijn, die pijn lijden of genieten, verrukt of verontwaardigd worden, smaak in iets hebben of van iets walgen; maar hoe sterk deze aandoeningen van ons bewustzijn ook wezn mogen, ze hebben als zoodanig niets met de denkactie van ons bewustzijn uitstaande. Ruiken we rozengeur, dan moge de herinnering van dezen geur de voorstelling van een roos in ons oproepen, en deze voorstelling de actie van ons denken wekken; maar dit alles gaat geheel buiten den geur om. Immers, als men ons een odeur van een ons onbekende plant laat ruiken, waarbij we ons niets voorstellen, niets denken kunnen, is de prikkel, dien ons bewustzijn ontvangt, geheel gelijksoortig, en, mits de odeur fijn en welriekend zij, het genot voor ons ik even groot. Bij den smaak van fijne, ons dusver geheel onbekende, wijnen, waarvan we noch de herkomst weten, noch den wijnstok of de druif ooit zagen, grijpt hetzelfde verschijnsel plaats. Omdat derhalve iets in ons bewustzijn komt, daarom is het nog volstrekt niet in de wereld van ons denken opgenomen, en ook dit derde rapport van ons ik met het object eischt alzoo afzonderlijke bespreking.

Indien het object, dat met ons bewustzijn in rapport treedt, uitsluitend uit zintuigelijk waarneembare momenten bestond; elk verband tusschen deze momenten ontbrak; er in deze momenten zelve geen verandering plaats greep; en ons slechts één enkel zintuig ten dienste stond; zou ons menschelijk bewustzijn zijn vermogen om te kunnen denken nooit gebruikt en nooit ontwikkeld hebben. Er zou dan niets gewerkt hebben dan gewaarwording (resp. waarneming) en tengevolge hiervan verbeelding en voorstelling. Het object zou zich in ons bewustzijn gephotographeerd hebben; dit opgevangen beeld zou in ons tot een voorstelling zijn geworden; en met deze voorstellingen zou onze verbeelding hebben gephantaseerd. Maar anders werd dit, nu we meerdere zintuigen ontvingen, die ons met eenzelfde voorwerp in contact brengen; nu de voorwerpen niet constant, maar wisselend zijn; nu de |20| onderscheidene momenten van het object met elkander in organisch verband staan; en nu er tot het object ook qualiteiten behooren, die buiten alle bereik van het zintuig liggen en daarom alle voorstelling van zich weigeren. Hierdoor toch drong zich op allerlei wijze het feit aan ons op, dat er in het object ook bestaat, wat we gewoon zijn relatie te noemen. Het object blijkt niet eenvoudig, maar samengesteld te zijn, en tusschen de samenstellende deelen blijkt allerlei verband te bestaan; een verband, dat naar zeer onderscheidene categorieën een zeer uiteenloopend karakter draagt; dat in elk deel van het object tot eindelooze variatiën leidt: dat zich nu eens tusschen deel en deel, en dan weer tusschen groepen van deelen vertoont; dat wisselt naar de waarneming met de onderscheidene zintuigen, en alsdan een nieuw verband tusschen die onderscheidene relatiën laat gelden; voorts een verband, dat zich ook tusschen onszelven en het object voordoet, hetgeen was, verbindt, aan hetgeen is, en wat is, aan wat zal komen. Zoo ontstaat er dus een geheele wereld van relatiën; deze relatiën blijken even werkelijk en gewichtig te zijn als de in relatie tredende deelen van het object; niet zelden ontvangen we den indruk, alsof deze relatiën meer de samenstellende momenten van het object, dan die momenten de relatiën beheerschen; ja zoo overweldigend wordt bij de eenvoudigste tegenstelling dezer beide, t.w. bij die van kracht en stof, de indruk der relatie, dat men geneigd zou worden, de realiteit van de stof te loochenen, en enkel de relatie voor werkelijk bestaande aan te zien. En overmits nu ons menschelijk bewustzijn, krachtens zijn mikrokosmisch karakter, ook op de waarneming van deze relatiën is aangelegd, en deze relatiën, afgetrokken van de momenten, waartusschen ze bestaan, niet afgebeeld noch voorgesteld, maar slechts gedacht kunnen worden, zoo is het metterdaad uit deze oneindige reeks van organisch samenhangende relatiën, dat geheel de wereld van ons denken geboren wordt. Bedoelt nu de wetenschap, dat ons menschelijk bewustzijn het bestaande als organisch geheel |21| in zich op zal nemen, dan spreekt het vanzelf, dat ze nog niets gevorderd is met de voorstelling der momenten, en dat ze haar doel eerst bereiken kan, zoo ze behalve tot de eenigszins volledige voorstelling der momenten ook tot het eenigszins volledige indenken van deze relatiën gekomen is. 1)

Dat morphine pijn stilt, is in zooverre bestanddeel van ons weten, als ontdekt wierd, dat er zekere relatie tusschen dit papaversap en onze zenuwen bestaat, maar deze empirische kennis zal dan eerst tot wetenschappelijk inzicht hebben geleid, zoo deze relatie zelve in haar werking zal doorzien zijn, en men zal kunnen aantoonen, welke werking de morphine op de zenuwen oefent, en hoe ze daardoor de actie van zekeren prikkel op onze zenuwen neutraliseert. Dat nu deze relatiën alleen door de gedachte en niet door de voorstelling kunnen gegrepen worden, ligt aan haar natuur. Bestonden toch deze relatiën bij manier van de zenuwen, die ons lichaam doorkruisen of van de telefoondraden, die onze steden overspannen, zoo zouden ze zelve momenten en geen relatiën zijn. Maar dit is niet zoo. Zenuwen en geleidraden mogen de voertuigen voor de werking van de relatiën zijn, maar ze zijn de relatiën zelve niet. De relatiën zelve zijn niet alleen geheel onstoffelijk, en dus gestalteloos, maar ook onwezenlijk. Daarom nu kunnen ze alleen door onze gedachten gegrepen worden, en gaat omgekeerd al ons denken in de kennisse dezer relatiën op. Of we ons toch al een begrip van een boom, een leeuw, een ster enz. vormen, toch zal dit begrip, zoo we er alle voorstelling van afzonderen, nooit iets anders bieden dan de kennis der relatiën, waarin zulk een boom, |22| leeuw of ster tot andere voorwerpen, of ook de samenstellende deelen van zulk een boom, leeuw of ster tot elkander staan. Tot op zekere hoogte kan men dus zeggen, dat de relatiën evengoed verschijnselen zijn als de momenten, die we waarnemen, en die hetzij door onze zintuigen, hetzij op andere wijze zekeren prikkel in ons bewustzijn teweegbrengen, en daardoor ons bewustzijn met die momenten in rapport stellen. Zonder meer zou er dus slechts op tweeërlei wijs wetenschap in ons bewustzijn inkomen, ten eerste wetenschap van de bestaande momenten, en ten tweede wetenschap van de relatiën, die blijken tusschen deze momenten te bestaan. De astronoom zou wetenschap van den sterrenhemel ontvangen door het zien naar de sterren, die zich aan zijn oog vertoonen, en wetenschap van hare onderlinge relatiën en van de relatiën tusschen haar deelen, door met zijn denken in die relatiën in te dringen. Maar hiertoe is de bezigheid van ons bewustzijn met opzicht tot de relatiën niet beperkt.

*

Ons denken namelijk bepaalt zich volstrekt niet uitsluitend tot de, altijd meer passieve, rol van den waarnemer der relatiën; maar draagt in zich ook een actief vermogen. Dit actief vermogen vindt hierin zijn grond, dat, als we zoo zeggen mogen, het kader voor deze relatiën in ons eigen bewustzijn aanwezig is, eer we ze als buiten ons bestaande leeren kennen. Dit zou niet zoo zijn, indien deze relatiën accidenteel waren en niet organisch samenhingen. Maar organisch samen te hangen is juist haar eigenaardig karakter. Vandaar, dat het object geen chaos, maar een kosmos is; dat er in het bijzondere een algemeenheid heerscht; en dat er alzoo in deze relatiën een orde en regel blijkt te bestaan, die hare continuïteit en constantheid waarborgen. Er is in deze relatiën s└stjma. Deze onderscheidene relatiën staan ook tot elkander in relatie, en onze verwantschap met het object komt juist daarin uit, dat ons denkvermogen er geheel op is ingericht, deze laatste relatiën te doorzien. Mits goed verstaan kan men zeggen, dat het voltooide menschelijke denken gelijk zal zijn aan het voltooide organisme van deze relatiën. Ons denken is geheel en uitsluitend |23| op deze relatiën aangelegd, en deze relatiën zijn de objectiveering van ons denken. Iets, wat zoo streng doorgaat, dat zich uitnemend goed verstaan laat, hoe meer dan één philosoof de objectiviteit van deze relatiën ontkend heeft, om er alleen de reproductie van ons denken in te zien. Dit pleit zou dan ook niet te beslechten zijn, zoo niet onder de vele relatiën ook die van geleidelijken en geregelden overgang van toestand in toestand bestond; en waar we nu het resultaat van deze relatiën ook daar vinden, waar eeuwen lang geen menschelijk oog de natuur begluurd heeft, op de toppen van de voor het eerst beklommen bergen, op eenzame uithoeken der wereld, of in nieuw onderzochte lagen van den aardbodem, daar blijkt dit subjectivisme onhoudbaar. In zooverre echter moet op deze identiteit van ons denkend bewustzijn met de wereld der relatiën wel terdege nadruk gelegd, als deze relatiën zonder een oorspronkelijk Subject, dat ze gedacht heeft, en de macht bezat, dit product zijner gedachten in heel den kosmos te laten heerschen, niet bestaan zouden. Juist omdat deze relatiën geen eigen substantie hebben, kunnen ze niet organisch werken, tenzij ze organisch, d.i. van een eerste beginsel uit, gedacht zijn. Als wij ons indenken in deze relatiën, doen wij dus niets dan nadenken de gedachte, waardoor het Subject, dat deze relatiën in het leven riep, ze bepaald heeft. Als er geen gedachte in het object school, zou het voor ons denken onverteerbaar zijn. Evenmin als ons oor de kleuren kan waarnemen, zou ons denken dan in staat zijn, zich een begrip van het object te vormen. En het is juist het van ons bewustzijn onafscheidelijk besef, dat de kosmos logisch bestaat, waaruit de onverwinlijke drang van alle wetenschap, om den kosmos te leeren verstaan, geboren wordt. Niet in dien zin, alsof de kosmos enkel logisch zou bestaan. Dit toch zou neerkomen op een kosmos, die enkel uit relatiën bestond, en daar relatiën ondenkbaar zijn, tenzij er momenten gegeven zijn, waartussen deze relatiën de verbinding vormen, ligt in de relatiën zelve, en alzoo ook in ons denken als zoodanig, de onverbiddelijke eisch, dat er ook momenten zijn, die zich niet laten converteeren in relatiën, en derhalve ook buiten het veld van ons denken liggen. Er is alleen mee uitgesproken, dat er |24| niets bestaat zonder relatiën; dat deze relatiën nooit accidenteel, maar altoos organisch zijn; en dat dus de kosmos, als kosmos, in zijn gezamenlijke momenten logisch bestaat, en in dit logisch bestaan vatbaar is, in onze denkwereld te worden opgenomen. Het resultaat van alle wetenschap, gelijk deze geboren wordt én uit onze waarneming, én uit ons indenken van de relatiën van het waargenomene, staat dus altoos vooruit vast. Wie iets anders beoogt, dan de organische gedachtenwereld, die in den kosmos ligt, zoolang in en na te denken, tot zijn eigen gedachtenwereld volkomen aan die vóór hem en buiten hem bestaande gedachtenwereld beantwoordt, is geen man van wetenschap, maar een wetenschappelijk avonturier; een franc-tireur, geen ingelijfde in de heirschare der denkers.

Het feit nu, dat ons een indenken van de objectief voor ons liggende gedachtenwereld mogelijk is, toont dat er tusschen ons bewustzijn en het objectieve denken, waardoor de kosmos kosmos is, rechtstreeksch verband bestaat. Bezat ons bewustzijn enkel de receptiviteit voor empirische indrukken, zoo uit de zichtbare als uit de onzichtbare wereld, zoo zou er van een logisch verstaan van den kosmos, d.i. van de wereld als kosmos, geen sprake bij ons kunnen zijn. Maar zoo is het niet. Ons bewustzijn bezit, behalve de vatbaarheid voor indrukken van allerlei aard, ook het vermogen om logisch te denken. Dit vermogen nu kan niet enkel imitatief zijn. Dit ware denkbaar, indien geheel het organisme der relatiën van den kosmos voor ons ware blootgelegd. Dan toch konden we dit aanleeren, gelijk we nu een vreemde taal doen, die geen enkel bekend rapport met onze eigen taal verraadt. Zoo b.v. als een Nederlander de taal der Zoeloe’s leert. Maar dit is niet het geval. De relatiën liggen in den kosmos verscholen, en zijn in haar dieperen samenhang niet te kennen, tenzij we zelf als logische denkers tot dezen logisch bestaanden kosmos toetreden. Slechts bij de onderstelling, dat in ons denken de logische kiem van een gedachtenwereld aanwezig is, die, mits juist ontwikkeld, volkomen passen zal op de logische gedachtenwereld, die in den kosmos verscholen ligt, is deswege wetenschap van den kosmos voor ons mogelijk. En hierin nu juist ligt de mogelijkheid voor ons denken, om |25| actief op te treden. Zoodra het ons toch gelukt is, de algemeene relatiën te leeren kennen, die het bijzondere beheerschen, of ook de kiem van een zich ontwikkelende gedachte in deze onderscheidene relatiën te ontdekken, stelt de identiteit van onze subjectieve met de objectieve gedachtenwereld ons in staat, actief op te treden, deels door de gewilde relatiën in het leven te roepen, en deels door de relatiën, die zich moeten vertoonen, of zich later zullen ontwikkelen, vooruit te zien. En aldus eerst erlangt de menschelijke wetenschap dat hooge, dat heerschende, dat profetische karatker, waardoor ze zich niet alleen vrijmaakt van den kosmos, maar ook dien kosmos verstaat, in dien kosmos tot handelen bekwaamt, en ten deele zelfs de toekomstige ontwikkeling van dien kosmos doorziet.

*

Ons vermoeden, dat hetgeen met „wetenschap” bedoeld wordt, genetisch zou blijken saam te hangen met de etymologische grondbeteekenis van „weten”, heeft ons dus niet bedrogen. Er bleek toch, dat in het object der wetenschap onderscheiden moet worden tusschen de momenten en de relatiën dezer momenten, overmits dit object organisch bestaat. Hieraan nu beantwoordende, bleek ons menschelijk bewustzijn (d.i. het subject der wetenschap) een dubbele receptiviteit te bezitten: eenerzijds een vermogen van perceptie voor de momenten in het object, en anderzijds een vermogen van perceptie voor de relatiën in het object. Eerst door deze beide saam wordt de actio intelligendi, gelijk de Romeinen haar noemden, volledig. Wil men nu de opneming in ons bewustzijn van de momenten gewaarwording noemen, en de opneming in ons bewustzijn van de relatiën het indenken, dan komt eerst door deze beide saam de reflectie van het object in ons bewustzijn tot stand. Wat men niet zelden als gevoelsvermogen of waarnemingsvermogen naast de facultas intelligendi en de facultas volendi geplaatst heeft, is alzoo niets anders dan een onderdeel van de facultas intelligendi. Cogitare en intelligere toch is volstrekt niet hetzelfde. Cogitare kan ik ook iets, dat niet bestaat, terwijl het intelligere alleen plaats grijpt ten opzichte van een bestaand object, dat als |26| zoodanig nooit enkel relatiën bezit, maar altoos tegelijk momenten, waartusschen deze relatiën bestaan. En hoewel het nu te betreuren is, dat een verkeerd spraakgebruik het intellect al meer als denkvermogen is gaan opvatten, en intellectualisme de gangbare term is geworden, waarmee abstracte denkgymnastiek pleegt gebrandmerkt te worden, toch mogen we daarom de schoone en rijke uitdrukking van facultas intelligendi niet laten varen, en moet deze genomen, als bestaande uit een dubbele actie: eenerzijds uit de waarneming en anderzijds uit het indenken van het waargenomene. Eene onderscheiding, die op haar beurt weer haar grond vindt in ons dichotomisch bestaan, als deels somatische, deels psychische wezens; daar toch de voorstelling meer een somatisch, het begrip een meer psychisch karakter draagt.

Natuurlijk doet her er hierbij niets toe, of het object, waarop het onderzoek zich richt, buiten mij of in mij ligt. Gevoel ik pijn in het hoofd, dan vestigt die pijn mijn aandacht op mijn hersenen, en wordt tegelijk mijn denken geprikkeld, om de oorzaak van die pijn na te speuren, en uit te denken, wat tot verwijdering van die pijn leiden kan. En evenzoo doet het er niets toe, of deze gewaarwording mij toekomt door middel van de zintuigen en de zenuwen, uit een tastbaar en zichtbaar object, of wel dat deze gewaarwording een rechtstreeksche aandoening is, die op mijn geestelijk wezen werkt uit de wereld van het recht, van het schoone, het geode en ware. Zelfs kan het denken zonder meer object van onderzoek zijn, waarbij dus het moment altoos ligt in het subject, van wien dit denken uitgaat, geheel onverschillig, of dit subject zekere A of B is, dan wel het algemeene subject mensch, engel of God. Doch hoe ook werkende, steeds is het doel van beide actiën in mijn bewustzijn, zoowel die van de gewaarwording als van het denken, om mij iets te doen weten, of wilt ge, naar de oorspronkelijke beteekenis van het Fide▓n, mij iets te doen zien. De gewaarwording doet mij weten, dat het moment bestaat, de cogitatio doet mij weten, welke de relatiën van dit moment zijn; en eerst door de vereenigde actie van deze beide kom ik te weten, wat en hoe het object zij.

Slechts ter voorkoming van misverstand zij hieraan toegevoegd, dat deze strengere analyse, zoo van de momenten en de relatiën |27| der momenten, als van de gewaarwording en de cogitatio, alleen dan doorgaat, als men zich bezighoudt met een geheel elementair object. Zoodra men toch van de volstrekt elementaire verschijnselen opklimt tot de samengestelde, vindt men de momenten den relatiën gedurig dooreengevlochten, en werken evenzoo de perceptio en de cogitatio dooreen. Een atoom en de beweging van dit atoom onderscheidt zuiver het moment en de relatio; want, ook al meen ik de beweging van het atoom rechtstreeks waar te nemen, toch zie ik feitelijk niets anders dan altoos weer het atoom, maar gedurig in verschillende relatie. Onderzoek ik daarentegen een druppel water, dan heb ik reeds hierin met een zeer saamgesteld object te doen, waarin allerlei momenten en relatiën vermengd liggen. Waarnemen kan ik dan wel den glans, den vorm en de buitenste atomen, maar tot de kennis, dat dit morphologisch verschijnsel een druppel water is, kom ik niet zonder de kennis der relatiën, die niet mijn perceptie, maar mijn cogitatio mij verschaft. Een zeer jong kind merkt wel door de perceptie, dat er iets glinstert en dat er zich zekere vorm vertoont, weet dus, dat er iets is, maar weet niet, dat het water is. Als het vuur ziet, slaat het in dat vuur de hand in. En eerst als later door middel der cogitatio zich ook de kennis der relatiën gaat ontwikkelen, weet het op het gezicht, dat die druppen nat is, en dat vuur de huid pijn doet. Juist door dit samengestelde der verschijnselen ontstaan dus de morphologische momenten van een boom, een dier en zooveel meer, die, juist omdat ze saamgesteld zijn, reeds voor de eenvoudige waarneming de gecombineerde actie van onze perceptie en onze cogitatio vereischen; een reden te meer, om beide onder ééne facultas intelligendi saam te blijven vatten.

Dat soortgelijk bewustzijn ook bij de hooger bewerktuigde dieren werkt, valt niet te betwijfelen. Een tijger, die in de verte vuur ziet, weet, dat zulk vuur pijn doet, ook al heeft hij nooit vuur gevoeld. Er is in zulk een dier dus niet alleen wetenschap van zekere momenten, maar ook een beperkte wetenschap van de relatiën dezer momenten, en dat wel in veel strenger, onmiddellijker zin, dan bij den mensch. Toch gaat het niet aan, deswege reeds het denkbeeld van begrijpen of intelligere op het dier over |28| te brengen. Vooreerst toch weten we er niets van, hoe deze elementaire wetenschap in het dier tot stand komt. Ten tweede is deze wetenschap bij het dier slechts voor zeer geringe ontwikkeling vatbaar. En ten derde draagt ze bij het dier veelszins een instinctief karakter, dat een andere wijze van perceptie onderstellen doet. Zekere praeformatie, voor wat in ons menschelijk bewustzijn werkt, moet dus ook in het dier bewonderd worden; maar, ook al blijkt de actie in mensch en dier tot op zekere hoogte gelijksoortig, toch is uit de ééne actie tot de andere geen conclusie te trekken. We weten er volstrekt niets van, als hoedanig het dier de vormen en de relatiën der verschijnselen waarneemt.

Wel hebben we daarentegen recht te concludeeren, dat in ons menschelijk bewustzijn microscopisch het besef van de momenten en de relatiën van het object aanwezig moet zijn, overmits zonder dit besef de ontvangen aandoeningen nooit zouden kunnen leiden, tot wat wij als reuk, smaak, genot van kleur, geluid enz. kennen. Want wel dient toegegeven, dat deze aandoeningen eenvoudig in ons correspondeeren konden met zekere sensatiën, die wij reuk, smaak enz. noemen; maar vooreerst zou deze correspondentie dan toch constant zijn, en reeds daarin zekere objectiviteit bezitten; en ten andere wordt dit objectief karakter boven allen twijfel verheven, door wat wij verbeelding en afgeleid denken noemen. Uit deze twee bezigheden van den menschelijken geest blijkt toch, dat ons bewustzijn niet alleen het vermogen bezit, door de momenten aangedaan te worden, en hun relatiën in ons op te nemen, maar dat ons menschelijk bewustzijn, uit dit altoos ten deele passief in zich opnemen, ook tot activiteit kan overgaan. Voor wat de perceptie aangaat, werkt deze activiteit in onze verbeelding, en voor wat de cogitatio aangaat, in het afgeleide denken. Door de verbeelding scheppen wij voor ons bewustzijn zelf verschijnselen, en door ons hooger denken formeeren wij zelf relatiën. Stonden nu deze producten van onze verbeelding en van ons hooger denken buiten de realiteit, zoo zou er alle oorzaak zijn, om uitsluitend aan een subjectief, niet nader te bepalen, proces te denken. Maar dit is niet het geval. De schilder schept harmonieën van tinten, die straks in hem |29| onbekende bloemen reëel blijken; en, wat nog veel sterker spreekt, door ons afgeleid denken komen we telkens tot conclusiën, die straks blijken met volkomen werkelijke relatiën overeen te stemmen. Object en subject staan dus tegenover elkander, als volkomen aan elkander verwant, en hoe dieper het ons menschelijk bewustzijn gelukt in den kosmos in te dringen, des te inniger blijkt die verwantschap te zijn, zoowel wat aangaat de substantie en de morphologie van het object, als de gedachten, die in de relatiën van het object liggen uitgesproken. En daar nu noch het object het subject, noch het subject het object produceert, moet de macht, die beide organisch saamverbindt, uiteraard buiten beide gezocht worden. Hoe men dan ook zinne of peinze, nooit zal de genoegzame grond voor deze bewonderenswaardige correspondentie of verwantschap tusschen het object en het subject, waarop toch geheel de mogelijkheid en de ontwikkeling der wetenschap rust, voor ons besef verklaard worden, tenzij we met de H. Schrift belijden, dat de Auteur van den kosmos, in dien kosmos, den mensch als mikrokosmos schiep „naar zijn beeld en naar zijne gelijkenis.”

Aldus opgevat komt „de wetenschap” derhalve voor ons te staan, als het product van een te zijner tijd met noodzakelijkheid opgekomen, en steeds voortgaanden drang in den menschelijken geest, om den kosmos, waarmee hij in organische verwantschap staat, plastisch naar zijn momenten in ons af te spiegelen, en logisch in zijne relatiën door te denken.




1. De onderscheiding in het object tusschen momenten en relatiën is hier met opzet gekozen, als de meest algemeene. Onder moment versta men dus noch de substantia als substraat van de verschijnselen, noch das „Ding an sich” als object min subject. Deze beiden toch zijn denkabstractiën, en zouden ons uit dien hoofde van het goede spoor brengen. En evenzoo behoeft het wel nauwelijks herinnering, dat er in deze momenten, evenals in onze voorstellingen er van, complicatie en associatie kan bestaan; alsook, dat ze evengoed uit de herinnering kunnen gereproduceerd zijn, als versch opgevangen. Doch bij dit alles mocht ik mij thans niet ophouden. Mijn doel was alleen op tweeërlei in het object te wijzen, waarvan het ééne met ons voorstellingsvermogen correspondeert, het andere met ons denkvermogen.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001